In het beste geval vormen de duizenden binnendijken van Nederland een bloemrijk lint met volop bijen, vlinders en andere dieren die het in de landbouwpolders niet of nauwelijks meer redden. In het slechtste geval leeft er nagenoeg niets. Op zoek naar de ideale dijk.
schrijft voor de Volkskrant over natuur, biodiversiteit en landschap.
Het is altijd net weer anders op de dijk. Vandaag, op de Schenkeldijk bij Rhoon, vliegen de oranje zandoogjes, net ontpopt, nog felgekleurd. ‘Mooi, die zijn echt vers’, zegt Linde Slikboer, onderzoeker bij EIS Kenniscentrum Insecten. ‘Gisteren zag ik pas de eerste van dit jaar en nu vijf op dit stukje.’ Even verderop op de dijk nog meer dagvlinders, zoals het icarusblauwtje. Een paar weken geleden vlogen hier tientallen groot dikkopjes, een soort waar het best slecht mee gaat. ‘Hier is het zoals het eigenlijk hoort te zijn. Overal dansende vlinders. Dat beeld zien we bijna nergens meer.’
In het voorjaar liep ze hier tussen bijen, tientallen soorten. ‘In het vroege voorjaar warmen de dijken sneller op dan de omgeving. Dan vliegen er echt duizenden bijen. Soms was het bijna niet bij te houden. Dan ving ik er een met mijn vangnet om te determineren, maar om me heen vlogen nog veel meer bijen.’
Slikboer kent deze zogeheten slaperdijk, een binnendijk die geen directe waterkerende functie meer heeft, op haar duimpje. Hier ontdekte ze in 2017 een uitgestorven gewaande bijensoort, de kraagbloedbij. Het jaar erna vonden andere onderzoekers op deze dijk een snuitkever en een kaphooiwagen (een spinachtige) die nooit eerder in Zuid-Holland waren gezien. Er werden soorten waargenomen die je doorgaans alleen vindt in de Zuid-Limburgse kalkgraslanden.
De ontdekkingen wekten interesse in de faunarijkdom op binnendijken, die eigenlijk nooit goed was bekeken. Dat resulteerde in een onderzoek, Rijke dijken van de Delta, waarin 51 binnendijken in Zuid-Holland, Zeeland en Brabant gedurende twee jaar werden geïnventariseerd, met de focus op bijen, dagvlinders en sprinkhanen. Slikboer deed de tellingen samen met Niels Godijn, van Kenniscentrum Akkervogels Grauwe Kiekendief. De uitkomsten waren tamelijk spectaculair. Niet alleen was het volume van de aangetroffen soorten relatief groot (gemiddeld 1.500 bijen en 200 dagvlinders per hectare), maar ook het aantal soorten. Onder de 130 soorten bijen waren 18 zeldzame soorten. Vooral opvallend was de grote soortenrijkdom vergeleken met andere habitats. Ook voor veel dagvlinders bleken de dijken in grootschalig agrarisch landschap een toevluchtsoord, de enige plek waar ze voorkwamen. Slikboer: ‘Zelfs als je de tellingen vergelijkt met die in bloemrijke akkerranden, die er toch ook zijn voor de biodiversiteit, zijn de verschillen absurd groot.’
Sommige dijken, waaronder deze Schenkeldijk, waren zo soortenrijk dat je ze eigenlijk zou moeten beschermen, zegt Slikboer. ‘Dijken hebben geen enkele natuurstatus, ze vallen een beetje tussen wal en schip. Dat heeft ook voordelen, maar soms zou bescherming ook wel helpen.’ Meer in het algemeen zijn er vooral veel kansen, meent Slikboer. ‘Want in Nederland liggen duizenden kilometers aan dit soort binnendijken. Als je die optimaal gaat beheren kan dat veel opleveren.’
Vandaag inventariseert Slikboer een dijkvak van 250 meter, onderverdeeld in de kruin, het talud en de teen, van boven naar beneden. Op de dijk staat rode klaver in bloei, en streepzaad en duizendblad. Er zijn verschillende grassoorten en wat open plekken. Ze heeft al snel een grasbij in haar vangnet, dan een kortsprietwespbij en een dikkopbloedbij. De dikkopbloedbij is een ‘koekoeksbij’ die zelf geen nest maakt, maar haar eieren in het nest van de grasbij legt. De larven eten van het voedsel dat de grasbij, de ‘waardbij’, aanbrengt. ‘We vinden relatief veel koekoeksbijen op de dijken. Dat duidt erop dat er al langere tijd stabiele populaties zijn van de waardbijen. Koekoeksbijen vestigen zich pas later.’
Verklaringen voor de relatieve soortenrijkdom op (veel) dijken zijn snel gevonden. Dijken zijn, vanwege de helling, relatief warm en droog, ze liggen er al lang in relatieve rust en vormen zo een stabiele factor in dynamische polders waar de grond voortdurend wordt bewerkt of bespoten. De soortenrijke dijken zijn gevarieerd in begroeiing en structuur, worden niet of niet zwaar bemest en hebben soms kale plekken die volop nestgelegenheid bieden voor bijen. De lijnvormige structuur en de lengte bieden veel insecten en andere dieren bovendien de kans zich relatief veilig te verplaatsen, ze vormen in het beste geval ook een verbinding met weer andere dijken.
Maar wat ook bleek: er zijn grote verschillen tussen de dijken. Slikboer: ‘De vraag was dus: wat maakt dat de ene dijk veel rijker is dan de andere? En vervolgens: met welk beheer krijg je een rijkere dijk?’
Die vraag leidde tot een tweede onderzoek, dat nog altijd loopt. Inmiddels zijn op 200 dijken insectentellingen gedaan, in genoemde provincies maar ook elders in Nederland. Tegelijkertijd werden de eigenschappen van de dijken in kaart gebracht. Variatie bleek, zoals de onderzoekers al vermoedden, het sleutelwoord. ‘Een reliëfrijke bodem, wat open plekken, verschillende vegetatiehoogtes, een enkele struik.’
Deze Schenkeldijk, waar Slikboer min of meer per toeval – ze woont in de buurt – de uitgestorven gewaande kraagbloedbij vond, bleef overeind als een van de rijkste dijken. Dat valt, in ieder geval deels, te verklaren. ‘Deze dijk wordt vertroeteld door het waterschap. Omdat hier zeldzame soorten zijn gevonden koesteren ze deze dijk. Er wordt gefaseerd gemaaid en de dijk wordt al lang niet bemest. Her en der blijven wat struiken staan.’ Maar het heeft, meent Slikboer, ook te maken met de populieren die hier staan, even onder de kruin van het talud. ‘De populieren onttrekken voedingsstoffen aan de bodem. Daardoor ontstaan er ook wat kalere plekken. Die plekken zijn warm. Ideaal voor veel bijensoorten, die uitgesproken warmteminnend zijn. Ze nestelen in het dijktalud.’
Ze wil nog een tweede dijk laten zien, even verderop, de Molenpolderse Zeedijk. Een iets andere aanblik, ook bloemrijk, maar met wat meer open plekken. En er graast een groepje koeien. ‘Hier komt ook een zeldzame soort voor, de zwarte bloedbij, die verder alleen in Zuid-Limburg is te vinden. Hij parasiteert op een algemene groefbij. Maar dat doet hij alleen als de nesten zich in steilwandjes bevinden. En die zie je hier. Dat is het werk van de koeien. Die trappen stukjes van het talud weg.’
In het huidige onderzoek vergeleken Slikboer en Godijn verschillende manieren om dijken te beheren. Ook werd sommige boeren (die de dijken vaak pachten van waterschappen) gevraagd om het beheer aan te passen, om te kijken wat dat zou opleveren. Wat al snel duidelijk was, is dat intensief maaien of begrazen slecht is voor de soortenrijkdom. ‘Als je alles een paar keer per jaar wegmaait, krijgen insecten geen kans. En als het maaisel na het klepelen blijft liggen, wordt de dijk te voedselrijk. Ook intensieve begrazing is slecht, dan hou je geen bloemen over. Het andere uiterste, het verwaarlozen of laten verwilderen van een dijk, werkt ook niet. Dan groeit alles dicht en wordt de dijk te donker en te vochtig.’
Wat is dan wel de ideale manier? Gefaseerd (dus niet alles tegelijk) maaien en afvoeren van het maaisel, wordt vaak gedacht, maar de onderzoekers kwamen tot een andere conclusie. Slikboer: ‘Met gefaseerd maaien krijg je misschien wel meer kruiden, maar veel rupsen overwinteren in die vegetatie en als je gaat maaien zijn die weg. Het belang van het verschralen van de bodem voor kruiden blijkt ook overschat op dijken. Bovendien krijg je met maaien geen microreliëf. Je krijgt een mooie egale bloemendijk, maar voor insecten is dat toch minder interessant.’
Zo kwamen de onderzoekers tot de conclusie, na het vergelijken van de verschillende dijken: de rijkste dijken zijn licht begraasde dijken. In jargon: extensief begraasde dijken. Slikboer: ‘Of het nu een paar koeien zijn, of schapen, dat maakt niet zoveel uit. We hebben zelfs goede resultaten gezien met alpaca’s.’
Dat is niet zo gek, als je er even over nadenkt, meent Slikboer. ‘Een koe graast hier eens wat weg, slaat een stukje over, en dan graast hij weer even verderop een stukje weg. Zo ontstaat variatie. Daar kan geen gefaseerd maaien tegenop.’ De natuur is ook ingesteld op begrazing, zegt ze. Ze wijst op een plantje op de dijk, knopig doornzaad. ‘Die stekeltjes aan de zaden zijn speciaal ontworpen om in de vacht of aan de poten van dieren te blijven hangen. Zo worden de zaden verspreid. Aan een maaibalk blijven deze zaden niet hangen.’ Andere planten hebben een andere strategie: ze smaken vies op het moment dat ertoe doet, als ze in bloei schieten en zaad zetten. ‘Zo worden ze niet opgegeten door vee.’
Slikboer ziet het wel voor zich, dat al die duizenden kilometers aan binnendijken zo een refugium worden voor al die insecten en andere dieren die zich in de landbouwpolders zelf niet meer redden. En zo ingewikkeld hoeft het niet te zijn, meent ze. ‘Het grote voordeel is dat boeren er geen productiegrond voor hoeven op te geven. Ze hebben er iets aan, want veel van deze insecten helpen bij de bestuiving en bij de plaagbestrijding.’ En het beeld van bloemrijke linten in het landschap met dansende vlinders erboven, dat heeft natuurlijk wel wat. We kijken nog eens om ons heen, volgen een steenhommel en zien het groepje koeien dichterbij komen. ‘Sinds een paar jaar wordt hier geen kunstmest meer gebruikt, ook dat draagt bij aan de bloemenrijkdom. Hier is het eigenlijk per toeval goed gegaan. Het zou zo mooi zijn als dat op veel meer plekken kan. Daar profiteert eigenlijk iedereen van, mens en dier.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant