Nog één keer gaat Colson Whitehead, met twee Pulitzers op zak, terug naar het ruige New York van de jaren zeventig en tachtig in zijn misdaadthriller Cool Machine. Bij het schrijven drong de vraag zich op: is er nou echt zo’n verschil tussen onder- en bovenwereld?
is mediaverslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft vooral over televisie, podcasts en boeken.
Colson Whitehead is de enige schrijver in de Amerikaanse geschiedenis die met twee opeenvolgende romans de Pulitzerprijs voor fictie heeft gewonnen. De eerste kreeg hij in 2017 voor The Underground Railroad (vertaald als De ondergrondse spoorweg), een magisch-realistisch verhaal over de 18-jarige Cora, die in de 19de eeuw via een netwerk van geheime routes en schuilplaatsen probeert te ontsnappen aan haar slavenhouder in de Amerikaanse Deep South.
Drie jaar later won Whitehead opnieuw, ditmaal met The Nickel Boys (De jongens van Nickel), een roman over een tuchtschool in het Florida van de jaren zestig waar leerlingen – en dan vooral de zwarte – worden vernederd, mishandeld, gemarteld en vermoord.
In de boeken – beide gebaseerd op historische gebeurtenissen – was er weinig ruimte voor humor, zegt Whitehead in het Amsterdamse kantoor van zijn Nederlandse uitgever, Atlas Contact. ‘Maar als ik een boek schrijf waarin ik wel grapjes kan maken, maak ik mezelf aan het lachen, en dan hoop ik dat lezers dat twee jaar later ook zullen doen.’
Met het vorige week verschenen Cool Machine – over de New Yorkse meubelverkoper Ray Carney, wiens wanhopige pogingen om in de wijk Harlem een fatsoenlijk bestaan op te bouwen keer op keer worden gedwarsboomd door een combinatie van erfelijke trekjes, systemisch racisme, wijdverspreide corruptie en loyaliteit aan criminele familieleden – is hem dat gelukt.
Deze lezer althans schreef tijdens het lezen meerdere keren ‘hahaha’ in de kantlijn, bijvoorbeeld tijdens Carneys wanhopige zoektocht naar de perfecte salontafel (‘Carney hurkte en drukte zijn wang tegen het blad. Hij verwachtte bijna een hartslag te horen’) of als Carneys partner in crime, Pepper, door een verontruste vrouw wordt gevraagd of hij inderdaad een massamoordenaar is (‘Wat noem je een massa?’).
Hoewel bij vlagen zeer grappig, is Cool Machine een misdaadthriller. Eerder schreef Whitehead, die bekendstaat als een van de veelzijdigste stemmen uit de Amerikaanse literatuur, onder meer een zombieroman (Zone One), satirische romans over marketing en media (John Henry Days en Apex Hides The Hurt), een autobiografische coming-of-ageroman (Sag Harbor), een memoir over zijn deelname aan de World Series of Poker (The Noble Hustle) en een verhalenbundel over New York (The Colossus of New York).
Van alle personages van ‘America’s storyteller’, zoals Whitehead werd getypeerd op een cover van Time Magazine uit 2019, is Ray Carney de enige aan wie hij meerdere boeken heeft gewijd. Met Cool Machine voltooit Whitehead een trilogie. Eerder vormde Carney’s Furniture, zoals Carneys meubelwinkel heet, al het decor in Harlem Shuffle (2021) en in Misdaadmanifest (2023).
Waarom heeft u van Carney een meubelverkoper gemaakt?
‘Hij moest een heler worden en bij veel helers gebeuren achter in de zaak alle illegale dingen, terwijl de voorkant er keurig uitziet, met etalages vol elektronica of meubels. Voor Carney leken meubels me passend omdat die te maken hebben met een belangrijk thema in de boeken: sociale mobiliteit. Wie zich nieuwe meubels kan veroorloven, heeft een stap omhoog gezet op de maatschappelijke ladder.
‘Je begint dus met iets alledaags en vraagt je vervolgens af hoe je daaruit metaforen en thema’s kunt destilleren, hoe je ervoor kunt zorgen dat die keuze echt iets toevoegt aan het boek.’
Nog nooit heb ik zo gedetailleerd over meubels gelezen. Hoe wist u welke meubels in die tijd in trek waren?
‘Ik heb gegoogled naar meubelcatalogi en reclamefolders uit de jaren vijftig, zestig en zeventig. Het maakt niet uit hoe niche of dom je hobby is, je kunt er alles over vinden op Pinterest. Mensen hebben die dingen gewoon allemaal ingescand.’
Heeft u nu ook een fascinatie voor meubels gekregen?
‘Nee. Ik vind katoen plukken ook niet leuk, maar dat was nu eenmaal het werk van een slaaf. Dus moest ik me daarin verplaatsen. Daar teken je voor als schrijver.’
De straattaal van uw personages ontwikkelt zich voortdurend. Hoe wist u wanneer welke woorden werden gebruikt?
‘Bij elk boek van de trilogie heb ik me afgevraagd: hoe heeft de zwarte straattaal zich ontwikkeld? ‘I can dig it’ werd gezegd in 1975 maar niet in 1959. Mensen begonnen ‘groovy’ te zeggen in 1965, niet daarvoor al.
‘Google heeft alles gescand waar het de hand op kon leggen, om erachter te komen hoe vaak bepaalde woorden in een bepaald jaar werden gebruikt. Dus: wanneer zei men ‘Afro-Amerikaan’ versus ‘negro’ versus ‘gekleurd?’ Via Google Ngram is dat allemaal te zien. In 1970 werd Afro-Amerikaans gebruikt, maar niet in 1955.
‘Het is belangrijk om vertrouwen te hebben in de taal die je je personages laat gebruiken, of het nu gaat over hun gewone taal, straattaal of de metaforen die ze gebruiken. De metaforen die werken voor Ray Carney en de Harlem-trilogie zouden totaal niet passen op de plantage in The Underground Railroad.’
Een typisch stadse vergelijking, zegt Whitehead, is een personage in Cool Machine dat iets meteen vergeet ‘als de sirene van een ambulance waar iemand anders in lag’. Een andere vergelijking die tegen de achtergrond van een katoenplantage ongeloofwaardig zou zijn, is als Whitehead schrijft dat een sikje ‘zo strak is als een driehoek in een wiskundeboek’.
U woont al sinds uw 6de niet meer in Harlem. Hoe wist u waar de actie moest plaatsvinden?
‘Ik heb er eindeloos met een blocnote rondgelopen. Waar moest het kantoor van Carney komen te staan? Waar groeide hij op? Waar kan ik dit personage twintig pagina’s laten kidnappen?
‘Nog steeds ben ik in boekmodus. Als ik een deel van een park zie dat buiten het zichtveld ligt en je kunt makkelijk over een hek springen om daar te komen, denk ik: als je hier, zoals Ray Carney eens deed, een in een Marokkaans tapijt gerold lijk dumpt, heeft niemand dat misschien in de gaten.’
Whitehead draagt Cool Machine op aan ‘New York Fuckin’ City’ en heeft het gevoel dat hij in de tweede alinea van het boek ‘New York in 1981 in één alinea heb weten te vatten. Toen ik die alinea teruglas, dacht ik: die dag was ik echt lekker bezig.’
In de vertaling van Frank Lekens en Tjadine Stheeman is die als volgt:
‘Dat jaar toonde de stad zijn ware karakter, van een in de loop der eeuwen mismaakt monster, een gedrocht dat draaide op aangeboren ellende, aangedreven door louter wilskracht en bij elkaar gehouden door lef, betonstaal en woede. De stad had op de rand van het bankroet gestaan en klom nu klauw voor modderige klauw uit de krater van schulden. Elke dag kwam de misdaad weer met nieuwe vindingrijke methoden om iedere burger tot slachtoffer dan wel getuige te maken. En elk uur kwamen er nieuwkomers bij, alsof er ruimte voor was, ze voegden nieuwe tinten toe aan het stedelijke scala van verdriet en volharding, en hun aantal overtrof dat van hen die naar de voorsteden waren uitgeweken of de vernederingen van de stad voorgoed waren ontvlucht. Vies was de stad, en ziek, en onverbloemd in zijn dreigementen. ‘How am I doin’?’ vroeg burgemeester Koch als hij zich onder zijn burgers begaf, hij blafte ze de vraag toe als een van die mottige zeehonden in de aftandse en verwaarloosde Central Park Zoo (een enorme gribus). Het was zijn handelsmerk. Iedereen heeft een gimmick nodig. ‘Hoe vind je dat het gaat?’ Met jou? Net zoals met iedereen: afgepeigerd en afgeragd, en toch maar verder strompelen.’
Het ging destijds niet goed met New York. Ray Carney verwijst in het boek geregeld naar de film Escape from New York. ‘De plot daarvan is dat Amerika zo in verval is geraakt dat het eiland Manhattan is omgevormd tot één grote gevangenis’, zegt Whitehead. ‘Alle psychopaten, moordenaars, verkrachters en dieven werden daar door een enorme muur afgesneden van de rest van Amerika.’
Voelde New York in die tijd zo?
‘Escape from New York verscheen in 1981, maar gaat eigenlijk over het New York van de jaren zeventig. En ik denk in elk geval dat dit wel het beeld was dat het land toen van de stad had. New York was praktisch failliet, de criminaliteit bereikte een historisch hoogtepunt. De politie wilde meer geld en dreigde te gaan staken. Ze maakten een pamflet met de titel ‘Welcome to Fear City’, dat ze onder toeristen verspreidden. Daarin stond: verlaat na zes uur ’s avonds je hotel niet meer, kom vooral niet ten noorden van 42nd Street. Het was volkomen krankzinnige propaganda, maar droeg wel bij aan het beroerde imago.’
Ray Carney kijkt met weemoed terug naar die ruige tijd als begin jaren tachtig zijn favoriete kroeg wordt overgenomen door yuppen die niet, zoals de vorige bezoekers, mensen in elkaar slaan maar vragen of krukken bezet zijn. Die ontwikkeling is toch niet alleen maar slecht?
‘Natuurlijk is het goed dat dat geweld is verdwenen, maar met de komst van de yuppies ging ook een deel van de rauwheid en ziel van de stad verloren. Ik denk dat we allemaal het gevoel herkennen dat je favoriete kroeg wordt ontdekt door de burgerlijke types, waarna de charme ervanaf is en je weer op zoek moet naar iets anders.
‘De veryupping kan snel gaan. In de jaren tachtig en begin jaren negentig had Fort Greene, een wijk in Brooklyn, veel last van criminaliteit. Allerlei panden waren overgenomen door crackverslaafden. Ik verhuisde er in 1993 naartoe en tien jaar later waren al die brownstones gerenoveerd. Het was een yuppenparadijs geworden. Verdomme, heb ik vaak gedacht, waarom heb ik dat crackpand niet gekocht? Dan was ik nu miljonair geweest. Maar dat is natuurlijk een idiote gedachte.’
Uw trilogie is te lezen als een kritiek op het kapitalisme en op alle racistische en corrupte gevolgen die het veroorzaakt. Tegelijkertijd is uw trilogie een ode aan de meest kapitalistische stad ter wereld.
‘Dat zijn twee ogenschijnlijk tegenstrijdige ideeën, die volgens mij prima tegelijkertijd kunnen bestaan. New York is een vreselijke, meedogenloze stad. Maar het is ook een stad waar je veel schoonheid en menselijkheid kunt vinden. Het is allebei waar.
‘Hetzelfde geldt voor het leven. Dat is verschrikkelijk, maar ook prachtig. In zekere zin is het personage Pepper een amateur-taoïst. Op zijn eigen manier probeert hij yin en yang met elkaar te verzoenen. Ik denk dat het vermogen om de tegenstrijdige aard van het bestaan te accepteren een goede manier is om te overleven.’
‘Aan de corruptie kwam nooit een eind’, schrijft u, ‘die stroomde eeuwig door de straten van de stad, als de metro die er vierentwintig uur per dag doorheen denderde.’
‘Ik heb het daar over New York, maar volgens mij geldt dit voor de wereld in het algemeen. Kijk naar wat Trump op het moment doet. Hij maakt zich schuldig aan corruptie op een schaal die nauwelijks te bevatten is. Hij koopt aandelen en een week later drijft hij de koers op door diezelfde aandelen vanuit de Oval Office aan te prijzen. Volgens mij zit corruptie ingebakken in de menselijke aard en in het kapitalisme.’
Bent u hoopvol door de nieuwe burgemeester van New York?
‘Ik ben niet iemand die het woord hoopvol snel in de mond neemt – het is moeilijk hoopvol te zijn als de wereld er zo slecht aan toe is – maar so far, so good. Na alle andere burgemeesters die ik heb meegemaakt, kan ik me moeilijk voorstellen dat degene die de stad leidt er ook daadwerkelijk van houdt. Zohran Mamdani is echt een cheerleader voor de stad, dat is nieuw voor mij en eerlijk gezegd geniet ik daar wel van.’
Vertrekken uit New York zou voor Ray Carney zijn alsof hij voor zichzelf op de vlucht slaat, schrijft u. Wat bedoelt u daarmee?
‘Carney houdt van zijn geboortestad, maar die heeft hem ook gevormd tot de man die hij is. New York heeft de omstandigheden geschapen waarin zijn criminele kant tot bloei kon komen. En die kant hoort nu eenmaal onlosmakelijk bij hem, daaraan kan hij niet ontsnappen.’
Een van de vragen die Whitehead opwerpt in Cool Machine is: bestaat er wel een harde morele scheidslijn tussen de onder- en de bovenwereld? Burgers die zogenaamd eervolle beroepen uitoefenen als bankmedewerker, winkelier of politicus maken zich voortdurend schuldig aan racisme en corruptie. De gedistingeerde vastgoedfamilie Van Wyck, van Nederlandse komaf, wordt in het boek omschreven als ‘ijskoude, keiharde types’ die in de koloniale tijd de Lenape, de oorspronkelijke bewoners van Manhattan, huur lieten betalen voor hun eigen land.
‘Hoe slecht is Ray Carney?’, zegt Whitehead. ‘Hij verhandelt gestolen goederen. Is dat hetzelfde als moord? Is dat hetzelfde als diefstal van Afrikaanse kunst, als kolonialisme, als politieke corruptie? De lezer mag daarover oordelen.
‘Vorig jaar gebeurde er iets grappigs. Iemand kwam tijdens het uitzoeken van de stamboom van onze familie een oud knipsel tegen, uit een krant uit Georgia uit 1906, of zo. Volgens mij was het de eerste keer dat iemand uit onze familie in de krant stond.
‘De kop luidde iets als: ‘Dronken negro schiet huisbaas neer.’ In de tekst stond iets als: ‘Arch Whitehead schoot zijn huisbaas neer toen die de huur kwam innen.’ Ik vond het grappig en stuurde het artikel naar mijn zus. Zij vertelde me dat een opa die overleed toen ik jong was vroeger illegale drank voor de maffia vervoerde, van Canada naar New York.
‘Ik dacht: echt?! Ik schrijf een misdaadroman en ik heb gewoon een crimineel in mijn familie. Dat ga ik gebruiken in interviews. Dus vroeg ik mijn moeder of dat verhaal klopte. Weet je, zei ze, ik heb geen idee. Ik heb daar nooit iets over gehoord, maar iedereen deed in die tijd wel iets. Elizabeth, de vrouw van Ray, heeft een beetje dezelfde houding tegenover de criminele activiteiten van haar man. Veel mensen moeten nu eenmaal dingen doen om te overleven.’
Veel beslissingen van uw personages die desastreuze gevolgen hebben, schrijft u toe aan botte pech – als ze een andere vader of huidskleur hadden gehad of twee straten verderop hadden gewoond, was alles anders geweest. In hoeverre gelooft u in de vrije wil?
‘Dat is een grote vraag. Ik denk dat alles meespeelt. Het zijn je ouders, het is je straat, je cultuur. Leef je in een tijd waarin homoseksualiteit wordt geaccepteerd of niet? Word je omarmd als je transgender bent, of non-binair? Leef je in een wereld waarin een zwarte president mogelijk is? Ik groeide op met het idee dat het absurd was om te denken dat er een zwarte president zou komen – en toch was hij daar ineens.
‘Daarnaast zijn er natuurlijk je erfelijke eigenschappen. Je persoonlijkheid wordt gevormd door je ouders, je familie, je broers en zussen, de buurt waarin je opgroeit.’
Uiteindelijk wordt Carney succesvol – maar komt hij erachter dat dat ook niet alles is.
‘In het eerste deel wordt hij zelfs, waarschijnlijk als allereerste Afro-Amerikaan, door een meubelfabrikant verkozen tot dealer van de maand voor de regio Noordoost-Amerika. Een enorme eer. Hij heeft alles goed gedaan. Maar wat dan? Hij krijgt een soort midlifecrisis.’
Heeft u dat gevoel ook gehad na het tweemaal winnen van de Pulitzerprijs?
‘Nee, ik denk dat het voor een kunstenaar anders is omdat je altijd iets nieuws moet bedenken en dat nieuwe vervolgens moet blijven perfectioneren.
‘Ik heb veel geluk gehad met de ontvangst van mijn vorige boeken, maar het schrijven van mijn nieuwe boek wordt daar niet makkelijker van.’
Misschien moeilijker?
‘Nee, de enige externe druk die ik voel, is dat ik genoeg geld moet verdienen om voor mijn familie te zorgen. Ik voel me nog altijd de freelancer die denkt: oké, heb ik al een volgende opdracht? Ik moet blijven schrijven, anders heb ik straks geen geld meer.’
U denkt tijdens het schrijven nu niet: ook met dit boek moet ik een Pulitzerprijs winnen?
‘Nee, een veel groter probleem is: hoe ga ik deze fucked up alinea repareren?’
1969Geboren in New York.
1991Studies Engels en vergelijkende literatuurwetenschap aan Harvard.
1999The Intuïtionist (De intuïtionist).
2001John Henry Days (De John Henry Dagen).
2003The Colossus of New York (De Colossus van New York).
2006Apex Hides the Hurt (Apex is een pleister op de wonde).
2009 Sag Harbor.
2011 Zone One.
2014The Noble Hustle (Kaarten op tafel).
2017Pulitzerprijs voor fictie voor The Underground Railroad (De ondergrondse spoorweg).
2020Pulitzerprijs voor fictie voor The Nickel Boys (De jongens van Nickel).
2021Harlem Shuffle.
2023Crook Manifesto (Misdaadmanifest).
2026Cool Machine.
Colson Whitehead woont in de Upper West Side van Manhattan met zijn vrouw. Ze hebben twee kinderen.
Colson Whitehead: Cool Machine. Uit het Engels vertaald door Frank Lekens en Tjadine Stheeman. Atlas Contact; 448 pagina’s; € 24,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant