Het roemruchte Kunstenfestival Watou in West-Vlaanderen maakt een doorstart. Voor het eerst spelen de dorpelingen ook een rol: ze vormen de Gemene Raad. ‘Mooi dat we naast de kunstenaars met een grote K mogen meedoen.’
is kunstverslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft over kunstpolitiek en subsidiebeleid.
Het waait flink over het vlakke land als de Gemene Raad van Watou bijeenkomt. De dorpsbewoners groeten elkaar kort en schuiven snel aan rond de vergadertafels die onder het hoge, kunstig gewelfde canvasdoek van het festivalpaviljoen zijn neergezet.
Samen zijn ze aan iets avontuurlijks begonnen, iets nieuws, waardoor het Kunstenfestival dieper in de dorpsgemeenschap kan wortelen. Want het West-Vlaamse dorp Watou, gelegen aan de Belgisch-Franse grens, mag dan in veertig jaar naam hebben gemaakt met internationale zomertentoonstellingen van eigentijdse kunst en poëzie, de Watounaars zelf stonden niet eerder op het programma.
Aangeschoven is Jan, de dorpschroniqueur die speciale afdrukken van oude festivalfoto’s heeft meegenomen. Stien is er ook, van het Tapijt van Watou in wording, waarop dorpelingen betekenisvolle momenten uit de dorpsgeschiedenis kunnen uitbeelden. (‘Naar het voorbeeld van het Tapijt van Bayeux. Alleen wordt deze zeven in plaats van zeventig meter.’)
Dorpssmid Pol heeft zijn eigen W van Watou in ijzer gebogen. Annelore is er, de vrouw met het organisatietalent, en Rik, die laat zien hoe hij met koperdraad letters aan het borduren is (‘Duurt lang!’).
De Gemene Raad is een idee van de twee curatoren die dit jaar het ruim zes weken durende Kunstenfestival dragen: Danielle van Zuijlen en Bart Lodewijks, een Nederlands kunstenaarsstel dat al jaren in de Belgische stad Gent woont. Het is een gedurfde doorstart van het festival, dat vorig jaar wegens geldgebrek door de gemeente was afgeblazen.
Met wel vijftien bewoners zitten ze om de tafel. Ze praten bij over hun festivalprojecten en nemen een enkele beslissing. ‘De kleionderdelen van de totempalen zijn gehard uit de oven van Joke gekomen, en we zijn klaar om ze in elkaar te zetten’, zegt vrijetijdskeramiste Kristien Pollet. ‘Onze vraag is nu: wanneer kunnen we ze tentoonstellen?’
Als festivalthema kozen de curatoren de Vlaamse uitdrukking ‘Gemene wegen’, in de betekenis van gemeenschappelijke wegen. Het is actueel bedoeld.
‘De toestand van de wereld vraagt erom dat we verbinding zoeken met onze buren’, zegt curator Van Zuijlen. Ze is een van de medeoprichters van Kunsthal Gent, sinds zeven jaar een ‘experimenteel kruispunt’ voor de presentatie van hedendaagse kunst. ‘Om greep op onze toekomst te krijgen is het volgens ons noodzakelijk om lokale verbanden te smeden. We willen dat niet alleen uitdragen met kunst die bij dat idee aansluit, we willen de verbinding ook ten uitvoer brengen. Het er niet alleen over hebben, maar het echt doen.’
Normaal gesproken bepaalt een curator wat er op het programma van een kunstmanifestatie staat, als een soort artistieke alleenheerser. Nu mogen de dorpelingen op twee plekken zelf bepalen wat ze van hun talenten willen laten zien. De open tent Pirate Pavilion (2023) – een door de Belgische kunstenaar Nico Dockx bedacht bouwwerk om burgers te inspireren zich onder elkaar te organiseren – en het oude café In het Brouwershof, naast de gesloten bierbrouwerij Gouden Leeuw, zijn voor hen. Het is alsof de inwoners van Venetië een eigen paviljoen mogen inrichten op de Biënnale. In een soort artistieke democratie.
‘Jullie kunnen de totempalen maandag of dinsdag opstellen in het Brouwershof, als het festival is gesloten’, zegt Van Zuijlen tijdens de bewonersraad tegen Pollet. ‘We geven jullie wel een sleutel. Dan houden we woensdag, voor de volgende Gemene Raad, even een klein openingsmoment.’
De gemeente Poperinge, de nabijgelegen plaats waarbij Watou bestuurlijk hoort, vond het best spannend waar ze met de Gemene Raad aan begonnen, zegt curator Lodewijks, die naast zijn praktijk als kunstenaar ook lesgeeft aan kunstacademie KASK in Gent. ‘We konden natuurlijk moeilijk voorspellen wat we naar boven gingen halen. Nu we halverwege zijn, zie ik dat de raad echt een groeituin is.’
De uitdrukking ‘gemene wegen’ las Van Zuijlen in Dat was Watou – Het dagboek van de Poëziezomers 1980-2008 van dichter Gwy Mandelinck, de twee jaar geleden overleden grondlegger van het dorpsfestival. Hij schreef op een winterdag in 2005: ‘Ik wandel deze middag in de vrieskou anderhalf uur langs de grens tussen Watou en een paar Franse dorpen. Ik loop over ‘gemene wegen’ die voor de ene helft België en voor de andere helft Frankrijk toebehoren.’
Het doet denken aan het Engelse begrip commons, het eeuwenoude gebruik dat natuurlijke bronnen de gemeenschap toebehoren. Veel Nederlandse plaatsen hebben bijvoorbeeld nog een straatnaam Meent. Het is een woord uit de middeleeuwen: zo heette toen de gemeenschappelijke grond waar boeren hun vee lieten grazen en waar ze samen zorg voor droegen.
‘Wij hopen het mooie woord ‘gemeen’ in zijn oude betekenis terug in het taalgebruik te brengen’, zegt Van Zuijlen. ‘Daarom gebruiken we het Engelse woord commons niet.’
De kunst en poëzie zijn in Watou vanouds te beleven in de hoeken en gaten van het dorp, dat inclusief bijbehorende gehuchten maar 1.600 inwoners telt. In een boerderij, een kerk, een kasteel, een brouwerij en zomaar ergens tussen de akkers in het veld. In die archipel aan kunstruimtes is werk te zien van meer dan zestig beeldend kunstenaars en ruim twintig dichters.
In een schuur van de Douviehoeve in Watou hangt een facsimile van het Engelse Charter of the Forest, waarin in 1217 de rechten van burgers zijn vastgelegd om het koninklijk bos te betreden en gebruiken. Het is de minder bekende pendant van de beroemde Magna Carta, die als voorloper van een grondwet voor het eerst de rechten van het koningshuis beperkte.
Het oude Engelse boshandvest is in de tentoonstelling gecombineerd met het videowerk everyday words disappear (2016) van Johan Grimonprez, de Belgische regisseur wiens documentaire Soundtrack to a Coup d’État vorig jaar was genomineerd voor een Oscar. De video is een toepasselijk pleidooi om politiek voortaan op liefde te baseren en niet meer op angst, zoals de les was van Niccolò Machiavelli, de machtsdenker uit de renaissance.
Het gemeen draagt een belofte van vrede in zich. De Belgische dichter Kurt De Boodt beschrijft dat in Welkom in Graasland (2024), dat is opgehangen in het tentpaviljoen. ‘Open de poorten, houd op met kelen / kom, los het heft, raak wijd en zijd gehecht / op gemene grond gaat niemand stelen.’ (De gedichten zijn bij de kunstwerken uitgekozen door poëziecurator Michaël Vandebril.)
Geen plek in Watou verbeeldt de gezamenlijkheid beter dan de Gemenestraat. Midden over de onbeduidende donkergrijze streep asfalt loopt de grens: wie hier van noord naar zuid door het akkerland beweegt, rijdt in Frankrijk; het baanvak in omgekeerde richting ligt op Belgisch grondgebied. De twee landen dragen al een jaar of driehonderd samen zorg voor de weg.
Daar in de buurt staat onverwacht één van de drie Wandelpoortjes (2026), waarmee de Belgische kunstenaar Jonathan De Maeyer het onderscheid tussen gemeenschappelijk bezit en privé-eigendom vrolijk heeft uitgewerkt.
De rode, gele en groene metalen sculpturen lijken op een draai- en klapdeur die mensen alleen met een toegangskaartje kunnen passeren – in een pretpark of een metrostation. De mooiste van de drie staat vlak achter het Pirate Pavilion: een klein op-en-aftrappetje, dat een wandelaar over een afrastering kan helpen.
Alleen is er verwarrend genoeg bij geen enkel poortje een hek in de buurt dat de doorgang afsluit.
Met zijn sciencefictionachtige installatie effort of settling (2026) onderzoekt ANT Collective het verschil tussen ons individuele en het gedeelde leven. Het Peruaans-Nederlandse kunstenaarstrio verzamelde onder dorpsbewoners spullen die ze niet meer nodig hadden. Ze combineerden die met eigen werken en kunst uit de collectie van museum S.M.A.K. in Gent.
De tot stillevens ingerichte kamers van het Parochiehuisje zien eruit als een opgraving van onze tijd, gedaan in de verre toekomst. Niet duidelijk is meer wat van wie is geweest – en was dus niet eigenlijk alles van iedereen?
Het kunstenfestival heeft Watou op de kaart gezet, zegt Jan Daschot, die in 2015 Geschiedenis van een grensdorp schreef. ‘Door de mechanisatie van de landbouw verdween veel werk en het dorp liep leeg. Tot Gwy Mandelinck in 1980 de Artiestenmarkt organiseerde om te kijken of er weer leven in te brengen was. Het was zijn eerste evenement en toen mocht iedereen nog zijn kunsten vertonen. Ik ook, met getekende dorpsgezichten.’
De dag was een enorm succes. ‘Er waren tienduizend bezoekers. Zoveel had Watou er niet gezien sinds de Eerste Wereldoorlog. Hier aan de geallieerde kant van het front bij Ieper zaten toen duizenden vluchtelingen en soldaten bijeen.’
Zijn beste vorm vond Mandelinck begin jaren negentig met de Poëziezomers van Watou. Alle dichters uit het Nederlandse taalgebied kwamen er graag voordragen. De dorpelingen bleven nuchter onder de roem. Op een dag kwam Mandelinck het café binnen met de schrijver van de nationale roman Het verdriet van België, zegt Daschot. ‘Fier als een gieter stelde hij hem voor: hier is Hugo Claus!’ Maar de cafébaas bleef met zijn armen over elkaar achter de toog staan. Hij zei alleen: ‘En wat gaat u nou drinken?’’
De wethouder van Cultuur van Poperinge, Loes Vandromme, is opgetogen dat ze het ‘goudklompje’ dat Gwy Mandelinck Watou naliet, voorlopig heeft kunnen redden. Als Vlaams parlementslid voor het christendemocratische CD&V schreef ze mee aan het regeerakkoord, waarin voor de komende jaren budget voor festivals is gereserveerd. ‘Belangrijk, want hier in het landelijk gebied zijn verder geen kunstmusea of instellingen voor poëzie.’
Het festivalthema ‘Gemene wegen’ sprak haar meteen aan, zegt ze. ‘Het is voor mij ook een boodschap aan kunstenaars: dat we in hun werk geloven en samen op dezelfde weg staan.’
Over de Gemene Raad is ze diplomatiek. ‘Dat is geen plek voor politiek.’ Inspraak voor de dorpen is al geregeld via ‘burgerplatforms’ en Vandromme hoopt dat de raad daar geen schaduwoverleg van wordt. ‘Ik heb er hard aan gewerkt om de platforms van een klaagbank om te vormen in een denktank. Anders komt iedereen alleen vertellen dat er voor zijn huis een tegel losligt. Ik wil graag dat mensen meedenken, bijvoorbeeld over hoe we zwerfvuil kunnen aanpakken.’
Toen de curatoren Van Zuijlen en Lodewijks hun plannen voor de Gemene Raad presenteerden, was er eerst ‘een beetje schrik’, zegt dorpschroniqueur Daschot. ‘Wij zijn geen kunstenaars. Dus wat verwachten ze dan?’ Maar hij heeft ‘met bewondering’ gezien hoe de curatoren volhielden. ‘Als dorpsbewoners zijn we na die eerste keer in 1980 altijd toeschouwers van het festival geweest. Het kwam bij niemand uit het dorp op om Mandelinck te vragen of ze mochten meedoen. Het is bijzonder dat het nu is veranderd.’
De curatoren hebben lang getwijfeld of toehoorders welkom zijn bij de Gemene Raad. De vergaderingen zijn geen kunstwerk op zichzelf en de aanwezigheid van publiek heeft invloed op een gesprek. Toch hebben ze samen met de dorpelingen besloten de Gemene Raad op het programma te zetten.
‘Het zou jammer zijn als dit proces helemaal onzichtbaar blijft’, zegt Van Zuijlen. ‘Nu kan de energie van het dorp anderen inspireren.’ Bovendien, zegt Lodewijks, wilden ze ‘niet de indruk wekken dat er iets stiekems gebeurt’.
Wie wil meedoen heeft zich aan slechts een paar afspraken te houden: je komt uit Watou en omgeving, je werkt samen met iemand anders én je bouwt met je project voort op het Lexicon van 24 begrippen waarmee de curatoren de betekenis van het thema ‘Gemene wegen’ hebben uitgewerkt. Dat loopt breed uiteen van ‘wederkerigheid’ en ‘vertrouwen’, tot ‘gast’ en ‘frictie’. Als de Gemene Raad het erover eens is dat een project aan die voorwaarden voldoet, beoordeelt verder niemand het op schoonheid of kwaliteit.
Chroniqueur Daschot stelde voor een paar foto’s van de eerste editie te tonen, die hij heeft verzameld bij dorpsbewoners. ‘In het Lexicon staat het woord ‘gemeen’. Wat we gemeen hebben is onze geschiedenis, zei ik. Met die uitleg was het goed.’ De foto’s hangen sinds afgelopen week in het Pirate Pavilion. Een ervan laat een kar met een krat pils zien. Op het bord ervoor staat ‘Bevoorrading artiesten’. Om te onderstrepen wat de formule was: ‘toegankelijke kunst, met braadworst en bier’.
Het nadrukkelijkst komt het festivalthema terug in Goodyear (2026), dat Bart Lodewijks zelf voor het festival maakte. Al 25 jaar maakt hij abstracte krijttekeningen op straten, stoepen, muren en in huizen. Al doende raakt hij dan aan de praat met voorbijgangers en bewoners. Al die beelden en ervaringen verwerkt hij in boekpublicaties, die bedrieglijk licht van toon zijn. Inmiddels maakte hij er al zeventien.
Met zijn witte krijt liep hij de Gemenestraat af en tekende onderweg op schuren en elektriciteitspalen. Op een dag sprak een vrouw op Crocs hem aan. Ze is een van zijn personages in Goodyear. Haar naam is Martina, ze is begin zeventig en ze blijkt ook te tekenen. ‘Kleurplaten. Dat helpt me de winter door.’ Ze hangt ze nooit op, maar bewaart ze in dozen. ‘Ik heb alles bewaard. Ik kan het toch moeilijk wegsmijten.’
De mozaïeken en mandala’s die Martina inkleurt deden Lodewijks denken aan de op tarotkaarten geïnspireerde tekeningen die de Britse kunstenaar Suzanne Treister maakt. Zij was al uitgenodigd voor het Kunstenfestival. ‘Ik kan haar vragen of ze ook ingekleurd mogen worden.’
Het resultaat hangt in het Brouwershof, de galerie voor Collectief Watou. Martina heeft een tekening uit de serie Hexen 5.0 (2023-2025) ingekleurd met de ‘zachte potlooddruk’ die haar eigen is. De pasteltinten brengen leven in Treisters getekende woorddoolhof, waarin zij ijstijden, de klimaatcrisis en cybernetische ecosystemen met elkaar verbindt.
Het is mooi dat de dorpsbewoners de kans krijgen zich te laten zien ‘naast de kunstenaars met de grote K’, zegt keramiste Kristien Pollet. De laatste vier jaar had ze al met een paar vriendinnen Open Watou opgezet: een wandeling langs een paar huizen waar de creatievelingen uit het dorp kalligrafie, beelden, keramiek, tekeningen en schilderijen toonden. Maar dit gaat veel verder.
In het Pirate Pavilion kwamen onlangs op maandag dertig dorpsbewoners een hele dag bijeen om te boetseren voor de totempaaltjes. Van kleuters tot ouderen. Pollet organiseerde de dag met Joke Van Gheluwe, een dorpsvriendin, die koffiehuis en keramiekstudio Kleijo runt. Kleine cilindervormige bouwstenen versierden ze, in roze en grijze klei. Voor boven op de totems maakten ze maskers en allerlei fantasiehoofden.
‘De deelnemers hadden het zo naar hun zin dat ze de lunch wilden overslaan’, zegt Pollet. ‘Samenwerken brengt altijd iets teweeg. Alleen maar ‘ik-ik-ik’ vermenigvuldigt zich niet.’
Kunstenfestival Watou is nog t/m 30/8 te bezoeken. Gesloten op maandag en dinsdag.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant