Home

Je gelooft het bijna niet: 10-jarigen die met de hele klas gaan parachutespringen

Op de basisschool van Rijk van den Broek was het traditie dat de leerlingen in groep 6 gingen parachutespringen. Uit een helikopter! Dat roept bij hem achteraf veel vragen op, zoals: waar was dat goed voor, en ook: hoe doen ze dat tegenwoordig op die school?

Binnen enkele seconden voel ik mijn broek nat worden. Het vocht trekt langzaam in de stof. Heb ik nou in mijn broek geplast? Een korte stilte volgt. Iedereen kijkt me aan voordat mijn schoolklas in lachen uitbarst.

Het gebeurt op een late zomeravond in 2008, in een scoutinggebouw ergens op de Veluwe. Ik ben 10 jaar oud. Al jaren weet ik dat dit moment eraan komt: op het schoolkamp maken alle leerlingen van groep zes een parachutesprong boven de hei.

Op het plein van mijn basisschool gaan de verhalen al rond zolang ik me kan herinneren. Een meisje uit groep acht zou met haar parachute in een boom zijn beland en door de brandweer zijn gered. Bij het klimrek vertelt een jongen hoe hij na zijn landing is achternagezeten door een wild zwijn. Meesters en juffen benadrukken elk jaar hoe bijzonder het is om door de lucht te zweven.

Nu is het mijn beurt. Op mijn school zitten groep 6, 7 en 8 gemengd bij elkaar in de klas, maar op de bewuste avond van de sprong zit ik alleen met mijn klasgenoten uit groep 6 te wachten. Sommige kinderen lachen zenuwachtig, anderen snikken. In de verte hoor ik het doffe, ritmische geluid van een helikopter die warmdraait.

Hoelang ik heb gewacht, weet ik niet meer. De juf haalt ons een voor een op. Ze wikkelt een geruite theedoek om mijn hoofd en leidt me naar de eetzaal. Het geluid van de helikopter wordt met elke stap harder.

Blinddoek

Mijn blinddoek gaat af. De eetzaal ruikt naar muf hout en pannenkoeken. Om mij heen zitten de kinderen van de jaarlagen boven mij, zwijgend in een kring. Het omliggende bos is niet te zien, vanavond zijn de luiken gesloten.

Voor me staat Fenna, een meisje dat een jaar hoger zit dan ik. ‘Je moet goed luisteren en me blijven aankijken’, zegt ze serieus. Ze instrueert hoe ik naar de helikopter moet lopen en later de parachute moet controleren. ‘Wel goed opletten, hè.’

Natuurlijk let ik op. Al jaren ben ik bang voor dit moment. In een oud schrift dat ik op zolder vind, schreef ik: ‘Ik vind het doodeng.’

Als kind was ik vaak bang. Nachtenlang kon ik piekeren over geesten of kettingbrieven die op school rondgingen. In de klas was ik geen buitenbeentje, maar ik hoorde ook niet bij de stoere kinderen. Ik wilde niet uit de toon vallen, dus ik hield mijn angsten voor mezelf.

In de weken voor het kamp lig ik ’s nachts wakker. Volgens mijn vader komt het goed. Het is veilig. Maar zijn geruststelling helpt niet. Wat als de parachute niet opengaat? Wat als ik niet durf?

‘Het belangrijkste komt nu’, kondigt Fenna aan. Om de parachute te openen, moet ik aan een geel touwtje trekken. ‘Doe me maar na’, zegt ze verwachtingsvol voordat ze aan een denkbeeldig touwtje trekt. ‘Als de parachute toch dicht blijft, trek je aan een rood touwtje.’

Geel. Dan rood. Ik herhaal het in mijn hoofd.

Het is doodstil in de eetzaal. ‘Dan voel je dat de parachute openklapt. En dan moet je een beweging maken alsof je gaat zitten.’ Ze laat zich hard op de stoel achter haar vallen. ‘Doe maar’, roept ze.

Aarzelend ga ik zitten. Dan gebeurt het: mijn broek wordt nat. Ik spring overeind en zie op de stoel een grote, gele, natte spons.

‘Het is voorbij’

Een bulderende lach verbreekt de stilte. De kinderen juichen. Waar de spanning me tot dat moment verlamde, stromen de tranen nu over mijn wangen. Mijn juf slaat een arm om me heen. ‘Het is voorbij’, fluistert ze, ‘je hoeft helemaal niet te springen.’

Ik neem plaats tussen de andere kinderen. Op de achtergrond klinkt het geluid van een landende helikopter uit grote speakers. Het toneelstuk begint opnieuw, nu met een ander kind in het midden.

Pas dan valt op zijn plek dat alles is verzonnen.

Bijna twintig jaar later vraag ik me nog steeds af waarom deze traditie bestond. Waar was het goed voor? Om dat misschien alsnog te kunnen begrijpen, zoek ik betrokken ouders op, docenten en vijftien oud-leerlingen. De meesten herinneren zich hetzelfde: een blinddoek, helikoptergeluiden en vooral de natte spons.

Bij Renske Wiersma (29) hing de sprong al op jonge leeftijd boven haar hoofd. ‘Vanaf groep 4, toen was ik 8 jaar, wist ik dat dit ging gebeuren.’ Ze omschrijft het gevoel dat ze erbij had inmiddels als een soort ontgroening. ‘Spannend en ongrijpbaar. Ik kon het op die leeftijd niet goed plaatsen.’

Nu zou ze een parachutesprong nooit durven, omdat ze er niet van houdt om de controle te verliezen. ‘Toen had ik geen keuze. Ik was 9 en had nog geen eigen mening over dit soort dingen.’ Renske ging er gewoon in mee, zegt ze nu. ‘Iedereen deed het.’

‘Ik speelde braaf mee’

Voor Casper (29) was dit anders: ‘Ik weet nog dat ik het spannend vond en mijn best deed om onder de blinddoek door te kijken.’ Op die manier zag hij de gele spons al liggen. ‘Maar ik speelde alsnog braaf mee’, vertelt hij nu lachend.

Wanneer hij moet gaan zitten, blijft hij demonstratief staan. De docent pakt hem bij zijn schouders en duwt hem alsnog naar beneden. ‘Niet leuk,’ zegt hij over dat moment. ‘Maar ik had ook niet zo bijdehand moeten doen.’

Denkt hij dat er achteraf een diepere betekenis achter het hele gebeuren zat? ‘Nee, natuurlijk niet’, reageert Casper direct. Hooguit bleef bij hem onbewust hangen dat autoriteiten niet te vertrouwen zijn. ‘Achteraf dacht ik: kom op, je moet zelf blijven nadenken. Niet klakkeloos alles aannemen.’ Hij vindt het vooral een onschuldige grap. ‘Toelachen én uitlachen. Je ging er samen doorheen.’

Niet iedereen ervoer dat zo. Omdat Babanne van der Burgt (27) zo bang was, waarschuwde haar oudere zus haar vlak voor vertrek. ‘Ze zei dat ik geblinddoekt zou worden en dat er harde geluiden zouden zijn. Maar vooral dat het niet echt was. Ik was blij dat ik het wist.’

Het wachten met groep 6 staat Babanne nog scherp bij. ‘Kinderen zaten daar echt in onwetendheid.’ Vlak voor haar eigen sprong fluistert Babanne nog haar doodsbange vriendinnetjes toe: ‘Dit mag ik eigenlijk niet vertellen, maar we gaan niet écht parachutespringen.’ Ze moet erom lachen. ‘Dat was natuurlijk totaal niet de bedoeling.’ Vervolgens speelt ze gewoon mee. Achteraf voelde ze trots. ‘Toen was ik écht een bovenbouwleerling.’

Dat gevoel van een ‘ontgroening’ van de bovenbouw keert in bijna alle herinneringen van oud-leerlingen terug. Een kantelpunt: van ‘niet weten’ naar ‘erbij horen’. De meesten beschrijven die avond daardoor als een moment waarop de verhoudingen tussen de leerlingen veranderden: je werd onderdeel van de groep.

Rite de passage

In die zin lijkt de traditie op wat antropologen een rite de passage noemen: een overgangsritueel waarin een groep markeert dat iemand een nieuwe fase binnengaat. Dit soort rituelen gaan vaak gepaard met tijdelijke ontregeling en komen in allerlei vormen voor, van religieuze inwijdingen tot ontgroeningen binnen studentenverenigingen.

Niet alleen de opzet is bepalend, maar ook hoe het ritueel door de groep wordt gedragen. Van oud-leerlingen hoor ik dat klasgenoten daarin een actieve rol spelen. Hun verhalen over geslaagde en mislukte sprongen bepalen wat op dat moment als de ‘norm’ geldt. Wie doet mee en wie twijfelt?

Zo ontstaat een sociale dynamiek waarin kinderen niet alleen deelnemen, maar die zij ook mede vormgeven. Toch leefden verhalen en verwachtingen niet alleen onder leerlingen. Ook volwassenen gingen mee in de ervaring.

Vragen stellen

‘Het hoorde er gewoon bij’, vertelt mijn vader, Henri van den Broek (60). Voor het eerst sinds het schoolkamp praten we erover. Volgens hem werden er in die tijd geen vraagtekens bij gezet: ouders gingen er vanzelfsprekend in mee. Hij noemt de geheimhouding een ‘ongeschreven regel’, vergelijkbaar met het Sinterklaasverhaal.

Mijn vader hielp die kampavond met het bakken van pannenkoeken. Hoewel ouders niet bij de traditie mochten zijn, keek hij in het begin stiekem mee: ‘Ik zag jou trillend en geblinddoekt voorbijlopen.’ Hij wist niet dat de parachutesprong nep was en werd daarover niet door de school geïnformeerd. Wel voelde hij intuïtief aan dat ik niet écht uit een helikopter zou springen. ‘Maar van die spons hoorde ik pas achteraf.’

‘Eerst zeg ik tegen mijn doodsbange zoon dat het allemaal goedkomt. En vervolgens moet hij dit doen terwijl zijn klas toekijkt’, zegt mijn vader. Nu kijkt hij met ongemak terug. ‘Ik had daar toen vragen over moeten stellen. Dat kun je mij kwalijk nemen.’

De traditie was niet alleen vanzelfsprekend voor ouders, maar ook voor docenten. Aan haar keukentafel vertelt mijn voormalige juf, Assia (46), die alleen met haar voornaam in de krant wil, hoe ze destijds net begon in groep 6. ‘Natuurlijk geloofden jullie dit. Het was de waarheid in de belevingswereld van een kind.’

Sterker nog: als 17-jarige stagiaire geloofde ze zelf ook dat kinderen zouden parachutespringen. Assia vroeg nog of het gevaarlijk was, maar andere docenten stelden haar gerust: ‘Nee joh, dat komt goed.’ Pas op het kamp ontdekte ze dat ook zij voor de gek was gehouden. Lachend schudt ze haar hoofd. ‘Ik was zelf ook nog een kind.’

De basis is veiligheid

‘Hoewel het een traditie was binnen de school, was het voor sommige kinderen te heftig’, zegt Assia terwijl ze thee inschenkt. Sommige leerlingen vroegen: ‘Moet dit echt?’ Het antwoord was steeds: het hoort erbij en iedereen doet mee. Ze schudt haar hoofd. ‘De basis op een school moet altijd veiligheid zijn. Je wilt dat kinderen alleen deelnemen aan activiteiten die goed en vertrouwd voelen.’

Assia kijkt me aan en zegt dat ze zich nog goed herinnert hoe bang ik was. ‘Ik heb je heel lang vastgehouden.’ Volgens haar moest ik na de sprong huilen en heeft ze me lang getroost. ‘Jeetje’, zegt ze zacht, ‘daar wil ik je mijn excuses voor aanbieden.’

Omdat Assia een jaar later bij de basisschool vertrok, maakte ze de traditie daarna niet meer mee. Opeens vraagt ze: ‘Ze zijn er trouwens toch wel mee gestopt?’

Dat blijkt niet zo te zijn. Op mijn oude basisschool bleef de traditie bestaan.

Mijn voormalige docenten Bianca (50) en Remco (39) werken nog altijd op de school; we laten hun achternamen en de naam van de school weg om het geheim te bewaren. Wanneer ik hen spreek in hetzelfde lokaal als vroeger, lijkt de tijd te hebben stilgestaan. Als kind keek ik uit op precies datzelfde schoolplein. Nu staat er alleen een fatbike bij de ingang.

Bij de parachutesprong zijn ze allebei nog steeds betrokken. ‘Ritueel’ vindt Remco een te groot woord. Hij noemt het liever een traditie bedoeld om ‘samen te vieren dat je een nieuwe groep bent geworden’. Wat de oorsprong ervan is, weten ze niet. Het bestond al voordat zij er kwamen werken.

Volgens Bianca en Remco draait het om groepsvorming: kinderen leren voor elkaar te zorgen en spanning samen te dragen. Als klasgenoten worden opgehaald voor de sprong, zeggen leerlingen bijvoorbeeld: ‘Juf, die klasgenoot vindt het spannend. Zullen we die als eerste doen?’

Ze vertellen dat er in 2008, het jaar van mijn parachutesprong, veel jonge, onervaren docenten voor de klas stonden. Zelf waren ze er niet bij. Mijn kampavond kunnen ze daardoor niet reconstrueren. Toch zegt Remco dat wij het er toen over hebben gehad, maar dat hij zich dat gesprek niet goed kan herinneren. ‘Ik weet wel dat jij heel erg bang was.’

Het woord angst

Ik deel mijn ervaring en de angst die ik toen voelde. ‘Angst’, herhaalt Bianca. ‘Kinderen gebruiken dat woord niet.’ En Remco: ‘Dat is een volwassen woord dat je nu toekent aan de gevoelens van toen.’ Volgens hen is het schoolkamp op zichzelf al spannend: slapen zonder ouders, een nieuwe klas, weg van huis.

‘Jouw emoties begrijp ik’, zegt Bianca. ‘Ik ken je als een gevoelig kind, dus dat kan ik goed plaatsen.’ Ze vraagt zich af of ik toen niet toch ergens ben opgevangen door een docent of klasgenoot: ‘Als je iets meemaakt, dan onthoud je natuurlijk de hoogte- en dieptepunten. De stukjes ertussen vervagen.’

Wanneer ik vertel dat sommige oud-leerlingen het achteraf te ver vinden gaan, kijken ze elkaar kort aan. ‘Als dat hun gevoel is, dan is dat hun gevoel’, zegt Remco. ‘Maar het is niet de ervaring die wij hebben.’

Volgens Bianca verschilt de beleving per kind. ‘De een moet keihard lachen of is juist teleurgesteld, want die wilde graag parachutespringen. En misschien vindt de ander het toch erg spannend.’ Het gaat volgens haar ook om de gezamenlijke ontlading achteraf. ‘Erom lachen met elkaar.’

Ik vertel dat de natte spons voor mij voelde alsof ik in mijn broek had geplast. Bianca en Remco schrikken zichtbaar. ‘Dat heb ik echt nog nooit gehoord’, zegt Remco. ‘Ook niet van oud-leerlingen. Echt nooit.’

Binnen het team is de sprong in het verleden weleens vergeleken met ontgroeningen bij studentenverenigingen. Volgens Remco gaat die vergelijking niet op. ‘De achterliggende gedachte is nooit geweest om kinderen angstig, vernederd of verkleind te laten voelen.’

Natte spons

Vandaag de dag is de opzet ‘in grote lijnen’ hetzelfde. Kinderen worden nog steeds een voor een opgehaald, oudere leerlingen spelen dezelfde rol en aan het einde wacht de natte spons.

Wel benadrukken ze dat er meer aandacht is voor zenuwen en sociale veiligheid. Volgens Bianca kennen ze hun leerlingen goed. ‘Je merkt gewoon: die is gespannen.’ Als er verhalen rondgaan die spanning oproepen, relativeert Remco. ‘Nou, maak je maar niet zo druk.’

In het gesprek noemen ze ook enkele ‘onbewuste aanpassingen’. In de wachtruimte zit nu een volwassene om kinderen gerust te stellen. De speakers met helikoptergeluiden zijn verdwenen. ‘Die hebben we er heel snel uitgehaald’, benadrukt Remco. ‘Het gaat niet om bangmaken.’ Verder bleef de structuur van wachten intact.

Waar wij destijds dachten dat we met een blinddoek rechtstreeks naar de helikopter zouden gaan, krijgen kinderen nu eerst te horen dat ze gaan oefenen. Volgens Bianca is daardoor de spanning op het moment zelf minder groot. Opvallend genoeg spreekt ze nu zelf over ‘heel angstige kinderen’. Tegen hen zegt ze: ‘Als je na het oefenen niet wil, dan doen we het niet.’

Ouders krijgen inmiddels vooraf uitleg. ‘We zeggen gekscherend: je weet hoeveel kampgeld je betaalt, dan kan een parachutesprong niet’, zegt Bianca. Als ouders de angst te groot vinden, geven ze het geheim prijs. Mocht het achteraf te veel zijn, dan is er nazorg. Leerkrachten gaan dan in gesprek. Bianca: ‘Maar het mooie is dat veel onderling met de kinderen wordt opgelost.’

Voorafgaand aan ons gesprek legde Bianca de traditie nog voor aan haar klas. Op een leerling na vond iedereen dat het erbij hoort. ‘Niemand is een uitzondering’, zeiden de kinderen. ‘Samen het geheim delen en dat mogen bewaren.’

Als ik dat hoor, denk ik aan mezelf op die leeftijd. Waarschijnlijk had ik hetzelfde gezegd. Misschien is dat ook waarom deze herinnering me altijd is bijgebleven. Ik wilde erbij horen en deed mee, zoals iedereen. Wat ik toen nog niet goed kon, was onder woorden brengen wat ik voelde.

Tegelijkertijd realiseer ik me dat de parachutesprong mijn leven niet ingrijpend heeft beïnvloed. Ik kijk er niet met boosheid op terug en denk ook niet dat het blijvend wantrouwen heeft achtergelaten. Waarschijnlijk werd mijn ervaring mede bepaald door wie ik toen was: een gevoelig en onzeker kind.

Uit mijn gesprekken met ouders, leerlingen en docenten blijkt hoe verschillend de parachutesprong is beleefd. De een herinnert zich vooral de traditie, de ander de angst. Ik vraag me af of het ieder kind lukt om dat uit te leggen. ‘Als je het me een jaar later had gevraagd’, zeg ik tegen Bianca, ‘had ik waarschijnlijk niet benoemd dat ik het te eng vond.’

Bianca knikt. Achter haar hangt een klassenfoto van dit schooljaar aan de muur. De leerlingen kijken lachend de camera in. Bianca: ‘Er zullen echt wel kinderen zijn die op dit moment misschien ook de woorden niet kunnen vinden.’

Ze kijkt me kort aan. ‘Er kan altijd een kleine Rijk in de groep zitten.’

Naschrift

Reactie docenten Bianca en Remco: ‘We hebben besloten om in het nieuwe schooljaar te reflecteren op het parachutespringen. Het artikel zet dit voor ons in een ander daglicht. We betreuren het dat er mensen zijn die als kind hier last van hebben gehad. Dat is nooit onze intentie geweest. Daarom zullen we bij de voorbereidingen van ons schoolkamp serieus kijken naar aanpassingen en/of alternatieven.’

Dit is een verhaal uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next