De productiviteit van Nederlandse werkenden staat al jaren onder druk. Een nieuwe adviescommissie van deskundigen, de Productiviteitsraad, moet oplossingen aandragen voor dit hardnekkige probleem.
is politiek verslaggever van de Volkskrant en schrijft over financiën en landbouw.
Het thema arbeidsproductiviteit is al zo’n vijftien jaar goed voor zorgelijke gezichten en handengewring onder economen en beleidsmakers op Nederlandse ministeries. De gemiddelde economische opbrengst (toegevoegde waarde) per gewerkt uur stijgt namelijk amper meer. Die ontwikkeling vormt een serieuze bedreiging voor de economische groei, en daarmee voor de nu nog hoge welvaart in Nederland.
Het demissionaire kabinet-Schoof stelde in september vorig jaar een actieplan op om dit vraagstuk te tackelen. Onderdeel van die ‘Productiviteitsagenda’ is de oprichting van een nieuw adviescollege voor de Rijksoverheid, de Productiviteitsraad. Deze expertcommissie zal het kabinet vanaf nu jaarlijks aanbevelingen doen om de arbeidsproductiviteit in Nederland op te krikken.
Vrijdag maakte het kabinet-Jetten bekend dat Pauline van der Meer Mohr, oud-rector van de Erasmus Universiteit, voorzitter wordt. Andere leden zijn de economen Barbara Baarsma en Bart van Ark, AFM-bestuursvoorzitter Laura van Geest en ex-Unilever-bestuurder Harry van de Kraats.
Hoeveel werkenden per uur produceren is een van de twee factoren die het groeitempo van het bruto binnenlands product (bbp) bepalen. Dat de arbeidsproductiviteitsgroei in Nederland sinds 2010 sterk afvlakt, meer dan in andere westerse landen, is dan ook slecht nieuws. Tussen 2000 en 2010 groeide dat cijfer nog gemiddeld met 1,7 procent per jaar. Het decennium daarna zakte het naar 0,7 procent, en in de laatste tien jaar noteerde het CBS een gemiddelde van slechts 0,3 procent.
De andere aanjager van bbp-groei is het totaal aantal gewerkte uren, maar dat zit in Nederland volgens de meeste economen zo’n beetje aan zijn plafond. Nederlanders werken gemiddeld 32 uur per week, en dat cijfer is al minstens vijf jaar stabiel. Door de vergrijzing zal het aantal werkenden na 2033 sowieso afnemen. Ook het aantal arbeidsongeschikten stijgt gestaag (nu circa 870 duizend). Steeds meer Nederlanders in de beroepsbevolking staan langs de kant.
Omdat een groei van het aantal arbeidsuren er niet echt meer in zit, wordt de economische groei in Nederland steeds afhankelijker van de arbeidsproductiviteit. Die moet dus eigenlijk sneller stijgen dan voorheen, niet langzamer.
Overigens is Nederland nog steeds een van de landen met de hoogste arbeidsproductiviteit ter wereld. De stagnatie is een wereldwijd fenomeen, maar de terugval is in Nederland wel groter dan in andere westerse landen. In internationaal opzicht is Nederland van de vijfde (in 2014) naar de tiende plaats gezakt.
Over de oorzaken doen meerdere theorieën de ronde. Onder andere het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) ziet het beëindigen van de gaswinning in Groningen als gedeeltelijke verklaring. In de delfstoffenwinning werken in verhouding maar weinig mensen, maar de economische opbrengst in deze sector is hoog. Omdat het aandeel van deze bedrijfstak in het bbp relatief groot was, hakte het dichtdraaien van de gaskraan er hard in. In 2023, toen het Groningenveld bij Slochteren op slot ging, daalde de arbeidsproductiviteit in Nederland met 1,9 procent.
Een andere veel geopperde oorzaak is het hoge percentage zzp’ers in Nederland. Zzp’ers zijn op papier minder productief dan werknemers van grotere bedrijven, omdat ze veel tijd kwijt zijn aan financiële administratie en acquisitie.
Voor de Productiviteitsraad blijven er genoeg onderzoeksvragen over. Rabobank-econoom Hugo Erken merkte in een analyse uit 2024 bijvoorbeeld op dat Duitsland, Denemarken en Zweden, drie landen die Nederland qua arbeidsproductiviteit voorbijgestreefd zijn, op een aantal punten beter presteren dan Nederland.
In die landen zijn relatief meer mensen werkzaam in hoogproductieve sectoren als de farmaceutische industrie, machinebouw, zakelijke dienstverlening en elektrotechniek. In Nederland werken in verhouding meer mensen in sectoren met een lage arbeidsproductiviteit: de overheid en het onderwijs.
Het valt Erken op dat Nederland beduidend minder in onderzoek en ontwikkeling investeert dan Denemarken, Zweden en Duitsland. Nederlandse jongeren kiezen ook relatief weinig voor opleidingen die hen klaarstomen voor hoogproductieve banen, bijvoorbeeld in de techniek.
Luister ook naar onze politieke podcast ‘De Kamer van Klok’:
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant