De Amerikaanse Cécile McLorin Salvant (36) is op het North Sea Jazz Festival in Rotterdam volgende week artist in residence. Haar talent wordt vergeleken met dat van grootheden als Billie Holiday en Sarah Vaughan, maar daar wil ze zelf niet aan. ‘Die vallen echt buiten mijn bereik.’
schrijft voor de Volkskrant over popmuziek en jazz.
‘Die stem van mij? Iedereen mag zeggen dat ik mooi zing, of zelfs dat ik zo’n fabelachtig bereik heb. Maar weet je, ik ben er eigenlijk niet zo gelukkig mee.’ Het is even schrikken als je Cécile McLorin Salvant (36), een van de meest geprezen jazzvocalisten uit haar generatie, zo hoort praten.
Sinds ze in 2010 juist met haar stem de prestigieuze Thelonious Monk International Jazz Competition won in Washington, wordt ze beschouwd als een van de belangrijkste artiesten in de hedendaagse jazz. Ze maakte een reeks bejubelde albums waarop ze moeiteloos swingende jazz, diepe blues, smachtende soul en vurige gospel met elkaar afwisselt.
Haar naam werd de afgelopen vijftien jaar synoniem met ‘vocaal wonder’, ook omdat haar rijke repertoire vol technische hoogstandjes op geen enkele manier kunstmatig aandoet. Alles wat Salvant zingt, klinkt even natuurlijk, alsof het allemaal geen enkele moeite kost.
En zo iemand is niet blij met haar stem? ‘Nee. Ja, natuurlijk, ik moet wel, want het is mijn stem. En de ene dag ben ik er blijer mee dan de andere. Zoals ik ook naar mijn handen kijk. Die zijn ook van mij, daar moet ik het mee doen. De ene dag denk ik: best mooi, en de volgende dag kijk ik met afschuw naar alle rimpels en wil ik het liefst handschoenen aantrekken.
‘Ik zal nooit zeggen, kijk eens wat een mooie handen ik heb. En zo is het ook met mijn stem. Ik zal het ermee moeten doen, ze doet haar werk en ik ben er regelmatig best tevreden mee, maar een Sarah Vaughan of Billie Holiday, nee hoor. Die vallen echt buiten mijn bereik.’
Het is geen valse bescheidenheid, voegt ze er snel aan toe. ‘Ik weet best dat ik bijzondere muzikale talenten heb, die er al uitkwamen toen ik 4 jaar oud was. Maar ondanks alle complimentjes die ik kreeg, dacht ik altijd dat het veel beter kon en moest.
‘Dat is eigenlijk nooit veranderd. Misschien is dat ook wel wat me het meest drijft. Het vinden van een stem die me echt gelukkig maakt. Dat ik kan zeggen: Sarah, Billie, nu voel ik me ook bij jullie horen.’
‘Maar’, zegt ze lachend, ‘ik zit echt niet de hele dag te sikkeneuren over hoe mijn stem nog tekortschiet, ik denk dat de meeste artiesten er altijd op uit blijven zichzelf te verbeteren. Iedereen kan nog zo hard roepen hoe goed je wel niet bent, als je er zelf in gaat geloven, dan is dat voor een kunstenaar de dood in de pot.’
Volg je intuïtie en plan niet te ver vooruit. Dat is wat Salvant haar ‘hele, nog niet zo heel lange leven’ vooral heeft gedaan, stelt ze vast aan de telefoon vanuit haar woonplaats New York. ‘Zo kwam ik uiteindelijk uit bij jullie eigen Metropole Orkest, toch wel een voorlopig hoogtepunt vind ik.’
Cécile McLorin Salvant komt volgende week naar het Rotterdamse North Sea Jazz Festival (10 tot en met 12 juli), waar ze als artist in residence vier verschillende optredens zal geven. Een daarvan doet ze met het Metropole Orkest onder leiding van Jules Buckley.
Vorige week verscheen het album With Every Breath I Take, dat ze met het orkest heeft opgenomen. Negen jazz-standards en een eigen compositie, wonderschoon gearrangeerd door Darcy James Argue. De souplesse waarmee Salvant zingt, de fluweelzachte bedding van strijkers waarin ieder detail schittert. Je kunt nummers als Sophisticated Lady of Send in the Clowns nog zo vaak hebben gehoord, hier fonkelen ze in ragfijne arrangementen als nieuw.
‘Ik heb met deze nieuwe arrangementen met het Metropole Orkest begin vorig jaar al opgetreden en ik kon die concerten, toen ik eenmaal terug was in Amerika, maar niet loslaten.
