Ida Praaning-Roelvink is 100 jaar. In haar eerste baan als 14-jarige werd ze ontslagen omdat de chef haar te brutaal vond.
Ida Praaning-Roelvink zit er behaaglijk bij in haar appartement met airconditioning. De tropische hitte buiten lijkt ver weg. De zelfstandig wonende 100-jarige wordt in de watten gelegd door haar kinderen; ze zit geen dag alleen thuis. Zelf heeft ze altijd voor haar ouders gezorgd, die bij haar gezin in huis woonden.
Wat vindt u de beste uitvinding van de afgelopen honderd jaar?
‘De telefoon. Daardoor kan ik elke dag 1 à 1,5 uur bellen met mijn 92-jarige zusje. En elektriciteit. ‘Hè, de melk is weer bedorven’, hoor ik mijn moeder nog zeggen in de zomer. Koelkasten waren er nog niet, zuivel kon je dus niet lang bewaren. Elke dag kwam de melkboer langs. Met een maatbeker vulde hij onze melkkan. ‘Eerst koken hè, voordat je het gaat drinken’, zei mijn vader altijd, want de melkboer had vuile nagels en zat ook nog met zijn vingers in de melk. Zo rond 1960 kocht ik mijn eerste koelkast. Bij Albert Heijn kon je zegels sparen die korting gaven op luxe-artikelen. Mijn man en ik spaarden voor een koelkast, wat waren we daar gelukkig mee. Zo verdween de melkboer uit het straatbeeld.’
Lijkt u meer op uw vader of op uw moeder?
‘Op mijn moeder. Mijn vader was streng en heel gelovig, dat was mijn moeder minder. Van mijn vader mochten we alleen met katholieke kinderen spelen en met een katholiek trouwen. Hij ging elke ochtend om 7 uur naar de kerk en wij kinderen – een zevental – moesten dan mee. Daar hadden we niet altijd zin in. Als het mooi weer was, wilden we liever zwemmen in de Vecht. We trokken badkleding aan onder onze kleding, liepen achter onze vader aan naar de kerk, en terwijl hij naar binnenliep, gingen wij er gauw vandoor. Hij keek toch nooit om. Na afloop van de mis stonden we bij de uitgang op hem te wachten. Hij zag niet eens dat onze haren nat waren. We vertelden onze moeder over onze streek, ze begreep het wel.’
Hoe kijkt u terug op uw jeugd?
‘Ik ben opgegroeid in een fijn gezin, we waren heel hecht en stonden altijd voor elkaar klaar. Ik was het zesde kind. In Weesp, waar ik ben geboren, waren gezinnen van veertien, zestien kinderen heel normaal. Mijn moeder had negen kinderen gebaard, en verloor er twee. Een kind werd doodgeboren, het andere stierf in 1940 als dienstplichtig militair.
‘Mijn vader was hoofdvertegenwoordiger van een sigarenfabriek en ging het hele land door met de trein. Hij was zelf de beste roker, thuis zat hij altijd in de mist. In de crisisjaren dertig raakte hij werkloos – de sigaret kwam op en was goedkoper, de sigarenverkoop liep terug. Mijn vader kwam nooit meer aan het werk, hij werd afgekeurd, hij was diabetespatiënt. Dat betekende geen roomboter en wit brood meer in huis en dat wij kinderen voor inkomsten moesten zorgen.
‘Op mijn 14de ging ik werken als verkoopster bij C&A in Amsterdam, vijfeneenhalve dag per week, voor 24 gulden per maand en een treinabonnement. Ik werd ontslagen omdat de cheffin mij brutaal vond. Het was winter toen ik aan het eind van een werkdag op het punt stond naar het station te lopen om de trein naar Weesp te halen. De cheffin stond te praten met de zoon van de directeur en vroeg mij hem naar de eerste etage te brengen. ‘Dat doe ik niet’, zei ik, ‘want dan mis ik de trein en moet ik een uur wachten in de kou.’ Het hoofd personeelszaken zei de volgende dag dat hij mij helaas moest ontslaan, omdat je een verzoek van de cheffin niet mag weigeren. Ik vond snel een andere baan op het distributiekantoor; dat verdiende nog beter ook.’
Welke gebeurtenis in uw jeugd is van grote invloed geweest op u?
‘Mijn moeder heeft dertien jaar op bed gelegen, vanaf mijn 13de. Het kwam door een fout van de huisarts. Ze kreeg pijn in haar rug en heupen. De dokter zei: ‘Gaat u eerst zes weken op bed liggen.’ Daarna kon ze niet meer lopen, ze was helemaal verstijfd. Ze kreeg pijnbestrijding. Elke dag kwam een wijkverpleegkundige om haar te verzorgen. Wij kinderen deden het huishouden. We hadden een rooster wie de aardappelen schilde, kookte en de afwas deed.
‘En toch was het gemoedelijk bij ons thuis. Mijn moeder klaagde niet. Na dertien jaar kwam ze in contact met een arts die in Amerika had gestudeerd en zei dat ze in beweging moest komen. Dat ging voetje voor voetje, met vreselijke pijnen.’
Sloeg u, zoals uw vader wilde, een katholieke geliefde aan de haak?
(Lachend:) ‘Nee, een moslim. Ik ontmoette Ad op de luchtmachtbasis in Weesp, waar ik werkte als secretaresse van de commandant. In de avonduren had ik aan de handelsschool typen en steno geleerd. Het was een leuke tijd, met veel feestjes. Met nog één collega waren we de enige vrouwen, we hadden veel bekijks. Voor weer zo’n feestavond vroeg Ad Praaning, de enige volbloed Indonesiër op de luchtmachtbasis, of hij mij thuis mocht ophalen. Ik zei gekscherend dat in Nederland een man een bos bloemen moet meenemen als hij een vrouw ophaalt. Om 19 uur stond hij voor de deur met een groot boeket. Ad zei na afloop van de avond dat hij van mij hield en vroeg of we een afspraakje konden maken. ‘Over een jaar weet ik het’, antwoordde ik, ‘want ik ben verliefd op iemand anders.’ Dat was Cas, een getrouwde collega. Ik wilde eerlijk zijn tegen Ad; dan weet je wat je aan elkaar hebt.
‘Maanden later had ik weer een afspraak met Cas, om 18 uur op Utrecht Centraal Station. Toen hij mij zag, liep hij snel naar mij toe, op het perron een paar oudere dames opzij duwend. Daar knapte ik meteen op af en dacht: ‘Ad zou zoiets nooit doen, die is heel lief.’ Ik zei meteen tegen Cas: ‘Om 20 uur moet ik de trein hebben naar mijn zus.’ Hij zei dat hij een hotelkamer voor ons had gereserveerd. Kennelijk had hij een heerlijk avondje bedacht met mij in het hotel. Ik ben meteen weggegaan en naar Ad gereisd, die in een pension in Soesterberg woonde, en zei: ‘Ik weet nu dat ik van je hou.’ Vanaf dat moment was het aan. Ik was 26; vier jaar later trouwden we – eerder wilde ik niet, want dan zou ik mijn baan zijn kwijtgeraakt. En Ad moest eerst nog katholiek worden.’
Hoe reageerde uw vader?
‘Mijn ouders hebben er nooit iets over gezegd dat ik met een man van kleur thuis kwam die moslim was. Mijn familie was meteen dol op hem. Hoe ze er in Weesp over dachten, kreeg ik via via te horen. ‘Wat erg voor je ouders’, zei iemand tegen mijn zusje. ‘Wat bedoelt u?’, vroeg ze. ‘Ik bedoel die nikker.’ Anderen zeiden: ‘Er zijn toch genoeg leuke jongens in Weesp, waarom kiest ze een zwarte?’ Zelf zag ik helemaal niet dat hij een bruine huid had. Ik zag Ad.
‘Zodra we kinderen kregen, trokken we veel bekijks in het dorp. ‘Ze is wel bruin, hè’, hoorde ik als een voorbijganger in de kinderwagen keek. ‘Ja, leuk, hè!’, reageerde ik. Of die keer dat ik met onze vier kinderen onderweg was en iemand opmerkte: ‘Tsjonge, allemaal geadopteerd?’ Nooit werd ik boos om zulke opmerkingen, de mensen wisten niet beter.’
Welke beslissing heeft een grote impact op uw leven gehad?
‘Kiezen voor Ad, we hadden een heel gelukkig huwelijk. En het besluit om mijn ouders in huis te nemen. De eerste jaren van ons huwelijk woonden we bij hen in, vanwege de woningnood en omdat ze veel zorg nodig hadden. Onze kinderen zijn er geboren. Zodra we een eigen huis konden huren in Weesp, stelde ik Ad voor mijn ouders mee te laten verhuizen. Dat vond hij geen enkel probleem; in Indonesië is het heel gewoon om voor je ouders te zorgen. Het was wel enorm zwaar, naast de opvoeding van vier kinderen. Ik heb er geen spijt van, maar ik zou het mijn eigen kinderen niet willen aandoen.
‘Ad was een enorme lieverd, na zijn werk deden we samen de was, hij haalde alles door de wringer en streek de luiers. Met zijn achtergrond was dat heel bijzonder, want hij was in Indonesië opgegroeid met bedienden in huis.
‘Mijn moeder stierf als eerste, op haar 70ste. Mijn vader overleed drie jaar later in het ziekenhuis, waar op dat moment ook mijn jongste zoon Philip-Paul lag. Hij stierf na drie weken aan longkanker, 7 jaar oud. Hij kwam niet uit de narcose van een operatie en lag te sterven op een zaal met dertig joelende kinderen. ‘Smoel houden!’, riep de arts, waarna hij om een aparte kamer vroeg, maar die was er niet. ‘In de badkamer is ruimte’, riep hij. ‘Die wordt verbouwd voor prinses Beatrix, die haar eerste kind verwacht’, zei een verpleegkundige. In dit rumoer hebben we afscheid van onze zoon moeten nemen.’
Hoe bent u omgegaan met alle verlies?
‘Ik heb heel wat afgehuild, als de andere drie kinderen op school waren. Na Ads dood op zijn 72ste praatte ik nog een tijd tegen hem: ‘Ad, ik ga nu naar Amsterdam, hoor.’
‘Het is belangrijk om niet te blijven hangen in je verdriet, dan wordt het alleen maar erger en het is niet leuk voor je naasten. Je moet verder. Ik denk vooral aan de mooie tijd die ik heb gehad. Ik weet dat ik heb geboft met mijn huwelijk en de goede band met mijn kinderen, omdat ik weet dat het ook anders kan.’
geboren: 27 mei 1926 in Weesp
woont: zelfstandig, in Amsterdam
familie: nog 1 zus (92), vier kinderen (van wie 1 overleden), 6 kleinkinderen, 2 achterkleinkinderen
weduwe sinds 1993
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant