Minima Voor steeds meer mensen is vakantie te duur. Bij camping Polemonium in het Groningse Opende kunnen gasten gratis kamperen. Een check op het inkomen is er niet. „Mensen die mij bellen, die geloof ik. Ik oordeel niet.”
In Opende biedt Appie van camping Polemonium al jaren gratis vakantieweken aan voor mensen met een minimuminkomen. Hij doet het vooral voor de kinderen.
Als kind was Corine (49) al een brokkenpiloot. Bij zomerkampen keken de leiders altijd eerst voor haar waar de EHBO zat, vertelt haar beste vriendin, die vanwege haar situatie niet met haar naam in de krant wil. „Ze viel uit bomen of struikelde. Altijd was er wat.”
Ook als volwassene bleef Corine weinig bespaard. „Ik kreeg lupus, fibromyalgie en een tumor op mijn ruggenmerg. En daarbovenop nog twee hartinfarcten.” Door haar gezondheid slonk haar bankrekening. Een vakantie zat er niet meer in. „Met al die zorgkosten zit je snel klem.”
En toen was daar ineens Appie Wijma (61) („liever Appie of Appie Camping”) op SBS 6. Wie dat nodig had, kon een week gratis op vakantie op zijn camping Polemonium in het Groningse Opende. Het enige wat je hoefde te doen, was je aanmelden. Toen de inschrijving de volgende ochtend om acht uur openging, zaten Corine, haar beste vriendin en haar dochter klaar. „We wilden deze kans niet missen.”
Appie Wijma verloor op zijn veertiende een groot deel van zijn jeugd toen zijn moeder overleed.
Voor steeds meer Nederlanders is vakantie te duur. Van de 25 procent huishoudens met de laagste inkomens ging vorig jaar de helft niet op vakantie, blijkt uit cijfers van het CBS. Vijf jaar eerder ging nog ruim 60 procent van deze groep wél. Ook deze zomer speelt geld een steeds grotere rol: volgens de ANWB Vakantiemonitor ziet bijna een op de drie Nederlanders vanwege gestegen prijzen af van een zomervakantie.
Dat een vakantie niet voor iedereen is weggelegd, zag de Groningse Appie jarenlang met lede ogen aan. Als vrijwilliger bij de Voedselbank wist hij hoeveel mensen rondkomen van weinig. Dat ging hem aan het hart. „Ik ben een mensenmens. Je gunt iedereen toch even rust?”
Acht zomers geleden besloot hij er iets aan te doen. Op het terrein van zijn voormalige kwekerij begon hij camping Polemonium, voor mensen die anders niet op vakantie zouden kunnen. De camping is elke zomer tien weken open en ontvangt iedere week zo’n veertig gasten.
Iedereen is welkom op de camping. Appie Wijma stelt geen vragen over achtergrond of inkomen van zijn campinggasten.
Het idee dankt Wijma aan een ingeving van zijn „grote BAAS” – God. De media doopten zijn plek de ‘minimacamping’, maar die naam ging hem al snel tegenstaan. „Hoezo ben je minder?” In een droom zag hij de Bijbelse Jakob zijn hand uitsteken naar mensen die weinig hebben. Op het terrein groeide ook de jacobsladder, een plant uit het geslacht Polemonium. En toen op het campingveld óók nog ineens een Jakobsladder in de lucht te zien was, was het voor Wijma duidelijk. De camping werd Polemonium gedoopt. „Voor mij staat die naam voor een uitgestoken hand.”
En dus is alles gratis. De caravans waarin de gasten slapen, de activiteiten, en het eten en drinken. En dan is er nog Appie Gein, de tweedehandskledingwinkel op het terrein. ‘Kleding onbeperkt’, heeft Wijma met viltstift bij de voordeur geschreven. Daaronder, voor wie het nog niet begrepen had: ‘gratis’.
Janny Lettinga (52) staat nu voor de tweede keer met haar zoon op de camping. Ze vond het „spannend” om zich aan te melden. Door ziekte werd ze arbeidsongeschikt en kwam ze in de bijstand terecht. „Dat vond ik moeilijk om te zeggen”, zegt ze. „Ik had bij dat woord toch het beeld van mensen die zelf geen moeite meer doen.”
Toen ze op de camping ook nog kleding mocht uitzoeken, werd het Lettinga even te veel. „Ik voelde me heel bezwaard om het aan te nemen”, zegt ze. „Maar ja, ik had het wel nodig.”
Appie kent die schroom. Juist daarom wil hij niet dat gasten zich tegenover hem ook nog moeten verantwoorden. Een inkomenstoets doet hij niet en naar hun verhaal vraagt hij evenmin. „Mensen die mij bellen, die geloof ik. Ik oordeel niet.” Bovendien, zegt hij, bestaat er naast geldgebrek ook zoiets als „levensarmoede”. „Dan ben je misschien niet arm, maar heb je zoveel ellende meegemaakt dat je daar even van moet bijkomen.”
Dat Appie zoveel kan weggeven, komt doordat anderen op hun beurt aan hem geven. De oude kassen van zijn kwekerij staan inmiddels tot de nok toe vol. Tegen lunchtijd loopt een jonge vrouw het terrein op met een tas nieuw kinderondergoed van de Hema. Ze heeft het zelf ook moeilijk gehad en wil nu iets terugdoen. „Dat is nou liefde”, zegt Appie.
Er zijn heel veel verschillende mensen en bedrijven die kleding en voedsel schenken aan de camping van Appie.
De vakantieweken draaien voor Appie vooral om de kinderen. Wie thuis voortdurend bezig is met rondkomen, zegt hij, houdt niet altijd de ruimte over om samen iets leuks te doen. Zelf verloor hij, met het overlijden van zijn moeder op veertienjarige leeftijd, een groot deel van zijn jeugd. „Dus ik weet een beetje hoe het is.”
Voor kinderen zit de activiteitenkalender dan ook propvol. Zaterdag verzorgt zijn neef de bingo, zondag komt een christelijke motorclub langs. Er is een midgetgolfbaan en er zijn pizzaovens. Afgelopen weekend reden militairen van Defensie met legertrucks het terrein op; deze middag gaat de hele groep naar het openluchtzwembad in Surhuisterveen.
Zorgeloosheid van de kinderen is het doel, maar Appie zelf is niet zonder zorgen. Hij maakt dagen van zestien uur. Nu heeft hij een koortslip. Zoveel blaasjes als deze zomer heeft hij niet eerder gehad. „Maar ja”, zegt hij, „je moet toch een beetje gek zijn om dit te doen.”
Tussen de campingtafels zoeft een meisje voorbij. Blond haar, roze fiets, blauwe kettingkast, zijwieltjes. Even later komt ze weer langs. En nog eens.
Appie kijkt haar na. „Daar doe ik het voor”, zegt hij. „De hele week is ze er niet af te krijgen.”
Dan vraagt hij zich hardop af of ze thuis eigenlijk een fiets heeft.
„Zo niet”, zegt hij, „dan krijgt ze deze mee.”
Alles is gratis.