Home

Duizenden hectares verbrand in Frankrijk, en het is pas juli: ‘Wat wordt het dan in augustus?’

Het vakantieseizoen is net begonnen en bosbranden hebben al grote schade aangericht in Zuid-Frankrijk. Bewoners leven in onzekerheid en op de camping staan vakantiegangers klaar om te gaan. ‘Volgend jaar gaan we naar Zweden.’

is verslaggever voor de Volkskrant. Hij doet verslag vanuit Zuid-Frankrijk.

In een haast uitgestorven dorp zit Pascal Fontcouberte (62) woensdag verstopt achter gele gordijntjes. Net als de rest van de bijna zesduizend inwoners kreeg hij zondagnacht het bevel om Ille-sur-Têt direct te verlaten. De bosbrand naderde, rook hing in de straten.

Fontcouberte stapte onmiddellijk in zijn auto en reed zo ver mogelijk van de brand vandaan, tot aan de Middellandse Zee. Aan de kust sliep hij in zijn auto, wachtend tot het vuur zou doven. Maandagmiddag was hij het zat: hij reed terug, overtuigde agenten bij het checkpoint hem door te laten, en bivakkeert sindsdien in zijn brasserie.

Hier, midden in het dorp, voelt Fontcouberte zich voorlopig veilig. De grote vraag: wanneer kan hij weer naar huis?

Al vier dagen woedt in de Franse Pyreneeën de grootste bosbrand van deze prille zomer. Bijna 5.000 hectare is in vlammen opgegaan, ruim twaalfduizend bewoners en toeristen werden geëvacueerd. Door de droogte, harde wind en temperaturen boven de 40 graden verspreidt het vuur zich razendsnel.

Een van de frontlinies is Ille-sur-Têt. Het dorp is een toeristische trekpleister, vooral vanwege ‘les Orgues’: de grillige rotsformaties die in toeristische folders worden vergeleken met de Grand Canyon. Brandweerlieden proberen koste wat kost te voorkomen dat het vuur hier opnieuw oplaait.

Het dorp oogt verlaten; winkels zijn gesloten, luiken zijn dicht. Alleen brandweerwagens en andere hulpdiensten rijden af en aan. Zonder sirenes, want het dorp is leeg. Asdeeltjes dwarrelen door de lucht. In de droge hitte van 44 graden ruikt het naar verbrand hout.

Alles hangt af van de wind. Als die aantrekt, kunnen de vlammen ieder moment weer oplaaien.

Fontcouberte zit achter gesloten gordijnen in brasserie Le Platane. Op de televisie staat het nieuws aan, op tafel ligt een vuilniszak met kleren. Fontcouberte’s gedachten zijn bij zijn huis, net buiten het dorp. Twintig jaar geleden bouwde hij het eigenhandig. Nu vreest hij dat het verloren gaat.

Het huis van zijn buurman is afgebrand, zegt Fontcouberte. Hij begint zachtjes te snikken. ‘Hij heeft geen geluk gehad.’

Veldbedjes

In de opvangcentra proberen geëvacueerden de moed erin te houden. Josette Artigas (89) zit 12 kilometer verderop in een gymzaal vol veldbedjes in Thuir, een van de plekken waar de duizenden geëvacueerden worden opgevangen. De airco loeit, de meeste ouderen dommelen weg op hun veldbed.

Bijna honderd mensen leven hier al dagen samen in één zaal, waardoor de spanning soms oploopt. Artigas blijft positief. ‘Ik zou in paniek raken als ik alleen thuis was. Hier zijn we samen. Ik heb nieuwe vrienden gemaakt. En we worden geweldig verzorgd.’ Een buurtbewoner bracht pannenkoeken langs; een restaurant leverde varkensvlees, pasta en fruitsalade.

Of de bewoners snel terug kunnen, ligt in handen van de ruim achthonderd brandweerlieden die uit heel Frankrijk zijn uitgerukt. Blusvliegtuigen scheren boven de heuvels rond Ille-sur-Têt, terwijl ploegen op de grond proberen te voorkomen dat het vuur opnieuw oplaait.

Schijn bedriegt

In de berm langs de weg staat Quentin Clavorie (19). Hij kijkt niet naar de uitgebrande wagens en verbrande bomen; zijn ogen zijn gefixeerd op de aszwarte grond, waarover hij liters bluswater spuit.

Het gevaar lijkt geweken. Maar schijn bedriegt, zegt Clavorie, die een laagje zweet van zijn bovenlip veegt. ‘Als de wind weer opsteekt, kan de brand opnieuw uitbreken. We moeten blijven koelen.’

Een groot deel van het gebied is afgebrand. Wie erdoorheen rijdt, ziet uitgebrande autowrakken en zwarte brandvlekken op de huizen. In een tuin staat het stalen geraamte van een trampoline; het doek en de touwen zijn weggebrand. Verderop is de houten patio bij een privézwembad verdwenen. Het water is vermengd met as. Zwartgeblakerde heuvels, zo ver het oog reikt.

Zulke branden worden door klimaatverandering steeds normaler in Europa, zegt vuurgeograaf Cathelijne Stoof (Wageningen Universiteit). ‘Het brandseizoen begint eerder, eindigt later en breidt zich daarnaast noordwaarts uit.’

Nooduitgang op camping

Op campings sijpelt dat besef langzaam door. Femke Drenth (16) uit Nieuw-Buinen zit met haar ouders, broertje en zusje donderdag bij een blauw-witte vouwwagen bij het plaatsje Vinça, net buiten het rampgebied. Watermeloen, cashewnootjes en chips liggen binnen handbereik.

Uitgerekend op de dag van aankomst brak de brand uit. Femke beklom een heuvel en zag het vuur gloeien in de verte. Blusvliegtuigjes raasden laag over haar hoofd. As dwarrelde uit de lucht. Ze ontving constant alarmerende sms’jes van lokale autoriteiten.

Twee nachten sliep ze slecht. ‘Wat als het vuur hierheen komt?’, zegt Femke. ‘Waar moeten we dan heen?’

Een paar dagen hield het gezin de tassen met kleren, knuffels en paspoorten in de Toyota Verso, klaar om direct weg te rijden. Tot de campingeigenaar hen op een nooduitgang wees. ‘Dan gaan we met de hele camping naar veilig gebied lopen.’

‘Aan dat constante brandgevaar wen je gek genoeg ook snel’, zegt moeder Anita (44). ‘Maar ik zei direct: volgend jaar gaan we naar Zweden.’

Helft wil annuleren

Dat vooruitzicht jaagt ondernemers in de regio schrik aan. Het is ‘foute boel’, zegt een Nederlandse campingeigenaar, die niet met naam in de krant wil uit angst voor teruglopende klandizie. ‘Drie man personeel komt niet werken omdat hun huis is afgebrand. De helft van mijn gasten wil annuleren omdat ze hartstikke bang zijn. Maar de bank wacht op zijn geld. Als het zo doorgaat stop ik ermee, ik kom niet rond.’

Donderdagmiddag komt eindelijk goed nieuws: de brandweer heeft de grootste vuurhaarden onder controle gekregen. Na vier dagen mogen bewoners van Ille-sur-Têt en enkele andere dorpjes naar huis.

Bang om naar huis te gaan

Als de avond valt, rijdt een colonne auto’s het dorp binnen. Voor veel bewoners zal het leven de komende dagen langzaam weer op gang komen. Voor Fontcouberte niet. Hij zit in zijn brasserie en durft nog niet naar huis. De elektriciteit ligt eruit, het water is afgesloten. Zijn huis zelf lijkt op het eerste gezicht ongedeerd.

De bosbrand heeft hem angst aangejaagd, zegt hij. In twee dagen zijn duizenden hectares in vlammen opgegaan. En het is pas juli. ‘Wat wordt het dan in augustus? In september?’

Hij denkt dat mensen klimaatverandering nog altijd onderschatten. ‘Wie het niet gelooft, moet hier komen kijken’, zegt hij. ‘Of geloven ze het pas als er palmbomen in hun eigen tuin in Nederland staan?’

Mensen zullen anders moeten leven, zegt hij. Minder vliegen en autorijden. ‘Het is nog niet te laat, maar het scheelt niet veel meer.’

Source: Volkskrant

Previous

Next