Peter Buwalda is schrijver en columnist van de Volkskrant
Als scholier, in voorbereiding op mijn latere beroep, bestudeerde ik spreekwoorden. Leek me mooi om er t.z.t. romans mee te doorspekken, en misschien zelfs mee te openen. (‘Nu Milou wist waar hij de mosterd haalde, verbrak ze de verbinding met Abraham, die thuis zat wachten met de kaasblokjes, en begaf zij zich op een drafje naar het gangpad met de sauzen, daarbij struikelend over een prepuber in een Albert Heijn-hesje. Terwijl Milou met gespreide armen door een muur van keukenrollen stortte, riep de jonge vakkenvuller: ‘Die hem tussen vuur en stro zet, brandt geerne!’)
(Of de seksuele wereld openbrekend, een rebelse stem in letterenland: ‘Oost, west, thuis best, mompelde Roy, en schoof de versgehuurde seksfilm in de videorecorder, bemerkend dat alleen al het gezoem en geklik van het apparaat hem een danige erectie bezorgde. Eén zwaluw maakt nog geen zomer, temperde hij zichzelf, maar – wijsvinger omhoog – waar rook is, is vuur.’)
Mooi.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Een spreekwoord waarmee ik tijdens deze leertijd worstelde, behandelde de ezel, die zich geen twee keer aan dezelfde steen zou stoten. Waarom een ezel, ezels waren toch dom? Of waren ze er te koppig voor? Zouden alle andere dieren zich juist graag stoten aan dezelfde steen?
Bepaalde graphic kindernovels, waaronder de werken van Willy Vandersteen, voerden me dieper het duister in. Neem de fameuze scène waarin de grote Lambik zijn voet aan een forse steen stoot. Met een van pijn vertrokken gezicht brult hij: ‘Een ezel stoot zich geen tweemaal aan dezelfde steen?! Welnu, dan doe ik het driemaal!’ En geknield geeft Bikske het rotsblok twee extra harde kopstoten. Hierna begreep ik er echt helemaal niks meer van. Was het misschien een andere ezel? Ging het eigenlijk over Jozef en Maria?
Ook hierom stoot ik me geregeld aan identieke stenen, bijvoorbeeld (hier wilde ik heen) heel laat een hotel boeken, zo laat, dat niet alleen alle hotels vol zitten, maar de hele stad waarin ik moet zijn. De eerste keer overkwam het me in Liverpool, waar ik heen moest voor UT-Nieuws.
Groenman, mijn oude chef, joeg me al weken op, ‘manjana, manjana’, antwoordde ik, totdat ik de avond voor vertrek uit moest wijken naar een prijzig hotelletje in Manchester, zo’n half kasteel met bij de entree kerels met witte handschoentjes en hoge hoeden.
Afijn, van de week moest ik overnachten in Leeuwarden, en halverwege de reis werd het hoog tijd. Eens even zien. Wat gingen we nu beleven? De hele kop van Friesland volgeboekt? Kampen en Zwolle ook? Hingen we de WK-stad uit?
Ten slotte, misschien wel op het darkweb, vond ik een kamer in Harlingen. De trein schoot daartoe Leeuwarden voorbij, geen punt, alles voor een goede nachtrust, ook zwartrijden.
Het was een beetje een rare kamer, waarschuwde de eigenares, die zelf ook een beetje raar was (ze zat lang aan de bar, zelf, alsof ze klant was, terwijl ik naar haar glimlachte en aan haar receptietafeltje stond). Normaal verhuurde ze hem niet, het kamernummer was 4a. Helaas had kamer 4a geen sanitair, maar gelukkig waren er verderop een losse plee en douche op de gang.
Toen ik kamer 4a opende, klapwiekte een reuzenmot op me af. Mijn bed stond tegen een tussendeur. (Bij hoge nood kon ik doorsteken naar kamer 4, ‘goeie nacht samen, slaap lekker door, ik kom alleen even toiletteren…’) Het systeemplafond had iets klantonvriendelijks, iemand, mogelijk die mot, had een paneel weggeschoven. Ik ging onder het zwarte gat staan en riep: ‘Wat baten kaars en bril, als de uil niet zien wil?’
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant