Voor de kost was hij timmerman, maar voor Michael Pikker was de reddingsbrigade in Blaricum, waar hij werkte als vrijwilliger, zijn lust en zijn leven. ‘Iedereen liep met hem weg.’
De uitvaart was een uitváárt. De tocht naar het crematorium in Laren ging deels over het water, met een boot van de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij. Tientallen boten met collega-hulpverleners voeren mee om schipper Michael Pikker van het reddingstation in Blaricum nog één keer te begeleiden, een helikopter van de Kustwacht bracht vanuit de lucht een laatste groet.
De in juni op 47-jarige leeftijd overleden Pikker was 36 jaar verbonden aan de reddingsbrigade in Blaricum. Als jongen van 11 begon hij ’s zomers met het houden van toezicht op de stranden van het Gooimeer. Vanaf 2012 maakte hij deel uit van de KNRM-eenheid die in actie komt wanneer watersporters op de Zuidelijke Randmeren in problemen komen.
Dat kan van alles zijn, vertelt vriend en collega Clemens Meijer van het reddingstation Blaricum. ‘Meestal gaat het om materiaalpech in de vorm van een lege accu, een motorstoring of gebroken mast. Maar het komt ook voor dat een opvarende overboord is geslagen of dat er iemand onwel is geworden en een medische evacuatie noodzakelijk is. Vooral bij ingewikkelde klussen was Michael in zijn element.’
De Volkskrant profileert regelmatig bekende en onbekende, kleurrijke Nederlanders die onlangs zijn overleden. Wilt u iemand aanmelden? postuum@volkskrant.nl
Meijer vertelt dat Pikker vanaf 2012 betrokken was bij 220 inzetten en daarbij 383 mensen en 9 dieren heeft geholpen of gered. ‘Michael was een ideale schipper. Hij had een enorme ervaring en bleef rustig onder alle omstandigheden, ook bij windkracht 8 en onweer. Ook voor de andere hulpverleners was dat heel belangrijk. Als je bij Michael in de boot stapte, wist je: het komt goed.’
De bemanningsleden van de KNRM zijn allemaal vrijwilliger. De kost verdiende Pikker als timmerman, met als specialisme de bouw van tuinhuizen, overkappingen en veranda’s. ‘Michael was heel goed met mensen’, vertelt zijn partner Mariska van der Vliet. ‘Ook als het werk was gedaan, bleef hij vaak contact houden met klanten. Iedereen liep met hem weg.’
Het reddingstation was en bleef een tweede thuis. ‘Michael had het soms lastig als kind’, zegt Van der Vliet. ‘Hij was dyslectisch en dat was in die tijd nog geen bekend fenomeen op school. Bij de reddingsbrigade vond hij een ideale uitlaatklep. Strand, water, samen eten bij een kampvuurtje: het was liefde op het eerste gezicht. En dat is nooit meer overgegaan.’
Pikker groeide uit tot de spil van het reddingstation. Ook vanwege zijn lengte van bijna 2 meter was hij de rots in de branding. ‘Een live action hero’, zegt zijn partner. ‘Maar ook een grote vriendelijke reus.’ Meijer: ‘Michael hield van actie. Tegelijkertijd was hij absoluut geen cowboy. Hij bleef in elke situatie in controle en hield voortdurend de veiligheid van zichzelf en de andere vrijwilligers in de gaten.’
Dat willen beheersen van de risico’s kwam ook terug in een andere grote liefde: de duiksport. Pikker bracht zijn vakanties deels onder water door op geliefde plekken als Curaçao, Egypte en Noorwegen. Een speciale voorkeur had hij daarbij voor de spannende varianten, het duiken naar wrakken en het betreden van onderwatergrotten. ‘Onder water’, vertelt Van der Vliet, ‘kwam Michael helemaal tot rust.’
Onverschrokkenheid toonde Pikker ook in de omgang met zijn ziekte. In 2022 werd chronische leukemie bij hem vastgesteld. Die diagnose werd een jaar later bijgesteld naar de acute variant. Hij bleef strijdbaar, vertelt Meijer. ‘Tussen de zware behandelingen door bleef Michael naar het reddingstation komen, soms nog met het polsbandje van het ziekenhuis om.’
Vanaf half mei ging het snel bergafwaarts met de gezondheid. Pikker kreeg de graft-versus-host-ziekte, een ernstige complicatie van een stamceltransplantatie. ‘Michael had eerder aangegeven het leven niet nodeloos te willen rekken, zodra het niet meer ging’, vertelt Mariska. ‘Je kunt niet iedereen redden, zei hij dan. Hij was nergens bang voor, ook niet voor de dood.’
Source: Volkskrant