Home

Deze schrijver ging een weekend bij de nonnen in een klooster: ‘Stress, zingeving of mannenhaat?’

Psalmen, loempia’s en (bijna) alleen maar vrouwen: schrijver Tessa Sparreboom voegt zich een weekend in het kloosterleven. ‘Het voelt geborgen om door uitsluitend vrouwen te worden omringd. Dat realiseer ik me als ik op mijn balkon knarsetandend moet toekijken hoe een man in een Volvo het terrein op rijdt.’

In de welkomstmap van de Onze Lieve Vrouwe Abdij in Oosterhout staat een citaat uit De Regel van Benedictus, een praktische gids voor het kloosterleven: ‘Alle gasten worden ontvangen als Christus zelf.’

Vandaag is dat met spritsen en mangothee.

Met negen andere vrouwen zit ik rond een koektrommel in de ontvangstkamer van de abdij. Het komende pinksterweekend volgen we het ritme van de zusters die hier wonen.

Voor de nachtrust ingaat en we ieder naar onze kamer vertrekken, doen we een rondje werk en ‘random feitjes’.

Aanwezig: twee juffen, een verzorgende, een advocaat (‘vooral echtscheidingen’), een meldkamercentralist die niet van chocola houdt en een grafisch vormgever met dyslexie.

‘Het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap heeft vorige week de eerste dyslexievriendelijke Bijbel uitgegeven’, zegt Charlotte. Ze is masterstudent theologie en werkzaam bij Zij Lacht, de organisatie die deze kloosterweekenden vier keer per jaar voor jonge vrouwen organiseert. Als een moeder-overste zal ze ons de komende dagen begeleiden. Zojuist hebben we in ruil voor drie boeken met psalmen en liturgische gezangen onze telefoon bij haar ingeleverd.

De grafisch vormgever slaat een hand voor haar mond. ‘Echt?’

Het weekend heeft nu al zin gehad.

We hebben onze eigen vleugel, de zusters zullen we vooral in de kapel zien. In totaal zijn ze met dertien, maar een aantal van hen is niet meer in staat om alle diensten bij te wonen. Sommigen betreden de kapel met een wandelstok of rollator. Eén zuster wordt in een rolstoel binnengereden door iemand van de thuiszorg, die geroutineerd halt houdt voor het altaar zodat de zuster het kan toeknikken.

Vergrijzing bedreigt het monastieke leven al jaren, maar sinds kort is er ook vrolijker nieuws: de jeugd rammelt aan de kloosterpoort. De Amerikaanse nieuwssite Vice meldde dat Gen Z-vrouwen het afgelopen jaar in plaats van strandvakanties massaal voor kloosterretraites kozen. Ook in de popcultuur heeft de non weer momentum: voor hun laatste, succesvolle albums poseerden Lily Allen en Rosalía als non.

In een veelbekeken TikTok-filmpje over het boekingsproces (‘it’s really easy, you just email the nuns’) beklaagt een jonge vrouw zich over de beperkte beschikbaarheid in het klooster van haar keuze. Zelf heb ik geluk dat ik ertussen kom: alle plaatsen voor de kloosterweekenden van Zij Lacht zijn dit jaar uitverkocht. Ik kan mee omdat er op het laatste moment een afmelding is.

The call to be a nun is too strong right now’, reageert een ander onder het filmpje.

Ook ik voel de aantrekkingskracht van het klooster, maar waar komt die uit voort? Stress? Behoefte aan zingeving? Of toch gewoon blinde mannenhaat?

Het woord dat in het voorstelrondje steeds naar voren komt: ‘rust’. Die kunnen we krijgen, maar ook weer niet in overvloed – morgen gaan de kerkklokken om half zes.

Intiem

Bij de vigilie (de eerste dienst van de dag) verschijnen sommigen in pyjama. Het ochtendlicht schijnt door het glas in lood, buiten voegt een merel een partij toe aan het gezang van de zusters. Meezingen mag, maar niemand van ons durft dat al aan.

We hebben onze eigen banken, met uitzicht op de zusters en het altaar.

Het voelt intiem om in zo’n ritueel te vallen, om te zien hoe vanzelfsprekend en toch ook aandachtig elke handeling wordt uitgevoerd. En te weten dat dit niet alleen vandaag gebeurt, maar elke dag. Meerdere keren op een dag.

Uit ontzag onderdruk ik een half uur lang een hoest.

Het ontbijt wordt geserveerd in de eetzaal, er gaat een belletje zodra we mogen binnenkomen.

Onder toeziend oog van een gekruisigde Jezus eten we in stilte volkoren boterhammen met pindakaas en appelstroop. Af en toe wijst er iemand aarzelend naar een koffiekan of de Becel aan de andere kant van de lange tafel.

Om tien uur, als we drie diensten achter de rug hebben, kan er weer worden gepraat.

Zuster Hildegard – de gastenzuster, ingetreden in 1992, vóór de meesten van ons geboren waren – neemt plaats in de kring voor het theemoment. Ze praat bedachtzaam en is 70, maar in haar zwarte habijt heeft ze iets leeftijdsloos.

‘Wat is zo jullie eerste indruk?’

Stilte.

‘Indrukwekkend’, zegt een van de juffen tenslotte. We vallen haar bij met wild geknik.

Bente, de verzorgende, vraagt waarom zuster Hildegard haar sluier anders draagt dan de andere zusters, zo helemaal over de haargrens. Is daar een symbolische reden voor?

‘Hij gleed steeds van mijn hoofd.’

Haren kammen doet zuster Hildegard wel, maar over het algemeen vindt ze zelfzorg overschat. Haar gezicht vertrekt als ze het woord uitspreekt, alsof ze kramp heeft.

‘Dat is in de mode hè, goed voor jezelf zorgen. Ik zou zeggen, zorg ook vooral voor een ander.’

Ik vermoed dat zelfzorg voor de meesten van ons een belangrijke motivatie is geweest om naar de abdij af te reizen. In elk geval heeft de opmerking effect, want de komende dagen zullen we haar een voor een vragen of we nog ergens mee kunnen helpen. Ook is het vechten om wie de afwas mag doen.

Sam – de meldkamercentralist – hoopt dat zuster Hildegard haar de rozenkrans wil leren bidden.

‘Dan moet ik even een instructie opzoeken, ik doe dat niet zo vaak.’

Op Sams verbaasde blik: ‘Ja, ik zit al zes keer per dag in de kerk hè.’

Sam heeft geen religieuze opvoeding gehad, maar haar vriend is katholiek. Binnenkort wordt ze gedoopt, er moet alleen nog een afspraak met de pastoor worden gemaakt. Niemand van ons knielt zo diep voor het altaar als zij.

De anderen zijn protestants, afkomstig uit diverse stromingen, maar hoe dan ook niet kleingeestig, anders zouden ze hier niet zijn. Het katholicisme kennen de meesten alleen van vakantie in Zuid-Europa.

‘En jij’, vraagt zuster Hildegard.

Ik denk aan mijn eigen loopbaan binnen de katholieke kerk. Doop, eerste communie, misdienaarschap. Feiten die bij iemand anders lijken te horen.

‘Ik ben gedoopt, maar als baby’, zeg ik. Ik heb de groep al verteld dat ik hier als journalist ben. ‘Dus niet erg bewust.’

‘Maakt niet uit. De belangrijkste relatie in je leven is gelegd.’

Ik knik. Het klinkt me prettig in de oren.

Knarsetandend

’s Middags is er tijd voor ontspanning. Sommigen gaan een boek lezen in het gras, anderen maken een wandeling langs de andere twee aangrenzende kloosters, die samen met de Onze Lieve Vrouwe Abdij als ‘de Heilige Driehoek’ bekendstaan.

Aan het einde van de straat zit een Aldi, een aantal gaat proviand halen uit angst voor honger.

De warme maaltijd (elke dag drie gangen) wordt geserveerd om kwart over twaalf. Om zes uur komen de volkoren boterhammen weer op tafel voor de broodmaaltijd, met iets extra’s.

Zuster Hildegard rijdt een trolley met loempia’s de eetzaal in. ‘Vegetarisch, geloof ik.’

Nadat we samen hebben gezongen vertrekt ze naar haar eigen vleugel.

We hebben het over relaties. Geen mannenhaters in deze ruimte, bijna iedereen heeft een vriend, sommigen spreken zelfs van hun man. Wel komen er wat irritaties op tafel.

‘Hij moet ’s ochtends altijd eerst een potje Tetris spelen in bed. Anders wordt hij niet wakker, zegt-ie.’

Manon, die thuis een gezin heeft, kijkt toe hoe Sophie (de advocaat) een boterham met pindakaas en hagelslag belegt. Daarna gaat ze er zelf ook voor.

‘Mijn man neemt dat ook altijd, dan vind ik het nogal vreemd. Maar nu ik het jou zo zie doen denk ik, kan eigenlijk wel.’

Het voelt geborgen om door uitsluitend vrouwen te worden omringd. Dat realiseer ik me de volgende ochtend, als ik op mijn balkon zit te lezen en knarsetandend moet toekijken hoe een man in een Volvo het terrein op rijdt. Hij draagt een wit overhemd en heeft een aktetas bij zich. Ik hoop maar dat het een brave boekhouder is.

Een roeping

Er loopt die dag nog een nieuw gezicht in de abdij rond: Anita, die zuster Hildegard helpt met het werk in de gastenvleugel. In hoog tempo schenkt ze koffie en thee in. Ze heeft kort grijs haar en draagt een zomerjurk tot op de knieën, daaronder bruine benen en sandalen – zo’n type waarmee je de oorlog wint.

Voor de zusters was het best een stap om hulp van buitenaf toe te laten, vertelt Anita, maar zonder extra handen ging het niet meer. Ze werkt nu zestien jaar in de abdij. Gasten kiezen haar vaak als aanspreekpunt omdat de zusters toch wat intimiderend kunnen zijn. Andersom spreekt zij gasten ook aan als die zich misdragen.

Of dat laatste echt gebeurt, vraagt Charlotte.

‘Toch wel. Dan trekken ze zomaar de kasten open, op zoek naar eten. En er was een keer een Fransman die steeds niet begreep dat hij bij de diensten werd verwacht. Ik spreek geen Frans dus dat was wel een dingetje.’

Heel af en toe meldt zich iemand die overweegt in te treden in het klooster. Daar is Anita niet snel van onder de indruk.

‘Soms zijn het mensen die al met pensioen zijn en denken, daar word ik lekker verzorgd op mijn oude dag. Of je ziet dat ze zich willen afkeren van het gewone leven. Maar het klooster is geen vlucht, het is een roeping.’

Intimiderend of niet, ik heb die dag een gesprek aangevraagd met zuster Hildegard. In de gastenmap staat dat zo’n gesprek een optie is, het verbaast me dat ik de enige van de groep ben die er gebruik van maakt. Therapie is duurder.

Na de middagdienst meld ik me in de bibliotheek, een kleine kamer met een tafel, twee grote boekenkasten en ook hier een crucifix aan de muur.

De planken zijn opgedeeld in categorieën: liturgie, monastiek, mystiek, theologie. Er staan boeken als Word toch katholiek en Wie is die Jezus?.

Jezus

Zuster Hildegard schuift aan. We hebben het over lijden, zowel dat van Jezus als dat van mij.

Ik zeg dat ik met een zekere jaloezie naar de anderen kijk, dat ik Gods nabijheid ook wel zou willen voelen. Vergelijken heeft volgens zuster Hildegard geen zin.

‘We zijn nogal eens geneigd andermans Godsbeleving te overschatten.’

Ze geeft me een advies dat ik atypisch vind voor een zuster. Wat gesloten, misschien.

‘Pas op met wie je praat over zaken die je nauw aan het hart liggen.’

Ik zeg dat ik eigenlijk juist een stuk over mijn tijd hier in de krant wil schrijven.

‘O.’

Na het gesprek voel ik me beter, maar ik schaam me ook. Weer een passant die in de gauwigheid wat wijsheid probeert te peuren uit jarenlange theologische studie. Het zal wel niet zijn hoe een zuster denkt, maar toch.

Wat ook niet helpt is dat Sophie me achteraf vraagt: ‘Leek dat gesprek je goed voor je artikel?’

Judas

Ze bedoelt het vriendelijk, maar ik voel me betrapt. Ben ik hier als toeschouwer of als deelnemer? Waarom moet ik hier per se over schrijven, en wat vinden de anderen daar eigenlijk van? Ik moet denken aan een zin van schrijver Connie Palmen (die als kind overigens non wilde worden): ‘Zodra de schrijver de pen oppakt, is hij een judas.’

Ik probeer afleiding te zoeken in het winkeltje, waar handgemaakte kaarten, kaarsen en beeldjes worden verkocht.

Donna (de grafisch vormgever) is er ook. Ze kijkt naar dobbelstenen met Bijbelse teksten erop. ‘Die heb ik gister niet gezien. Volgens mij zijn ze nieuw.’

Ik vraag hoe ze het tot nu toe vindt. We fluisteren, in de gang wordt stilte op prijs gesteld.

‘Echt geweldig. Het ritme, de diensten, het eten. Ik zou hier nog een maand kunnen blijven.’ Het is aan haar te zien, er hangt een gelukzalige gloed over haar gezicht.

‘Ik weet nu al dat ik jullie ga missen. Alles gaat zo vanzelfsprekend.’

Dan zegt ze, tamelijk uit het niets: ‘God heeft mij van mijn glutenintolerantie genezen.’

Zuster Hildegard

‘Echt?’ Ik denk aan Eva, die van zuster Hildegard bij elke maaltijd een apart pannetje krijgt omdat ze geen gluten mag hebben.

‘Echt.’

Ik wil er meer over horen, maar een van de zusters wenkt ons voor de vespers, het gebed om vijf uur.

Bij de dienst zit ik achter Charlotte en Sam in de kerkbanken. Charlotte heeft jeuk op een moeilijke plek op haar rug, Sam ziet het en neemt het krabben van haar over. Dat is wat het kloosterleven met je doet.

’s Avonds is het warm genoeg om buiten te zitten. Enkele tientallen meters verderop in de gewone wereld joelen enthousiaste kinderen aan één stuk door. De avondvierdaagse, denken we.

We bespreken de dienst na.

‘De zusters zien er allemaal zo sereen uit’, zegt Manon. Het is zo. En toch is er nog niemand van ons die overweegt in te treden.

‘Het lijkt me zo jammer dat je niet op vakantie kunt’, zegt Bente. Op de eerste dag vertelde zuster Hildegard dat ze weleens naar Lourdes had gewild, maar dat het er jammer genoeg nooit van is gekomen.

De lijst van dingen die we zouden missen als zuster wordt steeds langer.

‘De bioscoop.’
‘Of even winkelen.’
‘Terrasjes.’
Seks, denk ik.

Het is duidelijk, de volgende novice zit hier niet in de kring.

Ook beginnen sommigen zich fysiek onrustig te voelen, een klacht die ik niet herken. Anderen hebben zin om hard te lopen. Naomi, die normaal gesproken een groep kinderen in toom houdt, heeft zelfs een paar keer een handstand in haar kamer gedaan om energie kwijt te kunnen.

Epifaan moment

De dagafsluiting bestaat uit het gezamenlijk rond een JBL-boxje luisteren naar een christelijk nummer. Ik sla vandaag over, de fluit en zalvende stem – ‘breng onze onrust tot rust’ – maken me agressief.

Zondag is het behalve onze laatste dag ook Pinksteren. Ofwel de dag waarop we de uitstorting van de Heilige Geest vieren, herinnerde Charlotte me gisteren.

Ik lig in de tuin, die zo ongelofelijk mooi is dat je denkt dat het paradijs al is bereikt. Grote rododendrons, fruitbomen, schapen en drie shetlanders. Het mossige gras ligt zo lekker dat ik dwars door een van de diensten heen slaap.

Tussen slapen en wakker zijn heb ik een epifanie.; buiten de kloostermuren zou ik van een inzicht spreken. Ik denk aan de brief van Paulus aan de Efeziërs, waar we met de groep een stukje uit hebben gelezen. Paulus dringt aan op eenheid: ‘eenheid van de Geest’, eenheid tussen mensen, eenheid in jezelf. Tijdens de bespreking dacht ik, het zal allemaal wel, maar nu begint het me te dagen. Ineens voel ik dat ik niet gespleten ben, niet of deelnemer of toeschouwer, maar heel.

‘God kent je helemaal’, zei zuster Hildegard tijdens ons gesprek.

Ja, denk ik, en zo is het ook nog eens een keer. Ik sta op en loop terug naar het klooster. Daarna heb ik geen moment last meer van mijn dubbelrol.

Onze laatste dienst is een speciale: er komt een priester langs voor de eucharistie, het delen van brood en wijn.

Eindelijk is het tijd voor wat schrijver Gerard Reve met liefdevolle spot de ‘poppenkast’ noemde, en die na al die jaren nog altijd vertrouwd aandoet. Op het altaar branden vier grote kaarsen. De priester loopt zwaaiend met een gouden wierookvat door de kapel, die binnen de kortste keren helemaal blauw staat. Daarna komt hij langs de banken om alle aanwezigen met wijwater te besprenkelen.

Naomi kijkt alsof ze een spook heeft gezien. Ze is opgegroeid in een gereformeerd gezin uit Veenendaal.

Zuster Hildegard is het blijkbaar ook opgevallen, want die vraagt haar na afloop of ze zo haar ‘bedenkingen’ bij het geheel had.

Omdat ik als enige ben gedoopt binnen de katholieke kerk ben ik ook de enige die de hostie mag aannemen. En dat doe ik – niet voor niets al die jaren als kind aan het altaar staan zwoegen.

Donna is licht verontwaardigd. ‘In onze kerk hoef je niet eerst door een hoepel te springen om mee te mogen doen.’

Zij en de anderen krijgen de zegen van de priester.

Oneindigheid

Tijdens de preek over de oneindigheid van het heelal dwalen mijn gedachten af. Ik zit op een natuurlijke high en denk terug aan de afgelopen dagen. Aan het eindeloze geduld waarmee iedereen elkaar sperziebonen opschepte en thee inschonk. Aan Sam, die aanbood rozenkransen voor ons te maken. Aan Charlotte, die een met de hand geschreven gedicht (zes strofes) van Willem Barnard onder mijn kamerdeur schoof. Aan Manon, die me een kaart uit het winkeltje gaf met daarop een Benedictijnse leefregel waarvan ik had gezegd dat die me aansprak. Als ik de Heilige Geest heb gevoeld, dan op dit soort momenten.

Ook neem ik me stellig voor om het advies van zuster Hildegard op te volgen en niks over dit alles te vertellen aan bekenden die er weleens cynisch over zouden kunnen gaan doen.

Nog één keer eten we samen, een feestmaal met boeuf bourguignon en frambozenbavarois toe. Na vier dagen zijn we haast een eigen orde geworden. We kwamen voor de rust, we kregen een vol programma – dat vervolgens toch rust bracht. Misschien omdat elke activiteit, of het nou contemplatief lezen is of de ontbijttafel opruimen, hier met volle aandacht wordt uitgevoerd. Niemand kan beloven dat ze niet meer voor de tv zal eten, maar een les is het wel.

We bidden voor elkaar, voor zuster Hildegard en de andere zusters, dat we veilig thuiskomen en dat we in de toekomst in staat zijn onze telefoon weg te leggen. Daarna krijgen we het duivelse apparaat terug.

Ik geef Donna een lift naar het station van Breda.

‘Zo’, zegt ze als we de kloosterpoort uitrijden, ‘dit is even heftig zeg.’ Als twee pasgeboren baby’s kijken we door de voorruit de wereld in.

Donna leed aan coeliakie, een ongeneeslijke auto-immuunziekte die ervoor zorgt dat het lichaam geen gluten verdraagt en die tot allerlei fysieke klachten kan leiden. Mensen met coeliakie hebben bovendien een verhoogd risico op depressies, ook Donna voelde zich somber.

Het was haar moeder die haar drie jaar geleden vertelde dat er een gebedsgenezer naar een sporthal bij hen in de buurt zou komen. Ze gingen.

Donna mocht naar voren komen en werd opgesteld in een rij met andere zieke mensen. Er kwam een vreemde (niet eens de gebedsgenezer zelf) tegenover haar staan, die haar aankeek en zei: ‘In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, je bent genezen.’ Dat was het.

Spicy McChicken

Daarna gingen ze direct door naar de McDonald’s. Donna bestelde een Spicy McChicken.

En?

‘Niets aan de hand.’

Sindsdien eet ze weer gluten. Bij de jaarlijkse controle zijn haar bloedwaarden keer op keer goed. Ook mentaal gaat het beter.

Haar huisarts heeft ze niet verteld over haar aangepaste dieet. Ze vreest dat hij haar niet zal geloven of haar zal bekritiseren en is simpelweg blij met hoe het nu is.

Voor het station omhelzen we elkaar. Donna schiet vol.

‘Ik weet dat er veel mensen niet genezen en dat vind ik vreselijk. Maar ik heb vroeger zoveel naars meegemaakt... dan ben ik toch blij dat dit me is gegund. God is mooi.’

Het Zij Lacht Kloosterweekend, drie overnachtingen: € 365. Groep van tien vrouwen. Leeftijd (richtlijn): 20 tot 35 jaar.

Dit is een artikel uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next