Intersectionaliteit De constatering van Bob Scholte (Left Laser) dat de linkse nadruk op intersectionaliteit niet aanslaat bij de – veelkleurige – werkende klasse, leidde tot een hausse aan kritiek vanuit links. Dat die zich toespitste op zijn identiteit – wit, man – betreurt Marwa Bouazzati. Het zou over de inhoud van zijn argumenten moeten gaan.
Schoonmakers bereiden acties voor nadat FNV-leden het cao-eindbod van de werkgevers hebben afgewezen.
Tim Hofman sprak in zijn reeks Grote Gesprekken met Bob Scholte, hét gezicht van het groeiende kanaal Left Laser. Het werd een confronterend gesprek waarin Bob zijn mening niet onder stoelen of banken stak. Bob Scholte, ook wel bekend als Bob Sneevliet als eerbetoon aan de communistische verzetsstrijder Henk Sneevliet, is een uitgesproken communist, iets wat nou niet bepaald mainstream is binnen het Nederlandse politieke debat. Hij heeft één duidelijke overtuiging die bijna overal in zijn werk terugkomt: de werkende klasse moet centraal staan. Vanuit die overtuiging durft hij ook iets te doen waar links opvallend veel moeite mee lijkt te hebben, namelijk kritiek leveren op links zelf. En dat deed hij tijdens zijn gesprek met Tim Hofman uitgebreid.
Marwa Bouazzati is student politicologie en winnaar van de Marc Chavannes-prijs 2026.
Een belangrijk punt was zijn kritiek op intersectionaliteit binnen links. Volgens Scholte is intersectionaliteit niet hét antwoord gebleken en heeft de enorme aandacht ervoor links ook niet gebracht wat ervan werd verwacht. De klasse moet volgens hem weer centraal komen te staan, in plaats van de verschillende identiteiten die mensen onderscheiden. Niet lang na de uitzending stroomden de reacties binnen. Sylvana Simons en anderen wezen op zijn positie als witte man en vonden het veelzeggend dat juist iemand met zijn privileges kritiek heeft op intersectionaliteit. Interessant, vond ik dat. Om te zien hoe hard links tegen links in kan gaan. Nog interessanter was dat veel van de kritiek precies laat zien waar Scholte het over had.
Het is belangrijk om eerst helder te krijgen wat Scholte bedoelt wanneer hij kritiek levert op intersectionaliteit. Hij ontkent nergens dat afkomst of gender invloed heeft op hoeveel zeggenschap iemand heeft en hoe vatbaar iemand is voor uitbuiting. Zijn kritiek komt daarna. Zijn maatstaf voor succes is niet hoeveel onze taal is veranderd, hoe inclusief reclames zijn geworden of hoeveel bedrijven inmiddels weten welke woorden ze moeten gebruiken. Hij kijkt naar de mensen tussen wie hij zich begeeft, de werkende klasse, en constateert dat intersectionele politiek daar nauwelijks is aangeslagen. Dat is iets anders dan zeggen dat racisme of seksisme er niet toe doen.
Neem Black Lives Matter, de beweging die invloed heeft gehad op hoe we praten over racisme en wie er zichtbaar is in media. Meer zwarte gezichten, diversiteitscampagnes, bedrijven die zich nadrukkelijk inclusief presenteren. Scholte vraagt zich af hoeveel macht daarmee daadwerkelijk is verschoven. En hij heeft gelijk: terwijl Amsterdamse instellingen hier bakken met geld mee verdienen, blijven de economische verhoudingen grotendeels overeind. En ondertussen is extreemrechts ook nog eens enorm gegroeid. Dan mag je je toch afvragen of links zijn eigen succes misschien te veel is gaan afmeten aan taal en representatie.
Die vraag wordt nog relevanter wanneer je kijkt naar BIJ1, een partij die intersectioneel denken juist heel nadrukkelijk onderdeel maakte van haar politiek. De partij kwam in 2021 met één zetel in de Kamer, verloor die in 2023 en wist ook bij de verkiezingen van 2025 geen zetel te behalen. Dat maakt de vraag waarom deze politiek zo weinig aanslaat buiten een relatief kleine progressieve kring wel gerechtvaardigd. Je kunt ontzettend zorgvuldig spreken over inclusiviteit en identiteit, en tegelijkertijd nauwelijks aansluiting vinden bij de brede groep werkenden in Rotterdam-Zuid, om maar even een voorbeeld te noemen. Een linkse politiek die de arbeidersklasse wil organiseren moet uiteindelijk ook herkenbaar zijn voor de mensen die elke ochtend vroeg opstaan om schoon te maken, in de haven te werken, pakketten te bezorgen of in de zorg te werken.
Dit alles maakte dat ik de reactie van Sylvana Simons zo opvallend vond. Zij schreef dat Scholte blijkbaar denkt dat de ‘hardwerkende Nederlander’ wit, heteroseksueel en zonder beperking is. Enige toelichting waarom zijn verhaal volgens haar tot die conclusie leidt, ontbrak. Terwijl daar nu juist de discussie had moeten beginnen. Waarom zou een pleidooi voor de werkende klasse betekenen dat die klasse wit is? Een Marokkaanse vrouw kan arbeider zijn, een zwarte man kan arbeider zijn en iemand met een beperking kan dat zijn. Het centraal stellen van klasse wist die verschillen niet uit, maar zoekt juist waar mensen ondanks die verschillen een gezamenlijk belang hebben. Door Scholtes kritiek vervolgens vrijwel direct door de lens van zijn eigen huidskleur te bekijken, gebeurt precies waar hij voor waarschuwt. De identiteit van de spreker krijgt meer aandacht dan de inhoud van zijn argument.
Links kan niet voortdurend van anderen vragen om kritisch naar macht en structuren te kijken, zonder diezelfde kritiek op zichzelf toe te laten. Als intersectionaliteit daadwerkelijk de beste politieke strategie is, moet die kritiek inhoudelijk te weerleggen zijn. En wanneer een beweging merkt dat ze een groot deel van de werkende klasse niet bereikt, zou de eerste reactie nieuwsgierigheid moeten zijn, in plaats van verdediging. Scholte durft die ongemakkelijke vraag in elk geval wel te stellen.