In Washington D.C. stonden op straathoeken en metrostations plukjes soldaten van de National Guard. Een enkele soldaat zwaaide naar mijn zoon.
‘Wie zijn dat?’ vroeg hij.
‘Soldaten’, antwoordde ik, ‘reservisten.’
‘Waarom lummelen ze?’
De gekste woorden komen uit hem. Onlangs speelde hij voor heks en had hij het over ‘dwergenmerg’. Soms kijkt hij naar filmpjes op YouTube. Dat hij daar het woord ‘dwergenmerg’ oppikte blijft me verbazen.
Ik antwoordde: ‘Die soldaten lummelen voor de veiligheid van de inwoners van Washington.’
Daar nam hij genoegen mee.
Vervreemdend was het wel: een lege hoofdstad, lummelende soldaten, leuzen op ministeries (‘American Workers First’). Hoewel ik nooit in Moskou ten tijde van de Sovjet-Unie ben geweest, vond ik die leuzen op overheidsgebouwen Sovjetesk.
Van Washington reisden we via New York naar Point Lookout op Long Island.
Hier geen soldaten van de National Guard, maar het gebruikelijke strandpubliek van alle leeftijden. We brachten halve dagen door op het strand en hoewel ik tassen vol speelgoed bij me had, was hij vooral geïntrigeerd door de parasol die de hele tijd omverwaaide.
‘Papa is niet altijd een praktisch mens’, zei ik voorzichtig.
Hij riep terug: ‘We moeten beter verstevigen.’ En dan rende hij weer naar zee met een emmer.
Hij zag het falen van de vader als een spel, dat heb ik maar zo gelaten. De jongen was gelukkig.
Ik las dat Peter Faber dood was en herinnerde me hoe Faber een tijd de gewoonte had zijn zoons Daan en Jesse in een Amerikaanse slee van de Amsterdamse Montessori School te halen. Een keer stapte mijn vader uit die slee.
Vermoedelijk had Peter niet meer gewild dan de autoloze vader van een klasgenoot van zijn zoon een lift te geven, maar het beeld is mij jarenlang blijven achtervolgen.
In de avonden schreef ik.
Zo ging augustus voorbij.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant