Biografie In een ontluisterende biografie worden de patronen blootgelegd van het eenzame leven van de beroemde Britse reisschrijver Jan Morris. Haar vrolijke imago bleek vooral een masker te zijn.
Jan Morris bij haar huis in de buurt van het dorp Llanystumdwy in Noord-Wales.
Toen de Britse schrijver Jan Morris (1926-2020) een eerste versie inleverde van Conundrum, het in 1974 verschenen relaas over haar geslachtsverandering, kreeg ze van haar uitgever de kritiek dat ze te weinig had geschreven over de angst en verwarring die ze bij haar vrouw Elizabeth en hun vier kinderen moest hebben veroorzaakt.
Sarah Wheeler: Jan Morris. A Life. Faber & Faber, 432 blz, €26,99
Morris paste het manuscript aan. Maar wat de drie zoons en een dochter – toen tussen de 20 en 8 jaar oud – hadden gevoeld bij de transitie en over diens ouderlijke rol in het algemeen, bleek pas na Morris’ dood.
„We hebben kennis gemaakt, maar we hebben elkaar nooit leren kennen”, zei Henry, de tweede zoon, tegen Paul Clements, auteur van de biografie Jan Morris. Life From Both Sides (2022). Dochter Suki kreeg plompverloren te horen dat ze ‘daddy’ niet langer zo mocht noemen, maar voortaan Jan moest zeggen. Daarna werd er niet meer over gesproken. „Het moeilijkste was om te bedenken wat ik tegen andere mensen moest zeggen.”
Morris droeg zijn jongste dochter naar eigen zeggen op handen, maar behandelde haar doorgaans kil, ja wreed, bijvoorbeeld door te zeggen dat ze „een substituut” was voor de dochter die na vier weken was overleden. Dit was de ouder die altijd hamerde op het belang van kindness. „Er was een gestage stroom van onvriendelijkheid, die alles ondermijnde en die mij mezelf inferieur deed voelen, terwijl ik er juist alles aan deed om haar trots te maken”, zei Suki.
Elizabeth, de vrouw die haar partner trouw bleef, ‘troostte’ hun dochter door te zeggen dat Morris „alleen belang stelt in literatuur”, noteert Susan Wheeler in Jan Morris. A Life, een tweede biografie die dit voorjaar is verschenen bij Morris’ honderdste geboortedag.
Ook na de transitie bleef Morris de stereotype man-in-huis die hij daarvoor was, die – als hij al thuis was – geen poot uitstak naar het huishouden, de kinderen niet ‘zag’ en au fond alleen in zichzelf was geïnteresseerd. Het bleef altijd onzichtbaar achter een zorgvuldig gecultiveerd publiek imago van eruditie, (soms overdreven) vrolijkheid, en een vast repertoire aan grapjes, inclusief zelfspot. „Het imago was het masker”, schrijft Wheeler.
Lukt het haar achter die façade te kijken? „Kun je iemand werkelijk kennen? Motieven zijn diepzeevissen – zelfs die van onszelf”, schrijft ze. Een biograaf moet volgens haar niet toegeven aan de impuls om een heel leven en meer dan vijftig boeken, honderden essays, dagboeken en duizenden brieven „coherentie op te leggen”. Maar na Clements’ enigszins encyclopedische biografie heeft Wheeler nu overtuigend, meeslepend en ontluisterend patronen blootgelegd in Morris’ bijzondere en uiteindelijk eenzame leven.
Eventjes was James Morris – Wheeler noemt Morris voor 1970 ‘hij’ en daarna ‘zij’ en ‘Jan’, zoals Morris zelf ook deed – de beroemdste journalist op aarde. Op de dag in 1953 dat koningin Elizabeth II gekroond werd, bracht The Times het bericht dat Edmund Hillary en Tenzing Norgay als eersten de Mount Everest hadden beklommen. Morris, rijzende ster bij die krant, was als journalist aan de expeditie toegevoegd en mee geklommen tot ijle hoogte. Hij wist het nieuws – in code om de concurrentie te misleiden – op tijd in Londen te krijgen.
Dat twee klimmers uit het Britse Rijk (Hillary was een Nieuw-Zeelander, ‘sjerpa Tenzing’ een Nepalees-Indiër) de „schitterende trofee van de hoogste top van de wereld meebrachten, betekent hoop voor een nieuw heroïsch tijdperk”, aldus het commentaar van The Times. Morris zou later de ironie benoemen: de jonge koningin trad aan terwijl haar Empire op zijn laatste benen liep.
Hij werd een groot reisschrijver – een term die hem ergerde omdat het hem niet om beweging ging, maar om het ontdekken van de genius van een plaats – met vroege bestsellers over Venetië (1960), Spanje (1964) Oxford (1965) en als laatste het magnifieke Trieste and the Meaning of Nowhere (2001). In die stad, speelbal van vele Rijken, had hij als jonge inlichtingenofficier in 1946 voor het eerst een raadselachtige nostalgie gevoeld; „een gevoel van thuis zijn in een stad die nergens echt thuishoorde”, schrijft Wheeler, zelf een begenadigd travel writer.
Het Britse Rijk, hoewel „in doodsreutel”, vormde Morris tijdens zijn militaire stationeringen in Palestina en in Egypte tijdens de Suez-crisis, en latere reizen. Het bleef de „emotionele spil van mijn leven”. Ze was erbij toen in 1999 de vlag in Hongkong werd gestreken; ook dat werd een boek. Farewell the Trumpets, het derde en laatste deel van Pax Britannia, Morris’ magnum opus, was toen al twintig jaar uit.
Hem is verweten dat hij door een roze bril naar het koloniale Brittannië bleef kijken, geen racisme of slavernij zag. Wheeler laat minutieus zien waarom Morris zo kijkt en het was niet omdat hij naïef was.
De vergelijking met Decline and Fall of the Roman Empire van de historicus Edward Gibbon (1960), die vaak is gemaakt, is onterecht, schrijft Wheeler. Gibbon beschouwde een imperium als inherent instabiel en onproductief. Voor Morris was het Britse koloniale systeem – in diens eigen woorden – „een agentschap voor ontwikkelingshulp”. En ja, waar gehakt wordt met de beste bedoelingen, vallen spaanders: „We’re not pleasant in India, we hebben iets belangrijkers te doen”, citeert Morris met instemming een romanpersonage van E.M. Forster.
Het komt erop neer dat Morris zich te goed voelde om aan geschiedschrijving te doen. Als schrijver achtte hij zich hors concours. De bloedige nasleep in Noord-Ierland, of het ontstaan van de Britse multiculturele samenleving – het idee van „wij zijn hier omdat jullie daar waren”, schrijft Wheeler – ging hem niet aan. „Morris was zo vervuld van het verleden en van zichzelf om belang te stellen in een mogelijk verband tussen haar flamboyant opgeroepen geschiedenissen en [de actualiteit].”
In latere jaren zou Morris zich bekeren tot het Welshe nationalisme – „dat gaf nieuwe structuur” – en de Engelsen met hun vakantiehuisjes verfoeien, maar het klonk schril en zijn boek over Wales viel plat. Ze zag ook geen bezwaar om een CBE, een naar het Rijk vernoemde koninklijke onderscheiding in ontvangst te nemen.
Morris vreesde, niet onjuist, dat ze na haar dood ondanks haar Everest aan boeken, vooral als „die auteur van de sex change” zou worden herdacht. Daar is trouwens niks mis mee. Ze behoorde tot de voorhoede van moedige mensen die aan een destijds moreel, medisch en politiek omstreden traject van geslachtsverandering begonnen: heel veel hormonen en daarna een reeks operaties (in Casablanca), die ook in haar geval niet perfect uitpakten. „Ik wil liever jong sterven dan een leven in onwaarheid leiden.”
Conundrum was een baanbrekend boek, het eerste door een publieke figuur. Wie nog vraagtekens zet bij wat transpersonen zeggen te voelen, moet de scène lezen waarin Morris beschrijft hoe bij hem als kind het besef insloeg, als de bliksem, terwijl zijn moeder piano speelde en hij op de grond zat: „I should really be a girl”.
Zelf dacht ze dat met dat boek de bladzijde wel was omgeslagen en ze meed het onderwerp voortaan als het kon. Ze wilde vrouw worden maar zei later zonder veel toelichting dat ze uiteindelijk „allebei” was geworden. Met mede-transpersonen ging ze niet om en ze weigerde een boegbeeldfunctie te vervullen. Je gaat, met Wheeler, bijna denken dat ze zelfs dat boek vooral als literaire prestatie zag, eerder een goed verhaal dan het meedogenloze egodocument dat het (ook) is. Ze schreef „om de leegte te vullen”, niet om er iets uit te voorschijn te halen.
Om voor de wet van geslacht te veranderen, moest Morris van Elizabeth scheiden. Een tijd leefden ze daadwerkelijk apart, om later opnieuw onafscheidelijk te zijn, maar wat hen bij elkaar hield, blijft ook voor Wheeler ten slotte een raadsel. Ook zulke gevoelens zijn diepzeevissen.
De brieven die James vanuit Nepal aan haar schreef en die Wheeler ontdekte, lossen het niet op. Elizabeth overleed in 2024 op 99-jarige leeftijd. Haar dementie voorkwam de dubbele suïcide die ze zich volgens Wheeler hadden voorgenomen. Wel zijn ze volgens plan naast elkaar begraven op een eilandje in een rivier in Wales. Morris vertelde altijd graag wat er op hun steen moest komen te staan: „Here are two friends, at the end of one life”. En dat staat er nu.