Door het begrip dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State toont voor de uitvoerende macht laat zij de rechtzoekende burger met lege handen, zonder rechtsmiddelen, achter.
‘Bestuursrechtspraak negeerde schrijnende gevolgen voor mensen (de toeslagenouders) en faalde in het bieden van rechtsbescherming’. Deze even harde als terechte conclusie van de parlementaire enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening trof vooral de hoogste bestuursrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, midden in het gezicht. Zonder dat de wet daartoe verplichtte – integendeel – keurde de Afdeling de alles-of-nietsbenadering van de Belastingdienst goed. Met alle inmiddels bekende, desastreuze gevolgen van dien voor de betrokken toeslagenouders en hun kinderen.
De Afdeling toonde zich gevoelloos voor alarmsignalen die vooral de rechtbank Rotterdam vele malen afgaf: in haar uitspraken negeerde de Afdeling zelfs de – naar later bleek – overtuigende argumentatie van de rechtbank. De Raad van State was bijna een decennium lang blind geweest voor mens en recht.
Over de auteur
Hans Dammingh is voormalig (vakbonds)advocaat.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
In de week dat de oud-Kamerleden Renske Leijten en Pieter Omtzigt opnieuw de ernst onder de aandacht brachten van de sabotage van de rechtsstaat door de ambtelijke top (die een datakluis, wezenlijk voor de beoordeling van het toeslagendossier, willens en wetens aan het zicht onttrok), bleef een andere actie in hetzelfde dossier onderbelicht. Die actie richtte zich niet tegen de ambtenaren, de ‘vierde macht’, maar tegen de hoogste rechterlijke macht en is afkomstig van bestuursrechters bij de rechtbank Midden-Nederland.
De Utrechtse rechters vonden, net als destijds hun Rotterdamse collega's, dat de Afdeling bestuursrechtspraak de plank missloeg in een kwestie die de toeslagenouders in het hart raakt. Het gaat om de vraag of aan de Belastingdienst een dwangsom moet worden opgelegd wanneer die nalaat om tijdig een besluit te nemen over de vergoeding van de werkelijke schade die ouders hebben geleden als gevolg van het ongekende onrecht dat hen door de Belastingdienst (en de Raad van State zelf) is aangedaan.
Voor de rechters van de rechtbank lijkt dit een open deur. Natuurlijk moet dat: de wet verplicht daartoe en zonder dwangsom hebben de ouders geen mogelijkheden meer om af te dwingen dat een rechterlijke uitspraak wordt nageleefd – dat is juist een belangrijk rechtsbeginsel. Het is de ervaring van de rechtbank dat ouders vooral duidelijkheid en houvast willen over het moment waarop zij een besluit kunnen verwachten. En die duidelijkheid biedt de rechtbank vervolgens in meerdere uitspraken. Met de dwangsom als stok achter de deur.
De rechtbank gaat daarmee in tegen de lijn die de Afdeling bestuursrechtspraak onlangs heeft uitgezet. De Afdeling is van mening dat de Belastingdienst voorlopig geen dwangsom hoeft te betalen bij het niet of te laat beslissen op dit soort aanvragen. De motivering laat zich lastig kort samenvatten, maar komt er (als ik het goed begrijp) op neer dat de Afdeling zoveel begrip heeft voor de onmacht van de uitvoerende macht om te doen wat die zou moeten doen, dat een extra prikkel in de vorm van een dwangsom geen zin zou hebben.
De motivering is ook lastig te begrijpen: alsof je een draaideurcrimineel niet meer zou straffen omdat die toch onverbeterlijk blijkt. En ook: door het begrip dat de Afdeling bestuursrechtspraak toont voor de uitvoerende macht laat zij de rechtzoekende burger met lege handen, zonder rechtsmiddelen, achter.
Het is te hopen dat de Belastingdienst in beroep gaat en dat de Afdeling dit keer niet aan de motivering van de rechtbank voorbijgaat. Dan kan het bijna niet anders dan dat (dankzij de Utrechtse rechters en andere rechtbanken die hopelijk snel zullen volgen) verder onrecht dit keer tijdig worden afgewend.
De gang van zaken bevestigt ook nog eens de juistheid van een andere conclusie van de parlementaire enquêtecommissie: ‘Bestuursrechters (de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State) gaan gemakkelijk mee met het bestuursorgaan (de Belastingdienst) en hebben te weinig aandacht voor de gevolgen voor mensen.’ Duidelijk lijkt dat de Afdeling die ongemakkelijke waarheid niet tot zich wil laten doordringen en er dus ook niet van leert.
Daarmee bevestigt de Afdeling zelf ook dat het de hoogste tijd is om uitvoering te geven aan het advies van dezelfde commissie om de hoogste bestuursrechtspraak niet langer bij de Raad van State onder te brengen, maar te ‘verhuizen naar de onafhankelijke rechtsprekende macht’.
Als dit straks de uitkomst is, zou dat ook de juistheid van een hoofdstelling van Johan Cruijff bewijzen: ‘elk nadeel heeft zijn voordeel’. Cruijff had, zoals bekend, altijd gelijk.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant