Etty Hillesum, wereldberoemd om haar oorlogsdagboeken, is terug van nooit weggeweest. In een tv-serie en twee nieuwe boeken blijft ze ongrijpbaar – in haar optimisme, haar geloof en haar seksualiteit. Maar vooral: oneindig fascinerend.
schrijft voor de Volkskrant over literatuur.
‘Etty geloofde hartstochtelijk in het leven. Ze was niet bang voor de dood, omdat zij wist dat het leven ook zonder haar verder zou gaan en er betere tijden zouden komen, ooit.’
Het zijn enkele van de laatste zinnen uit de in 2022 verschenen biografie van Judith Koelemeijer over de wereldberoemde dagboekauteur Etty Hillesum, die zich schrijvend een weg zocht naar een gevoel voor de wereld dat alle schoonheid en alle lijden in zich borg.
Dat er betere tijden zijn aangebroken, kun je niet zeggen; dat Hillesum een stempel zou drukken op het leven dat zonder haar is doorgegaan, wist ze zelf niet.
Ze werd vermoord in Auschwitz, haar dagboeken uit de oorlogsjaren werden voor het eerst gepubliceerd in 1981, en tot op vandaag rollen in het kielzog daarvan boeken, studies, proefschriften, discussiegroepen, muziek- en theaterstukken, en nu ook een tv-serie de wereld in.
Grondtoon van al die reacties: bewondering voor de vormgeving van haar krachtige menslievendheid en mededogen; ontzag voor haar uitzonderlijke opoffering om hetzelfde lot te ondergaan als alle andere Joden door vrijwillig naar Westerbork te vertrekken; fascinatie dan wel bevreemding waar het de aard van haar godsbesef betreft.
Daarbovenop: nieuwsgierigheid naar de relatie die ze had met handlezer Julius Spier, de man die haar in februari 1941 aanzette tot het schrijven van een dagboek en zo sterk ingreep in haar ontwikkeling dat zij de ontmoeting met hem vergeleek met een geboorte – ‘ik leefde opeens anders, bevrijder, ‘fliessender’, het verstopte gevoel verdween, er kwam wat rust en orde daarbinnen’.
Terwijl ze aanvankelijk zowel hunkering als weerzin voor hem voelt, groeit er een grote, diepe liefde tussen hen, getekend door de grillige combinatie van devotie en erotiek.
Spier ontvluchtte nazi-Duitsland in 1939 en begon in Amsterdam een praktijk als psychogiroloog, uitoefenaar van een nieuw type handleeskunde dat zich had ontwikkeld in samenhang met de begin-20ste-eeuwse opkomst van zowel de psychologie als het occulte. Geen waarzeggerij, geen toekomstvoorspellingen, maar een beredeneerd instrument voor zelfonderzoek.
In Duitsland had Spier, afkomstig uit een goede familie, zich na een gefnuikte carrière als operazanger gestort op het handlezen. Toen zijn werk bij een metaalhandelsfirma en de door hemzelf opgerichte uitgeverij hem niet meer beviel, besloot hij er zijn beroep van te maken. Met succes.
Hij ontwikkelde een eigen methode, beschouwde de hand als levende expressievorm van de psyche en combineerde zijn werkwijze met inzichten uit het werk van Carl Jung, die zijn werk waardeerde en hem ingangen bood in de professionele therapeutische wereld.
Julius Spier had duizenden handen gelezen voordat hij die van Etty Hillesum voor het eerst vastpakte. Dat het haar naam zou zijn die de zijne zou doen voortleven kon hij niet bevroeden.
Over Spier is veel lelijks geschreven en dat is niet heel gek: hij oefende met nogal wat pretentie een vreemd vak uit en hield er onorthodoxe therapiemethoden op na, waar worstelen (‘ringen’) met zijn cliënten, rollend over de grond, deel van uitmaakte. Grensoverschrijdend heet dat nu en was het toen, maar niet voor de schare vrouwelijke bewonderaars die hij vanaf zijn aankomst in Amsterdam om zich heen verzamelde.
Voor hen was Spier niet zomaar een leermeester; ze hielden van hem en beschouwden hem als een vader met wie ze een haast symbiotische verhouding hadden. ‘Hij is voor een groot deel van ons, en voor een groot deel in ons.’
Had Spier het charisma van een sekteleider, van een seksueel dominante verleider of een wijze leraar? Wat streefde hij na, de ontwikkeling van zijn cliënten of het vergroten van eigen betekenis? Was hij oprecht? Bekwaam?
In haar biografie Julius Spier en de kunst van het handlezen stelt historicus Alexandra Nagel al dat soort vragen. Ze is leven en werk van Spier in kaart gaan brengen omdat niemand dat eerder deed, ‘men focust liever op de inspirerende Hillesum’.
Judith Koelemeijer toonde in haar biografie al haar schatplichtigheid aan Nagel, door wier onderzoek zij een veelzijdiger beeld van Spier kon geven dan er voorheen bestond. Wat voegt het boek van Nagel zelf daaraan toe?
Best veel. Om te beginnen de context van Spiers wonderlijke vak, de historische ontwikkeling ervan, de betekenis van een paar toonaangevende andere lezers. Met sprekende voorbeelden laat Nagel vervolgens zien hoe bekwaam Spier was en hoe mensen zich door hem gezien voelden. Ze beschrijft hem als een gepassioneerde, emotionele man, intuïtief werkend, in staat zijn cliënten de centrale thema’s in hun persoonlijkheid te laten begrijpen volgens een ‘unieke methode waarin zijn sterke mediamieke gave een belangrijke rol speelde’, aldus de vooraanstaande Berlijnse intellectueel Edith Andreae, in wier kringen hij belandde via Jung.
Verder portretteert Nagel ‘de Spierclub’: de vrouwen die Spiers huis in de Amsterdamse Rivierenbuurt bevolkten. Henny Tideman, Dicky de Jonge, Liesl Levie en Leonie Snatager speelden volgens haar allemaal een rol in de ontwikkeling van de therapie die de pionierende Spier al praktiserend verder uitbouwde ‘vanuit het idee dat lichaam en geest één waren’.
Etty voelde zich al snel de sterleerling. Zij betoverde Spier evenzeer als hij haar. Hij was licht ontvlambaar en keek terug op een roerig liefdesverleden; zij had een sterk erotische natuur en minstens één minnaar (Nagel citeert een vriendin die zegt dat ze er wel twaalf had).
Hoe seksueel hun relatie werd, lijkt ook Nagel niet zeker te weten. Toch wordt volgens haar eind april 1942, na alle stoeipartijen, liefkozingen, kussen en omarmingen, ‘de allerlaatste barrière tussen hen geslecht’, al schrijft ook zij ‘waarschijnlijk’.
Tegen de tijd dat Spier Hillesum ontmoette, had hij een sterk godsbesef ontwikkeld. Ook dat viel bij Etty in goede aarde. Het kostte haar tijd om gevolg te kunnen geven aan zijn aansporingen om te bidden, maar toen ze het begon te begrijpen, intuïtief en gevoelsmatig, werd het innerlijk gesprek met God steeds belangrijker voor haar.
Hillesums godsbesef heeft veel pennen in beweging gebracht. In de tv-serie Etty – van scenarist en regisseur Hagai Levi – vraagt haar voormalige geliefde Klaas Smelik (een Gijs Naber die minstens zo charismatisch is als Sebastian Koch, die Spier neerzet als een kalme maar ook gekwelde man) of het wel echt God is waar ze in gelooft.
Zij vindt het te intiem om dat uit te leggen (en kijkt hem zachtmoedig-wetend aan, onbewogener dan ik me de Etty uit Koelemeijers biografie voorstel). Na Hillesums dood hield dat soort vragen niet op en juist in religieuze contreien is eindeloos veel studie gewijd aan haar gedachtegoed.
Dit jaar verscheen een nieuwe publicatie in die hoek: Jan Oegema’s studie Een apart soort moed – Etty Hillesum nu. Een diepgravend, rijk en verrassend goed boek. Je moet in het begin even wennen aan het ietwat pieuze taalgebruik en het is jammer dat pas achterin wordt toegelicht dat het boek is bedoeld als aanjager voor gesprekken ‘in het kader van lezingen, leesclubs of anderszins’, maar gaandeweg word je door Oegema met vuur en zorgvuldigheid haar wereld ingezogen.
Wie heeft bij het lezen van het eerste gedeelte van Hillesums dagboek nooit gedacht: dit zoeken, dit idealiseren van een leraar en van het goddelijke, is dat niet gewoon de geëxalteerdheid van een jong iemand met een grote aanleg zich te verliezen?
Al heel snel verkruimelt die vraag, door Hillesums nauwkeurige waarnemingen, van ‘M’n ideeën hangen nog steeds om me heen als veel te wijde kleren’ (juni 1942) tot ‘Een veelheid van opborrelende gedachten wantrouw ik tegenwoordig in me, ik lig liever braak en wachtend soms’ (juli 1942).
Oegema laat prachtig zien hoe doelgericht Hillesums ontwikkeling is en hoe haar werk ook voor de lezer ontwikkeling inhoudt. Het is volgens hem niet zo’n kunst om Hillesum te betrappen op gedrag en taal die aan haar essentie (‘haar favoriete zelf’) ontsnappen, het is juist de kunst ‘daarmee op tijd op te houden en te zien hoe knap ze al schrijvend een zelf weet te creëren waarin ze kan rusten en geloven’. Het zelf waarmee ze uiteindelijk zingend kamp Westerbork verliet, vol van het geloof in de kracht van de totale aanvaarding.
Het is lastig om over Hillesum en haar boodschap te schrijven zonder zelf te geëxalteerde of grote woorden te gebruiken, maar Oegema, die vertrouwd is met zowel spiritueel als literair jargon, kan dat niet veel schelen. Hij heeft een precies oog voor de levendigheid van haar taal, waarin hij bijvoorbeeld leest dat ze op het moment van het ‘Vooruit dan maar!’, waarmee het dagboek begint, al verder is dan ze zelf denkt. Verder in de ontwikkeling van het ontvankelijke, open, kloppende en denkende hart dat ze uiteindelijk wil worden.
Hillesum zelf was doordrongen van het gevoel bijzonder en uitzonderlijk te zijn. ‘Om een groot voorbeeld van egoloosheid te worden is nu eenmaal een groot ego nodig’, schrijft Oegema fris, niet bang dat hij Hillesums grootheid overdrijft. Hij laat haar geldingsdrang en andere problematische elementen zeker niet buiten beschouwing (‘Hillesums goeroeverering is een gevoelig punt in de Hillesumkunde’), maar schroomt ook niet haar te onderzoeken als mystica in de traditie van eerdere mystici, als amazone in het licht van de klassieken, als moderne bodhisattva die verlichting weigert, als spiritueel leider in de lijn van Jezus en Gandhi en als ‘publieksfilosoof met een eigen boodschap’.
Hij schrijft met plezier over haar sensualiteit, het uitzinnig dansen op een feestje bij Spier, hun verhouding (in het verhaal van de Shoah net zo zonderling als het zinnelijke Hooglied in de Bijbel (‘Eros getransformeerd naar compassie’) en over haar ‘ontalent’ voor conventioneel voelen en denken.
Het sterkst en wellicht vernieuwendst is zijn vergelijking met Antigone uit Sophocles’ tragedie, de rebelse nee-zegger die hij gebruikt om het nee van Hillesum te onderzoeken: haar weigering onder te duiken, een uitzondering te zijn ten opzichte van alle andere Joden. Het voert hem naar haar onwrikbaarheid, naar begrip voor het onbegrijpelijke: hoe ze haar eigen ondergang vrijwillig tegemoetliep, een ja tegenover iets waartegen alleen maar nee te zeggen valt.
Met de Antigone-vergelijking zoomt Oegema in op iets duisters, Hillesums bijna macabere bevangenheid. Zo ziet de praktijk van het doen eruit, zegt hij, ‘het bijeenbrengen van leer en leven’ dat filosofen vaak niet lukt maar een eenling als Hillesum wel – met haar raadselachtige zinnen over geluk, schoonheid, bloemen en licht terwijl ze tussen de barakken uitgeputte moeders helpt hun kinderen aan te kleden voor het volgende dinsdagtransport.
In de laatste maanden van Hillesums leven verandert volgens Oegema’s close reading haar persoonlijkheid. Ze wordt verstilder en zwijgzamer maar ook, in weerwil van alle godsliefde en vertrouwen, nihilistischer. Het denken over lijden uit haar dagboeken is overgegaan in de werkelijke ervaring.
De beroemde zin uit de laatste brief uit Westerbork, september 1943, twee weken voor haar deportatie: ‘Na deze nacht heb ik één ogenblik in alle oprechtheid gemeend, dat het een zonde zou zijn, wanneer men in het vervolg nog lachte.’
Haar ‘speciaal soort moed’, waar Oegema zijn laatste hoofdstuk aan wijdt, kreeg betekenis in wat ze deed, zeker die laatste maanden, maar vooral in wat ze schreef. Dat haar life-writing slechts tweeënhalf jaar beslaat terwijl ze er nog steeds werelden mee opent, is ook na het lezen van dit boek weer verbijsterend. Hillesum had haast. Met haar zelfonderzoek, met worden wie ze was, met schrijven.
Wie weinig tijd heeft en dat beseft, moet durven geloven in wat hij kan en wil. Geen valse bescheidenheid, geen water bij de wijn, geen ‘nee’ waar een ‘ja’ nodig is of andersom.
Alexandra Nagel: Julius Spier en de kunst van het handlezen. Balans; 280 pagina’s; € 24,99.
Jan Oegema: Een apart soort moed – Etty Hillesum nu. Boom; 256 pagina’s; € 24,90.
Etty is te zien via NPO Start.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant