Missie Afghanistan Landen in oorlog moeten niet alleen zelf het humanitair oorlogsrecht naleven, maar ook zorgen dat andere landen dit doen. De vraag is of Nederland genoeg gedaan heeft om misstanden in Afghanistan op te sporen en uit te zoeken. Twee experts oorlogsrecht vinden van niet. „Iedereen heeft het recht om niet vermist te zijn.”
Bewegwijzering op Kamp Holland in Uruzgan, Afghanistan.
Het humanitair oorlogsrecht is er niet alleen om burgers, maar ook om militairen te beschermen. Zodat ze niet worden aangevallen als ze gewond zijn. Of zodat ze in gevangenschap worden beschermd. Het oorlogsrecht zorgt er ook voor „dat militairen niet in de positie komen dat ze onnodig en illegaal leed bij burgers veroorzaken”, zegt Marieke de Hoon, hoogleraar Internationaal strafrecht aan de Universiteit van Amsterdam. Als ze „onnodig wrede acties uitoefenen tegen andere mensen, dan dragen zij de morele last daarvan gewoonlijk de rest van hun leven met zich mee”.
Nederland onderschrijft dan ook de verplichtingen van het humanitair oorlogsrecht, die zijn vastgelegd in de Verdragen van Genève. De vraag is nu in hoeverre Nederland aan die verplichtingen heeft voldaan tijdens de missies in Afghanistan (2001-2021) toen militairen melding maakten van mogelijke oorlogsmisdrijven door bondgenoten van Nederland. Bij een zoektocht door de eigen Afghanistan-archieven heeft Defensie 28 rapporten gevonden met daarin informatie over mogelijke oorlogsmisdaden door militairen uit landen waarmee Nederland indertijd samenwerkte. Er zijn geen aanwijzingen, benadrukt het ministerie van Defensie, voor mogelijke oorlogsmisdrijven door Nederlandse militairen.
Landen in oorlog moeten niet alleen zelf het humanitair oorlogsrecht naleven, maar ook zorgen dat andere landen dit doen. „Bij meldingen over andere landen betekent dit over het algemeen dat deze landen op de vermeende schendingen van het humanitair oorlogsrecht dienen te worden gewezen”, schrijft Defensie. Daarom heeft Nederland 14 van de 28 rapporten nu doorgestuurd naar twee niet bij naam genoemde bondgenoten. De overige rapporten zijn niet gedeeld omdat Nederland geen betrekkingen onderhoudt met het land of omdat er geen nationaliteit bekend was.
Wat er tijdens de oorlog is gebeurd met de meldingen, heeft Defensie niet onderzocht. Bij vermoedens van oorlogsmisdaden moeten landen onderzoek doen, maar geldt dat ook voor mogelijke schendingen door bondgenoten? Dat hangt onder meer af van de vraag of Nederland in staat was onderzoek te doen, zegt advocaat Liesbeth Zegveld, hoogleraar Oorlogsrechtsherstel aan de Universiteit van Amsterdam.
Het antwoord op die vraag is ja, denkt Zegveld. Tijdens de missie in de Afghaanse provincie Uruzgan (2006-2010) had Nederland bijvoorbeeld de leiding, samen met Australië. Daar komt bij dat Nederland op een zeker moment de beschikking had over de rapporten met meldingen, zegt Zegveld: „Die had Nederland moeten veiligstellen en moeten overdragen aan de Afghaanse regering, de betrokken landen en de NAVO.” De missie had plaats onder de vlag van het NAVO-bondgenootschap.
In werkelijkheid raakten de rapporten kwijt. Ze werden pas teruggevonden na een publicatie in NRC over de dood van een Afghaanse man. De man werd in 2010 opgepakt, omdat hij als bommenmaker van de Taliban verantwoordelijk zou zijn voor het omkomen van twee Nederlandse mariniers. Nederlandse inlichtingenofficieren verhoorden hem, controleerden het bewijs en concludeerden dat de man een onschuldige boer was met toevallig dezelfde naam als de gezochte bommenmaker. Nadat de man was vrijgelaten, werd hij alsnog gedood door Australische militairen.
De inlichtingenofficieren maakten hierover een Special Report, waar niets mee gebeurde. Tien jaar later werd Defensie geattendeerd op het bestaan van dit rapport met informatie over een mogelijke oorlogsmisdaad. Pas na de publicatie hierover ging Defensie het rapport zoeken, lange tijd tevergeefs. Uiteindelijk dook het rapport in 2024 met een kleine zeshonderd andere oude rapporten op in de archieven, waaronder ook de bijna dertig rapporten over mogelijke schendingen.
Over de dood van de Afghaanse man concludeert Defensie nu dat er geen sprake is geweest van een oorlogsmisdaad. Of de man een onschuldige boer was of een bommenmaker, weet Defensie niet, want dat is niet onderzocht. „Een voor Defensie heel typerend antwoord”, vindt Zegveld: „Het is staande praktijk van Nederland om niet uit te zoeken of personen die door jou toedoen of onder jouw medeverantwoordelijkheid zijn gedood, burger of militair waren.”
Als voorbeeld noemt Zegveld de slag om Chora in 2007, toen Nederlandse militairen een dorp met die naam onder vuur namen. ”Er zouden talloze Taliban zijn omgebracht. Minimaal tachtig 80 burgers kwamen om het leven. Maar na afloop werd niets gerapporteerd over wie precies was gedood.” Bij het bombardement op Hawija in Irak werden tientallen burgers gedood, maar Defensie heeft nooit uitgezocht hoeveel mensen precies – en om wie het ging.
Zegveld, die over Chora en Hawija rechtszaken voert tegen de Nederlandse staat, heeft eerder al eens gepleit voor het registreren van „iedereen die om het leven is gekomen door jouw toedoen, of onder jouw medeverantwoordelijkheid”, zegt Zegveld. „Iedereen heeft het recht om niet vermist te zijn.” De familie van de gedode Afghaanse man bijvoorbeeld moet volgens Zegveld weten wat er met hem is gebeurd: „En waar zijn lichaam is gebleven.”
Als de man inderdaad onschuldig was, zegt Zegveld, moeten zijn „eer en goede naam” worden hersteld. Want „de zweem van de Taliban kan de familie in de lokale gemeenschap grote schade berokkenen”. Nederland zou net als de VS procedures moeten hebben voor zogeheten betalingen uit welwillendheid aan de families van gedode burgers.
In het geval van de Afghaanse man had Nederland volgens Zegveld bovendien voldoende aanknopingspunten om een onderzoek in gang te zetten. „In Uruzgan had Nederland de gezamenlijke verantwoordelijkheid over een gebied en over de mensen die daar wonen”, zegt ze. „Bovendien had je dat rapport over zijn dood al.” De praktijk leert dat Nederland zulke onderzoeken eigenlijk nooit doet, zegt Zegveld: „We doen maar wat.”
De Hoon ziet nog een andere reden waarom onderzoek belangrijk is. Als Defensie niets met meldingen van oorlogsmisdaden doet, of de indruk wekt dat meldingen onwenselijk zijn, zullen militairen minder geneigd zijn om die te melden. Met „betere werkprocessen” zullen militairen juist worden aangemoedigd om wel te melden. Met die meldingen moet zorgvuldig worden omgegaan, zegt zij, in de zin „dat tijdig en adequaat onderzoek wordt ingesteld wanneer daar reden voor is.”