Er was eens een mooie jonge vrouw, oorspronkelijk geboren in Somalië, maar uiteindelijk beland in Kenia. Zij kon lezen noch schrijven. In 1975 werd zij ontdekt door de Amerikaanse fotograaf Peter Beard, terwijl zij bezig was haar geiten te hoeden in de wildernis. Beard was gefascineerd door het natuurleven van Afrika. Veel ontzagwekkende olifanten.
Met zijn kennersoog zag hij meteen de glamourpotentie van deze diepbruine vrouw die geen woord Engels sprak. Lange ledematen, fantastische jukbeenderen. Een paar maanden later werd deze praktisch ongeletterde vrouw een topmodel, de muze van modeontwerper Yves Saint Laurent. Haar carrière als model, actrice en zakenvrouw besloeg twee, drie decennia.
Dit was Beards verkooppraatje. In werkelijkheid was Iman Mohamed Adulmajid de dochter van de Somalische ambassadeur in Egypte, haar moeder was gynaecoloog. Ze bracht haar middelbareschooljaren door in Egypte, en vertrok naar Nairobi om daar politicologie te studeren. Zij sprak Arabisch, Somalisch, Engels, Frans en Italiaans. Van geiten wist ze hoegenaamd niets. Iman was in 1975 een opvallende jonge vrouw, upperclass, hoogopgeleid, en wereldwijs. En die modellenkwaliteiten had ze óók, waarmee ze lang alle covers van de grote modebladen domineerde.
Het verschil met die andere zwarte superster, onderwijssocioloog Jason Arday, wiens benoeming tot hoogleraar, zoals deze krant schreef, „de droom van Cambridge” was, is dat hij zijn exportverhaal zélf de wereld in heeft geholpen. Model Iman heeft het geitenhoedsterverhaal bij haar eerste persconferentie in Amerika gelaten over zich heen laten komen, omdat zij geld nodig had om Somalische familieleden naar de Verenigde Staten te halen. Maar snel daarna ontleedde ze de verzinsels van het meisje met de kruik op het hoofd en de geiten als „racistisch”. En ook zonder de dramatisch aangezette exotica bleef zij voor de mode-industrie interessant genoeg.
Het verhaal van Jason Arday, een zoon van Ghanese immigranten in Londen die op zijn 37ste hoogleraar werd aan Cambridge, is dubbelzinniger. Naar eigen zeggen sprak hij niet tot aan zijn elfde jaar en leerde hij pas goed lezen en schrijven rond zijn achttiende – gevolg van autisme en dyslexie – om vervolgens op zijn dertigste te promoveren en daarna aan een glansrijke carrière te beginnen aan die Britse topuniversiteit.
Arday liet het niet bij zijn academische verdiensten. Hij zou dertig marathons hebben gelopen in 35 dagen. Had vijf miljoen pond opgehaald voor goede doelen. Was gasthoogleraar geweest in de VS en Zuid-Afrika. En werd, alweer naar eigen zeggen, tweemaal bedreigd door een gemaskerde man, kreeg kogelbrieven opgestuurd, en vond een varkenskop bij zijn ouderlijke huis in Zuid-Londen.
Al die verklaringen van Arday konden maar op één ding wijzen: deze bovenmatig getalenteerde zwarte academicus werd door racisten kapotgemaakt.
Ongetwijfeld hebben tegenstanders van Arday uit racistische motieven alles op alles gezet om de man op leugens, plagiaat en grootspraak te betrappen. Het vervelende is dat ze, ondanks die twijfelachtige beweegredenen, in een aantal gevallen gelijk hadden. Arday pleegde plagiaat. Hij had gelogen over een aantal gasthoogleraarschappen, over zijn autobiografie. En op 5 augustus nam hij ontslag, van datzelfde Cambridge dat hem een paar jaar ervoor met grote gretigheid had binnengehaald als de hoofdprijs van diversiteit en inclusie.
Zoals fotograaf Beard precies wist hoe hij die onbekende, Somalische Iman in New York moest verkopen, zo wist Arday hoe hij dat met zichzelf kon doen. Daarbij zal hebben meegespeeld dat mensen, juist in de academische wereld, het sprookje ‘van autistisch migrantenkind tot jongste zwarte hoogleraar ooit’ maar al te gretig wilden geloven. Redacteur van The Guardian Jason Okundaye stelde dat Cambridge medeschuldig is aan het debacle, omdat de instelling Arday „niet heeft behandeld als wetenschapper maar als mascotte”.
Topmodel Iman had de kracht en de klasse om de verzinsels zelf te ontkrachten. Jason Arday heeft ongetwijfeld veel academische prestaties geleverd, maar moet hebben geweten dat zijn gefabuleerde verhalen de doorslag gaven. De zwarte man die wist dat hij éxtra goed moest zijn. Hij werd een boegbeeld, wilde dat ook zijn – en nu is zijn schip gezonken. Dat is niet het gevolg van racisme, dat heeft Arday aan zichzelf te wijten.
Dit is wél racisme: dat dit verhaal niet alleen Arday als een boemerang treft, maar potentieel ook willekeurige andere zwarte academici op hoge posities.