Alle problemen die de Nederlandse natuur raken komen samen in de Veluwe, ziet Caspar Janssen. Na twee natte jaren baadden de beken er in weelde, nu ligt het water nagenoeg stil. Bovendien slinkt een grote schat: de enorme zoetwaterbel in de grond.
schrijft voor de Volkskrant over natuur, biodiversiteit en landschap.
Het water stroomt nog op landgoed Staverden, niet overvloedig, maar wel weldadig. Ik loop mee met het gegraven, rechte en smalle beekje dat de waterpartijen bij het kasteel voedt. De bodem kleurt bruinrood vanwege het ijzerrijke kwelwater. De echte Staverdense beek loopt lager, in het beekdal, daar ga ik straks nog komen. Aan de andere kant van het pad ligt een gemengd bos dat de nodige schaduw biedt.
Ik stel me voor hoe sappig de velden op dit landgoed in het voorjaar nog waren. En hoe kleurrijk, want op dit landgoed vind je – naast het kasteel en de tuinen eromheen – eigenlijk alles: historische boerderijen, kruidenrijke akkers en hooilanden tussen de bossen, de lager gelegen elzenbroekbosjes, natte heide en die Staverdense beek dus. Maar aan de droogte valt niet te ontkomen, de velden kleuren nu vooral dorgeel.
De Veluwe staat op vele manieren onder druk. In een drieluik bezoekt Caspar Janssen een aantal parels in het natuurgebied en onderzoekt hij hoe de Veluwe ook in de toekomst kan floreren. Deel één: de droogte, de beken en de bomen.
Ik steek de beek een paar keer over. Het water staat laag, begin augustus, maar het staat er nog. De vraag is wel: hoelang nog? De afgelopen twee jaar baadden de beken op de Veluwe in ongekende weelde, als gevolg van twee extreem natte jaren. Een plotselinge onderbreking van een langjarige trend waarin de grondwaterstand almaar lager werd.
De Veluwse bekenstelstels liggen op de flanken, hoe lager gelegen hoe dichter tegen het grondwater aan, vandaar dat er een vertraagd effect optreedt bij het stijgen of dalen ervan. Het duurde in 2023 maanden voordat de beken weer gingen stromen in het natste jaar sinds de metingen begonnen (1906), maanden waarin de grondwaterstand geleidelijk steeg, totdat op de hogere delen van de flanken het water werd opgestuwd en naar buiten trad.
De vloedgolf hield meer dan twee jaar aan, want ook 2024 was extreem nat. En nu, precies nu, na een droog 2025 en de extreme droogte deze zomer, komt er een einde aan het stromen. Het kabbelt nog of staat nagenoeg stil, her en der vallen beken ook al droog.
In het voorjaar was hier, in het beekdal, nog niets aan de hand. Het kleurde ook geel, maar dan van de dotterbloemen en de grote ratelaar. En roze van de echte koekoeksbloemen en later van de echte valeriaan.
Ook de natte heide is nu droog. Pal tegen het landgoed aan ligt De Leemputten, een eldorado voor floristen, natte blauwgraslanden waar zeven soorten orchideeën groeien en nog veel meer bijzondere planten, zoals de klokjesgentiaan, parnassia en stijve ogentroost.
Klein gebiedje, maar wel een van de meest florarijke op de Veluwe. Ontstaan door een combinatie van natuurlijke omstandigheden – een mineraalrijke kleilaag die hier dicht tegen de oppervlakte ligt, waardoor het grondwater aan het maaiveld komt – en menselijke activiteit: bij de vroegere winningen van de klei (leem) ontstonden vennetjes, er werd ook klei gemorst en dat biedt nu nog altijd rijke minigroeiplaatsjes.
Natuurgebied De Leemputten is slechts van een afstandje te zien, het gebied is alleen toegankelijk tijdens excursies. Ik vrees dat ook hier de droogte de flora parten speelt. In voorgaande jaren zijn hier al verschillende maatregelen genomen tegen de dreigende verdroging, zeker met enig succes. Alleen: als het zo lang niet regent helpt geen maatregel meer.
Het idee is om het niet alleen over droogte te hebben in deze korte reeks over de Veluwe, zeker niet. Aan thema’s geen gebrek, alle onderwerpen en problemen die de natuur in Nederland raken komen hier zo ongeveer samen. De omgekeerde vlaggen die het grootste aaneengesloten stikstofgevoelige natuurgebied van Nederland omsingelen houden er rechtstreeks verband mee. Al staan die vlaggen vooral symbool voor de hardnekkige ontkenning van die problemen en van de rol van de intensieve veehouderij erin.
Complex is de Veluwe ook, al was het maar vanwege de tamelijk onnavolgbare structuur van de bodem en de ondergrond van deze in de voorlaatste ijstijd gevormde stuwwallen. Groot ook, niet alleen voor Nederlandse begrippen. Er bestaat ook niet één Veluwe: de Veluwe van de flanken is een andere Veluwe dan het centrale, hoge deel. Wel hangen ze nadrukkelijk met elkaar samen.
De veelheid was een van de redenen waarom ik de Veluwe oversloeg toen ik acht jaar geleden een voettocht door het land maakte en daarvan verslag deed in deze krant. En ook nu geldt: niet alles kan, het is een kwestie van keuzes maken.
Dus dan maar meteen naar een van de hoogtepunten. Want dat is de Staverdense beek, een van de weinige natuurlijke laaglandbeken op de Veluwe, de langste ook, en de schoonste. Gevoed door kwelwater dat hogerop, bij Uddel, omhoogkomt, volgt de beek nog altijd kilometers lang haar natuurlijke, kronkelende loop.
Meer benedenstrooms heet ze de Leuvenumse beek en ze mondt uiteindelijk als de Hierdense beek uit in het Veluwemeer. 25 kilometer laaglandbeek die een afstand van 17 kilometer overbrugt.
In het najaar van 2023 haalde ik, ondanks mijn laarzen, stroomafwaarts nog natte voeten waar de Leuvenumse beek weer in de volle breedte door het dal meanderde. De beek treedt er af en toe buiten de oevers, waardoor het water langer wordt vastgehouden. Een mooi staaltje beekherstel, dat bovendien heeft geleid tot een explosie van soortenrijkdom in het beekdal.
In de jaren negentig was de beek in veel slechtere staat. Maatregelen om – onder meer – uitspoeling van meststoffen van de hoger gelegen agrarische enclave bij Uddel en Elspeet te verminderen, hadden succes. Het water van de beek is een stuk schoner dan voorheen. Typische vissoorten van de beek, zoals de beekprik en de beekforel, profiteerden. Dingen kunnen dus ook beter worden.
In het rijtje ‘het beste van de Veluwe’ past ook het Wisselse Veen en het aangrenzende landgoed Tongeren, op de noordoostflank van de Veluwe. Ik tref er Rob de Groot, hydroloog en tot zijn pensioen werkzaam bij de provincie Gelderland, die meteen een paar stafkaarten tevoorschijn haalt om inzichtelijk te maken wat hier is gebeurd. En hij vertelt een verhaal dat vooral laat zien hoe groot de menselijke invloed is op de Veluwe, ook waar je het als argeloze bezoeker niet ziet.
Wat wel natuurlijk is, is dat hier veen groeit. ‘Een nat veengebied, 20 meter boven NAP, laagveen op hoogte, dat verwacht niet iedereen op de Veluwe’, zegt De Groot. Maar ooit groeide het op meer plekken op de Veluwe, het was er moerassig vanwege het schone grondwater dat op de flanken de neiging heeft om aan de oppervlakte te komen.
Door de landbouwontginningen verdween het veen bijna overal. Maar hier is de situatie hersteld. In de jaren negentig werden de eerste sloten gedempt, een strook met douglassparren werd gekapt en de invloed van drinkwaterwinning teruggedrongen. Zo werd het gebied weer vernat. En een stuk voormalig boerenland werd afgeplagd.
Het type ingrepen dat in eerste instantie niet direct op applaus kan rekenen, weet Rob de Groot. Maar dit voorjaar stond hij hier wel met de voeten in het water, hij zag orchideeën bloeien en we zien dat er nieuw veen is ontstaan. Zelfs nu is het gebied nog enigszins nat, kikkerbeet bloeit, fonteinkruid ook en de beek in het gebied, de Verloren Beek, kabbelt.
Het naastgelegen landgoed Tongeren sloot zich in tweede instantie aan bij het project. Ook daar is het nu deels nat en vormt zich weer veen, er kwam een vlonderpad, waarover we lopen, omringd door libellen.
De maatregelen dienden nog een ander belang: schoon (grond)water in het gebied houden, voorkomen dat het de Veluwe verlaat. Want een grote schat van de Veluwe ligt ondergronds: de zoetwaterbel. Een enorme voorraad zoet water, veel groter dan de inhoud van het IJsselmeer.
Die zoetwaterbel slinkt gestaag. Het water dient voor drinkwater, voor industrie, voor landbouw, de natuur doet het met de restjes. In principe wordt de bel aangevuld door regenwater, maar om allerlei redenen legt de aanvulling het in de laatste decennia af tegen de onttrekkingen en de verdamping.
Dat is een probleem. En deze ‘wateraccu’ vormt een van de oplossingen, meent Rob de Groot. Niet alleen is dit gebied veel natter geworden, de beken voeren ook meer water af. Dat water wordt onderaan de flank, tegen het Apeldoorns kanaal aan, opgevangen bij een innamepunt.
Vandaar wordt het in een leiding weer omhoog getransporteerd, waar het kilometers verderop, boven Epe, weer wordt geïnfiltreerd. Zo wordt het water in de ondergrond weer aangevuld met gebiedseigen beekwater. Daarna wordt een deel ervan, helemaal schoon en wel, wat lager weer opgepompt als drinkwater.
Wat De Groot betreft zou dit systeem op veel grotere schaal toegepast kunnen worden. ‘Aan de noordwestkant van de Veluwe loopt heel veel grondwater weg, het komt aan de overkant van het Veluwemeer in de Flevopolders als kwelwater omhoog. Die enorme hoeveelheid schoon water stroomt nu door het landbouwgebied van de polders en verdwijnt naar de randmeren. Zeker in de winter en in het voorjaar is dat niet nodig, want er is genoeg water in de Flevopolders.’
Maar het voorstel om het Veluwse kwelwater in Flevoland op te vangen en terug te transporteren naar de Veluwe – en daar te infiltreren – haalde het niet in de tijd dat De Groot nog bij de provincie werkte.
De discussie over het aanvullen van de zoetwaterbel gaat intussen door. Er zijn experts die pleiten voor het infiltreren van rivierwater. Andere experts zijn daar fel op tegen. Ook De Groot vindt dat het alleen kan met water dat van de Veluwe komt, ‘systeemeigen water’.
Waar iedereen het wel over eens is, is dat papierfabriek Parenco in Renkum moet stoppen met het oppompen van grondwater. De fabriek ligt tegen de Rijn aan en voor de productie van papier en karton kan net zo goed rivierwater worden gebruikt. ‘Maar ja’, zegt De Groot, ‘ook dit dossier sleept zich al tientallen jaren voort.’
We stellen nog even vast dat er zonnedauw bloeit op het veen en dan verplaatsen we ons in de auto naar het infiltratieveld Koekenbergweg, kilometers verderop, boven Epe. Hier komt het water van het Wisselse en Tongerense Veen uiteindelijk terecht, waarna het weer in de bodem wordt geïnfiltreerd. Een paar gegraven vijvers, midden in de dennenbossen. Bankje erbij, eenden in het water, wat struikheide eromheen bijna in bloei. Geen natuurverschijnsel dus, maar mensenwerk.
Door naar ‘het bos met de dansende bomen’, het Speulder- en Sprielderbos, een van de oudste bossen van de Veluwe. We lopen er maar direct naartoe, ergens bij het gehucht Drie. De kronkelende beuken en eiken zorgen vooral in het voor- en najaar met invallend licht voor magische beelden.
Jan den Ouden, ingenieur, gespecialiseerd in bosbeheer en bosecologie, heeft een prozaïsche verklaring voor het gekronkel. ‘Bomen groeien naar het licht, waarschijnlijk zijn ze steeds een andere kant op gaan groeien toen er links of rechts andere bomen werden gekapt.’
Want net als alle bossen in Nederland was dit ooit productiebos. Wat niet wil zeggen dat dit geen bijzonder bos is. ‘Het is zeker oud, al in de middeleeuwen wordt er melding van gemaakt.’
Dit was een zogeheten malebos, dat gezamenlijk werd beheerd door een groep boeren. ‘Het is ook een echt bomenbos. De meeste oude bossen in Nederland waren struikbossen. Daarin werden de bomen als hakhout beheerd, zodat ze nooit uitgroeiden tot boom. Hier stonden ook opgaande bomen die heel hoog konden worden.’
Over het beheer van bossen lopen de emoties hoog op, maar over een aantal zaken zijn de kenners het eens. Bijvoorbeeld over het feit dat de bossen op de Veluwe in slechte staat verkeren. Zeker op de hogere delen. Die bossen zijn afhankelijk van regenwater, want de grondwaterbel ligt diep onder de grond, onbereikbaar. De combinatie van verdroging en verzuring van de bodem – door onder andere zwavel en stikstof – wordt veel bomen fataal.
‘We krijgen het deksel op onze neus’, zegt Den Ouden, waarbij hij ook doelt op hoe de bossen op de Veluwe ooit zijn aangelegd. ‘Tot voor vijftig jaar terug was alles in Nederland productiebos, het begrip natuurbos bestond nog niet. Hier op de Veluwe waren het vaak dennenakkers, die je kunt vergelijken met maisvelden. En ook fijnsparren, die van nature voorkomen in het middelgebergte, maar aantrekkelijk waren vanwege het hout. Monoculturen, aangeplant in grote vakken, want dat is handig voor de oogst, daar kun je flink geld mee verdienen.
‘Iedereen wist toen al dat het een groot risico was. Dat het beter is om te mengen. Maar blijkbaar is er een crisissituatie nodig om het uiteindelijk anders te gaan doen.’
Die crisissituatie is er nu. ‘Het klimaat is veranderd, de bodem is verslechterd door verzuring. Die naaldbomen in vakken, die niet in hun optimale omgeving staan, verzwakken. En dan denkt de letterzetter: mooi, een feestje. De letterzetter is een normaal beestje, dat leeft in sparrenbossen. Maar als die sparren in monoculturen staan en verzwakken, dan grijpt hij zijn kans. En dan gaan al die bomen dood.’
Een geluk bij een ongeluk: het versnelt de ontwikkeling om de bossen om te zetten naar loofbos. Daar is nog een reden voor. Naaldbomen en vooral de donkere bossen met douglassparren verminderen de hoeveelheid water die wordt doorgelaten naar het grondwater. Al behoeft dat verhaal enige nuancering, want de laatste inzichten zijn dat ook beukenbossen met een dicht bladerdak behoorlijk verdampen, net als bossen met ondergroei.
Een gedachte die bijna niemand op de Veluwe hardop durft uit te spreken, behalve Flip Witte, hydroloog en Veluwekenner, is om het naaldbos op grote schaal weg te halen en te vervangen door stuifzandvlaktes. Dan kan het regenwater direct de grond in trekken.
Maar bos vervangen door stuifzand om de droogte te bestrijden, dat gaat er bij veel mensen niet in. Jan den Ouden heeft vooral een praktische kanttekening. ‘Dan blijf je beheren. Want door het stikstofoverschot groeit alles voor je het weet weer dicht.’
Zo raakt het ene probleem het andere. En de ontwikkelingen zijn bijna niet bij te houden. Want ook het loofbos, de beuken en de eiken, die wel op de Veluwe thuishoren, hebben te lijden onder klimaatverandering en verzuring.
Den Ouden: ‘Dit is echt het gebied van de eik, die is hier thuis. Maar de bodem is veranderd en het klimaat is veranderd. En je krijgt dan ook de beestjes die daarbij horen. De eikenprachtkever bijvoorbeeld. Dat is een zuidelijke soort. Die weet wel raad met verzwakte eiken.’
Intussen, nog altijd in het Speulderbos, constateert Den Ouden dat de beuken er nog redelijk bij staan. ‘Maar als de droogte doorzet, krijgen ook de beuken hier het moeilijk.’
We lopen door een deel van het bos dat is aangemerkt als bosreservaat, waar dus niet meer wordt beheerd. Daar is ook kritiek op. Want het is tamelijk voorspelbaar wat er dan gaat gebeuren: de eiken leggen het af tegen de beuken, die meer schaduw verdragen. Dat is wat er nu ook al gebeurt. En juist in dit historische bos zou je dat moeten voorkomen.
‘Maar’, zegt Den Ouden, ‘dan zeg je eigenlijk: we moeten de natuur tegen de natuur beschermen.’ En, relativeert hij, ‘dit bosreservaat beslaat maar een klein deel van het bos.’
Zelf probeert hij zich sowieso te onthouden van al te veel oordelen. ‘Of iets goed of slecht is, daar blijf ik van af. Iedereen kijkt vanuit een ander perspectief naar het bos. Daar komt dan een persoonlijke voorkeur uit voort. En het is ook maar net wat je als referentie neemt. De een wil de Veluwe terug uit de tijd dat het nog volledig bos was, de ander wil de Veluwe terug uit 1850, toen het bijna helemaal ontgonnen en boomvrij was en overal sprengenbeken werden gegraven voor de watermolens, voor de industrie uit die tijd.’
We houden halt bij een onderzoeksplotje midden in het bos, waar enige lichtval is, in een omrasterd stukje waar jonge boompjes zijn opgekomen. En een niet-omrasterd vierkant waar geen enkel boompje is opgekomen. Dat duidt op nog een probleem: waar de oude bomen afsterven, blijft natuurlijke bosverjonging uit.
‘Ieder jong boompje wordt opgegeten door wild.’ De wildstand op de Veluwe is hoog, aldus Den Ouden. ‘Te hoog, als je bosverjonging wilt.’ En dat raakt dan weer aan een ander heikel thema: het wildbeheer of, zoals anderen het noemen: de jacht.
Source: Volkskrant