Ze vertelt hoe ze een paar keer heeft geprobeerd alles met Amerikaanse orkesten op te nemen, maar dat die pogingen mislukten. Moest ze niet gewoon aankloppen bij datzelfde Metropole Orkest? Zij kenden het repertoire immers, en hadden het zelf onder leiding van de arrangeur Darcy James Argue met haar gespeeld.
Het Metropole Orkest was net zo enthousiast als Salvant, dus werd afgelopen december in twee dagen het album opgenomen, onder leiding van Jules Buckley. ‘Dit is nu eindelijk eens een album dat precies zo klinkt als dat ik in mijn hoofd had. Ook weleens fijn na al die jaren.’
Ach, muziek maken is voor haar nog altijd een leerproces, vindt ze. Ergens wist ze als kind wel dat hier misschien wel haar talenten lagen. Ze groeide op in de Amerikaanse stad Miami, met een Haïtiaanse vader en een Franse moeder. Er was de hele dag muziek in huis en vooral haar moeder stond erop dat haar dochter zelf ook piano ging spelen. ‘Ik was 4 en vast een lastige leerling, want ik speelde liever buiten. Maar ik had talent, en ze lieten me niet zo snel gaan.’
Uiteindelijk beleefde Salvant meer plezier in zingen in een kinderkoor. Ze doorliep zonder problemen haar schooljaren en besloot in overleg met haar ouders op 18-jarige leeftijd in het Franse Aix-en-Provence te gaan studeren.
‘Daar hadden we een combinatie van opleidingen gevonden die me wel lag. Rechten en klassieke zangles. Ik begrijp nog altijd niet hoe ik dat allemaal kon combineren en daarnaast blijkbaar tijd had om de hele dag naar de tv te kijken. Want zo herinner ik me die paar Franse jaren.’
Tijdens haar verblijf daar werd Salvant gegrepen door de jazzmuziek. ‘Ik had een heel enthousiaste mentor, Jean-François Bonnel, die zelf saxofoon speelde in een jazzcombo. Hij wist dat ik ook een beetje piano speelde en vroeg me mee te doen. Dat veranderde mijn leven. Niks minder dan dat.’
Jarenlang had Salvant vooral klassiek gezongen. ‘Dat was mooi en ik was er best goed in, maar ik stond altijd naast een docent. Het was ik met mijn stem en een luisteraar.’ Dat je met jazz in een band speelt en op elkaar reageert, was een openbaring.
‘Ineens viel alles op z’n plek. Ik had lol in het samen muziek maken en liveoptreden. Jean-François gaf me een lijstje met namen van zangeressen die ik maar eens moest checken, waardoor ik gefascineerd raakte door Billie Holiday, Sarah Vaughan en Bessie Smith.
‘Hij spoorde me ook aan mee te doen aan jazztalentenjachten, en toen begon het echt snel te lopen.’
Cécile McLorin Salvant deed mee aan wellicht de belangrijkste van allemaal, de Thelonious Monk International Jazz Competition, die ze in 2010 won. Een onderdeel van de prijs was een platencontract bij Mack Avenue Records, een van de grotere van alle kleine jazzlabels. WomanChild, haar eerste album, werd warm onthaald. Dit was een grote belofte die in de gaten moest worden gehouden, jubelden jazzbladen als Downbeat en Jazzwise. Bij iedere albumrelease werd het enthousiasme groter, terwijl ook de recensies van haar optredens steeds euforischer werden.
Wie haar wel eens live heeft gezien begrijpt waarom. Moeiteloos wisselt ze van stijl. Ze zingt even gemakkelijk een liedje van Stevie Wonder of Kate Bush als werk van Bessie Smith. Het lijkt wel alsof de rek in haar stembanden eindeloos is. Dan weer is haar stem onderkoeld, even later schiet die vol vuur. Timing en frasering zijn steeds even verrassend als raak. Soms denk je: wat als ze niet voor jazz maar voor pop had gekozen? Waren haar mogelijkheden dan niet nog groter geweest?
‘Ho ho, ik ben een echt popmeisje hoor, vergis je niet. Als je 8 jaar bent en je hoort de Spice Girls of de Backstreet Boys, zoals ik, dan doet dat echt iets met je. Meer dan de jazz die mijn ouders draaiden.
‘Zal ik eens een bekentenis doen?’, vraagt ze na een korte stilte. ‘Ik vond Billie Holiday als kind afschuwelijk. Mijn moeder draaide vaak dat album Lady in Satin, een van haar latere, met orkest. Ik werd echt bang van haar stem en vond haar als een heks klinken.
‘Pas in Frankrijk hoorde ik veel van haar oudere werk en daarop zong ze zo ontroerend mooi, dat ik er nog altijd kippenvel van krijg. Wat ik zo goed vind, is dat zij nooit scatte. Scat-zingen heb ik altijd gezien als een van die typische maniertjes voor jazzvocalisten om te verbergen dat ze in een liedje niks meer te vertellen hebben.
‘Billie had altijd wat te zeggen, ze had het hart op de tong. En ik zing ook vooral nummers met een verhaal of in ieder geval een tekst met een betekenis.
‘Ja, dat kan in popmuziek ook’, erkent ze. ‘Maar dan voel ik weer andere beperkingen. Gewoon een liedje van a naar b zingen, gaat me toch ook weer moeilijk af. Wat ik zo leuk vind aan jazz, is dat je steeds alle kanten op mag met je stem, zonder dat je daarvoor wordt gestraft. De volgende dag kun je het weer helemaal anders doen. Die vrijheid heeft een Beyoncé niet.’
Dan maar wat minder streams, zegt ze, want die ongedwongenheid die inherent is aan jazzmuziek is haar veel waard. ‘Maar op mijn vorige album Oh Snap hoor je volgens mij goed hoe ook pop en vooral de funk en soul van Prince en Stevie Wonder diep in mijn DNA zitten.’
Enthousiast brandt ze los over platen als Talking Book (1972) en Innervisions (1973) van Stevie Wonder en over de enige popalbums die voor haar daarmee kwalitatief vergelijkbaar zijn: Purple Rain (1984) en Sign o’ the Times (1987) van Prince. ‘Latere decennia hebben nooit meer muzikanten als zij voortgebracht, die vier achtereenvolgende jaren een meesterwerk maakten, waar nog steeds naar wordt geluisterd.
‘Iets van de opwinding die ik nog altijd hoor als ik die albums draai, wilde ik op Oh Snap laten horen.’ Maar dan meer op een jazzy manier, want de bandleden, die haar tijdens de andere optredens op North Sea Jazz begeleiden, zijn toch vooral jazzmuzikant.
‘Ik treed nu al jaren op met pianist Sullivan Fortner en ik merk dat we steeds meer durven en steeds makkelijker uit onze comfortzone treden. Zong ik vroeger nog weleens heel plechtig een pophit als Wuthering Heights van Kate Bush, nu deins ik niet terug voor een met Sullivan best ranzig gespeeld Brick House van de Commodores. Zulke dingen zullen we op North Sea tijdens onze Oh Snap-voorstelling gaan doen. Zo dicht tegen funk aan ben ik met mijn muziek niet eerder geweest.’
Diametraal daartegenover speelt ze op North Sea Jazz de voorstelling Book of Ayres, waarin ze met haar pianist op klavecimbel en een stel klassiek geschoolde muzikanten een ode brengt aan barokmuziek uit de 17de eeuw.
‘Dat is muziek die ik eigenlijk al het langste zing en nog steeds wel mooi vind. Maar mijn muzikale interesses zijn gewoon steeds meer verschoven naar jazz, en veranderen eigenlijk dagelijks nog.
‘Weet je, misschien is dat wel waarom ik moeite heb om van mijn stem te houden. Er is te veel muziek die ik mooi vind en ik wil daar met mijn stem altijd bij kunnen komen. Dat kan gewoon niet, menselijkerwijs. Daarmee moet ik vrede hebben, zoals ik het ook met mijn handen zal moeten blijven doen. Het was voor mijn gemoed misschien handiger geweest als ik me gewoon als klassiek zangeres was blijven bekwamen. Ik was er goed in, dus waarom niet?’
Het antwoord geeft ze zelf al. Omdat haar zucht naar het nieuwe en het onbekende groter is dan haar hang naar het vertrouwde. ‘Ik vind het prachtig dat ik nu dol ben op muziek die ik vroeger verafschuwde. Neem Charlie Parker. Als die thuis opstond, liep ik gillend de kamer uit. Ik werd gek van al die hysterische toonladders. Sinds een paar jaar ben ik verknocht aan vooral zijn liveopnamen. Ze kunnen me niet krakerig genoeg klinken. Neem nou dat album Live at Birdland 1950 met Fats Navarro en Bud Powell. Die solo van Bud in ‘Round Midnight verveelt me nooit. Echt, ik heb nog zoveel te leren. Het is hooguit jammer dat mijn stem zich niet zo makkelijk mee ontwikkelt als mijn geest.’
Cécile McLorin Salvant en het Metropole Orkest: With Every Breath I Take. Nonesuch/Warner.
Cécile McLorin Salvant zingt 12/7 met het Metropole Orkest op het North Sea Jazz Festival in Rotterdam.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant