De vijftigste editie van het jazzfestival had niet beter gevierd kunnen worden dan met dit brede palet. Uitersten volgden elkaar op: van een spetterende Burna Boy tot de emotionele compositie van altsaxofonist Ben van Gelder.
schrijft voor de Volkskrant over popmuziek en jazz.
Als zaterdagavond om half negen de grote Nile op North Sea Jazz, nog niet half vol is, slaat de schrik je toch even om het hart. Zou de organisatie van het dit jaar jubilerende festival zich dan toch vergist hebben door de Amerikaanse popzanger Charlie Puth primetime op het grootste van de zestien podia te programmeren?
Wat doet die tien jaar geleden vooral door tienermeisjes geadoreerde zanger eigenlijk nog hier? Hits heeft hij jaren niet gehad, hoor je de cynicus denken.
Maar Puth zelf maakt aan alle twijfels een einde. Omringd door een stel geweldige muzikanten, met een driekoppig koortje achter hem, opent hij met het stevig funkende Beat Yourself Up. Het ijs is helemaal gebroken als een ploppende bas How Long inzet. De zaal is inmiddels aardig volgelopen. Want zoals dat al decennia gaat op North Sea Jazz: het publiek hoort snel wanneer iets de moeite waard is.
We hebben de grote Nile weleens zien leeglopen als een artiest van naam er weinig van bakt – Jesse Ware, twee jaar geleden. Maar drie liedjes in zijn set krijgt Puth diezelfde zaal op hetzelfde tijdstip juist mee.
Hij lijkt zelf toch ook een tikkeltje verbaasd en doet tussen de soulvolle popliedjes door steeds onnodig veel moeite uit te leggen hoeveel jazz er in zijn liedjes is verwerkt. Dat hij dol is op akkoordprogressies die je alleen in de jazz hoort, en dat het nummer Boy gebaseerd is op een nummer van jazztrompettist Donald Byrd.
Dat heeft wel iets aandoenlijks, alsof hij, de popzanger Charlie Puth, zich voor de jazzpolitie moet verantwoorden. Niet nodig hoor: de dagelijks dertigduizend muziekliefhebbers die zich ook dit jaar weer tijdens North Sea Jazz door de gangen van het Rotterdamse Ahoycomplex begeven, zijn niet vies van een goed doortimmerd popliedje, zeker niet als dat zo voortreffelijk wordt uitgevoerd als door Charlie Puth.
Sinds de eerste editie in Den Haag, vijftig jaar geleden, is North Sea Jazz uitgegroeid tot een driedaags muziekfestijn waar naast jazz ook soul, hiphop, funk, afrobeat en pop een vaste plek hebben gevonden. Natuurlijk is het festival sinds 1976 ook veranderd, maar die toenemende veelzijdigheid aan muzikale kleuren heeft North Sea Jazz eigenlijk alleen maar goed gedaan.
De nog altijd veel gehoorde klacht ‘te weinig jazz en te veel pop’ is inmiddels haast potsierlijk geworden. Al was het maar omdat veel grote hedendaagse artiesten zelf dat onderscheid niet maken. Neem nu de Amerikaanse zangeres Cécile McLorin Salvant, dit jaar als artist in residence verantwoordelijk voor vier verschillende concerten. Vrijdag maakt haar even wendbare als krachtige stem indruk met haar poprepertoire, en zondag zingt ze voor het Metropole Orkest haar favoriete jazz-standards.
Zaterdag kiest ze voor barokmuziek, die ze met evenveel grandeur eigen maakt. Begeleid door luit, fluit en klavecimbel imponeert ze met haar ook klassiek geschoolde stem.
Het zijn dit soort afwijkende klanken waarvoor je ieder jaar naar Rotterdam, waar NSJ sinds 2006 wordt georganiseerd, afreist. Avontuurlijke muziek die, als het even kan, contrasteert met het concert waar je vandaan komt. Zo gaan we zaterdag van de aangrijpende oud-klanken van Anouar Brahem naar de dampende funkset van het Britse Incognito. Dat de wat vlakke pop van hun landgenote Joy Crookes daarna in de voor haar een maatje te grote Maas wat tegenvalt, is jammer. Ze heeft een goede stem, maar niet het repertoire om de indruk weg te nemen dat we hier naar een zoveelste Amy Winehouse-kloon staan te kijken.
Zo zijn er wat meer tegenvallers. Bilal bewees vrijdag ongewild waarom zijn carrière als nu-soulzanger nooit echt van de grond is gekomen. Zijn liedjes zijn gewoon te flets. Hij kon dat oordeel ook niet weerleggen toen hij later op de avond te gast was bij een dampende show van hiphopband The Roots. Een feestelijke afsluiter van de eerste dag, die vooral voor liefhebbers van wat we maar even ‘pure jazz’ noemen veel keuzestress opleverde.
Het trio van Esperanza Spalding trok terecht lange rijen naar de Hudson-zaal. Ze zong prachtig, het samenspel van haar bas met drums en gitaar was nooit voorspelbaar, maar moest je toch ook niet even naar James Brandon Lewis, de nieuwe freejazzheld op tenorsax? Of naar trompettist Wadada Leo Smith die samen met gitarist Mary Halvorson komt improviseren?
Zoveel uitstekende en vernieuwende jazz tegelijk is dit jaar écht een luxeprobleem. Gelukkig dat de keuze voor het septet van vibrafonist Patricia Brennan goed uitpakt. De ongemerkt steeds meer het tempo opvoerende Brennan, het samenspel met haar krachtige blazers en de ritmesectie die alles strak weet te houden – een dag later zindert het optreden nog na. Maar het ontneemt een gevoel van spijt niet dat je de optredens van Yuri Honing (tenorsax) en het sextet van Suzan Veneman (trompet) hebt moeten missen.
Zaterdag is het jazzaanbod opnieuw overweldigend. Mooi, dat rijtje van drie generaties bassisten – Marcus Miller, Thundercat en Flea, de bassist van de Red Hot Chili Peppers, die tegenwoordig ook prima jazztrompet speelt.
Miller doet wat hij beloofd had: een ode brengen aan Miles Davis anno 1982. In dat jaar verscheen het livealbum We Want Miles. In zijn band speelden toen behalve Miller zelf ook gitarist Mike Stern en saxofonist Bill Evans, die er zaterdag ook bij zijn.
Dit livealbum was een hoogtepunt in het latere werk van Davis, maar het idee om de sound van die tijd te herscheppen is aardiger dan de uitwerking.
Aan trompettist Russell Gunn ligt het niet, zijn geluid is herkenbaar Miles en zonder dat hij diens fraseringen imiteert. Het probleem is dat de sound van Miles uit de jaren tachtig gek genoeg veel gedateerder aandoet dan die uit de jaren zestig. Evans noch Stern hebben sindsdien hun werk met Miles kunnen doen vergeten en hun solo’s klinken 45 jaar later stroef en stoffig.
Dus snel naar boven voor het trio van de Braziliaanse pianist Amaro Freitas. Twee jaar geleden maakte hij veel indruk met zijn klaterende akkoorden en onnavolgbare vingervlugheid. Dit jaar kreeg hij de Paul Acket Award, een jaarlijks door NSJ toegekende juryprijs voor een opkomende artiest die meer aandacht verdient.
Freitas is de eerste Braziliaan die de prijs wint, en hij is er trots op. Jammer echter dat hij geen nieuw werk heeft en eigenlijk hetzelfde repertoire speelt als twee jaar geleden, alleen in een twee keer zo grote zaal die nog veel te klein blijkt.
De kracht en snelheid van zijn toetsaanrakingen imponeren opnieuw, maar een beetje gallery play is het wel. Hij moet waken voor een houding van en-dan-nu-met-losse-handjes.
Voorlopig zit niemand daar nog mee. Amaro Freitas heeft er zaterdag ongetwijfeld een publiek mee gewonnen, en dat is mooi voor hem en goed voor de jazzbeleving hier.
Zo zie je ook dit jaar weer dat jazz niet zozeer weggeduwd wordt door pop, maar juist belangrijker wordt in de programmering van North Sea Jazz. De twee mooiste concerten dit weekend kwamen niet alleen van jazzmuzikanten, de initiatieven lagen ook nog eens bij de organisatie.
Zo was er vrijdag de première van de compositieopdracht die Ben van Gelder van NSJ kreeg. Voor de aan de altsaxofonist toegekende vijf kwartier componeerde hij muziek, ingegeven door vijftig jaar North Sea Jazz, de dood van zijn vader Sem en de muziek van Abbey Lincoln.
Drie thema’s die met elkaar verbonden zijn. De onlangs overleden Sem van Gelder was eigenaar van de jazzspeciaalzaak Swingmaster, die vanaf de eerste editie een stand had op North Sea Jazz. Dit was de plek waar een album van Abbey Lincoln vader en moeder Van Gelder aan elkaar koppelde.
Je hoeft het allemaal niet te weten om gegrepen te worden door de troostrijke muziek, met Van Gelder op altsax en dwarsfluit, zoekend naar het hogere, bijgestaan door opzwepende vibrafoonklanken en troostrijke akoestische gitaar met Braziliaanse touch.
Als tot slot zijn broer Gideon de lage registers van zijn vleugel laat donderen, weet je zeker dat je iets bijzonders hebt gehoord.
Eenzelfde ervaring doet zich een dag later voor in de Amazon-zaal, die een half uur voor aanvang van het Brainteaser Orchestra met Pat Metheny al ramvol zit met een paar duizend nieuwsgierigen.
Op papier is het al bijzonder. Het orkest van Tyn Wybenga, dat de muziek van het precies vijftig jaar geleden verschenen album Bright Size Life van Pat Metheny samen met de maker herschept.
Een initiatief van NSJ zelf waar de toch best kieskeurige Metheny enthousiast van werd, zo vertelt hij, want hij is bewonderaar van Wybenga’s orkest.
Je ziet hem dan ook steeds meer genieten van wat hij samen met Wybenga bedacht heeft. Het album wordt integraal uitgevoerd, maar de acht stukken worden verrijkt met grandioze strijk- en blazersarrangementen. De solo’s van saxofonist Kika Sprangers en trombonist Nabou Claerhout zijn vloeiend, en heel fraai is het strijkje dat aan Unity Village voorafgaat. De wonderschone melodielijn van het liedje houdt Metheny nog even verborgen zodat hij nog mooier binnenkomt. Een voortdurend spannend, bij vlagen adembenemend concert, dat voorlopig uniek is, want zie Metheny nog maar eens met dit Brainteaser Orchestra samen te krijgen.
Prachtig ook hoe dit concert, dat zo de diepte ingaat, contrasteert met het optreden van de Nigeriaanse Burna Boy, die de hele wereld wil omarmen.
Het afsluitende optreden zaterdag van de grootste Afrikaanse popster van dit moment biedt een zeldzaam feestelijke cocktail van zang, rap en dans. Veel spetterend koperwerk, een Burna Boy die er zin in heeft en moeiteloos overschakelt van hiphop naar afrobeat laten het publiek in de Nile nog wat meer zweten dan het de afgelopen twee dagen al gedaan heeft.
Zo volgen op North Sea Jazz uitersten in het muziekspectrum elkaar op. Van heel klein en cerebraal, naar opzwepend en fysiek: jazz kan het allemaal zijn en dit weekend is het dat ook. Vijftig jaar North Sea Jazz had niet beter gevierd kunnen worden.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant