Evacués Het is deze week vijf jaar geleden dat de Taliban de macht overnamen in Afghanistan. Veel diplomatieke missies verlieten halsoverkop het land, ook Afghanen die werkten op de Nederlandse ambassade in Kabul. Hoe vergaat het ze nu?
Tahmeena Sattari, oud-medewerker van de Nederlandse ambassade in Kabul, Afghanistan.
Jaren heeft ze „in survival–stand” geleefd. Sombere gedachten, lichamelijke klachten. Een belangrijke doorbraak was het berichtje dat Tahmeena Sattari (33) rond de jaarwisseling verstuurde, via onder meer Facebook, naar haar oud-collega’s. Naar de Nederlandse medewerkers van de ambassade in Kabul, die eerder werden geëvacueerd dan zijzelf. En die het crisisteam vormden dat ervoor zorgde dat Sattari tóch naar Nederland werd gehaald, een week nadat de Taliban de Afghaanse hoofdstad waren binnengevallen.
„De collega’s zijn een grote steun geweest bij de komst naar Nederland”, schreef Sattari. „Afgelopen paar jaar heb ik me wat afzijdig gehouden, ik was mentaal op. Het voelde belangrijk om weer contact te kunnen hebben en te informeren naar hoe het met ze gaat, zonder aan de narigheid herinnerd te worden.” Het idee dat ze zou zijn ‘achtergelaten’, daar wil ze vanaf. „Het was voor hen óók eng, zij wisten ook niet wat ze moesten doen”, zegt ze.
Deze week is het vijf jaar geleden dat de Taliban de macht overnamen in Afghanistan. Hun terugkeer in 2021 luidde het haastige vertrek in van veel internationale organisaties en diplomatieke missies, waaronder de Nederlandse. Voor de Afghanen die werkten op de ambassade bleek geen evacuatieplan te bestaan; in Den Haag brak een fel debat los over wie naar Nederland mocht worden gebracht.
Vanaf 16 augustus 2021, de dag dat Taliban-strijders door de straten van Kabul liepen, tot hun aankomst in Nederland, hield NRC een week lang contact met Sattari, destijds adviseur in gender- en mensenrechtenkwesties, en met consulair medewerker Muzghan Mehr (38). Met andere collega’s van de lokale staf stelden zij de ‘evacuatielijsten’ op. Uiteindelijk mochten ze naast zichzelf ook ‘directe familieleden’ aanmelden, 207 evacués in totaal.
Enkele leden van de ambassadestaf besloten in Afghanistan te blijven en een groep bewakers voldeed niet aan de criteria van Den Haag. Die procederen nog altijd om hulp van de Nederlandse staat te krijgen, zodat ze kunnen vertrekken. In de zomer van 2021 werden in totaal zo’n 1.800 ‘Afghaanse helpers’ naar Nederland gehaald – naast ambassademedewerkers ook vertalers van ngo’s, fixers en medewerkers van militaire en politiemissies.
De evacués die mee mochten, moesten zelf naar het vliegveld van Kabul zien te komen – voor velen een hachelijke rit door een stad met checkpoints en controles door de Taliban – waar ze door een crisisteam van Nederlandse commando’s op het vliegtuig werden gezet. Op zaterdag 21 augustus 2021 vertrokken de ambassademedewerkers uit Kabul, hun thuisland onder Taliban-bewind achterlatend.
Hoe vergaat het Mehr en Sattari nu, vijf jaar later in Nederland?
Muzhgan Mehr, voormalig medewerker van de Nederlandse ambassade in Kabul.
Sattari woont in Nijmegen, met haar ouders en zus. „Ik kende Amsterdam, Den Haag. Nijmegen is kleiner, dat is wennen als je zelf uit een hoofdstad komt. Maar nu ken ik het beter.” We hebben afgesproken in een café in het centrum, als je daar vanuit het treinstation naartoe loopt, zie je op meerdere winkelpuien stickers met ‘Refugees Welcome’. Voor het interview begint bestelt ze een chai latte („Chai is nu natuurlijk hip, maar het is ook echt een ding in Zuid-Aziatische culturen”).
In Amsterdam ontvangt Mehr in haar eigen appartement. Haar ouders wonen in Roosendaal. Ze vertelt dat ze „blij en opgelucht” was toen ze de flat in 2023 kreeg toegewezen, nadat ze kort verbleef in onder meer Emmen en Ede. Het appartement was helemaal leeg, ze kon zich uitleven in de aankleding. De grijze gordijnen, de tapijten in schakeringen blauw – alles past bij elkaar. „Ik had natuurlijk helemaal geen spullen van mezelf bij me, toen we weggingen”, zegt ze zachtjes. Mehr spreekt snel verder, over de zelfgemaakte schilderijtjes die overal in haar „tweede thuis” hangen. „Afghanistan zit in mijn hart, daar ben ik in gedachten nog heel vaak.”
De ruim tweehonderd mensen die met die eerste evacuatievluchten overkwamen, werden opgevangen in een noodopvang bij het Groningse Zoutkamp. Voor de meesten volgden vele omzwervingen langs asielzoekerscentra verspreid door Nederland. In die groep Afghaanse ambassademedewerkers bevonden zich niet alleen beleidsmedewerkers of hogeropgeleide stafleden, maar ook schoonmakers en chauffeurs. Het ex-personeel had in de eerste maanden in Nederland veel onderling contact, inmiddels is dat verwaterd. Iedereen probeert een nieuw leven op te bouwen, klinkt het.
Ook hoort NRC over het ongemak van de collectieve identiteit als ‘Afghaanse ambassademedewerkers’. Zo werd het sommigen niet in dank afgenomen dat ze zich destijds kritisch uitlieten over hun moeizame evacuatie en de procedures in Nederland – ook niet door Nederlandse collega’s met wie ze in Kabul werkten.
NRC heeft, naast Sattari en Mehr, nog twee oud-medewerkers in Nederland gesproken. Ze willen niet herkenbaar in de media verschijnen (de namen zijn bekend bij de redactie) uit zorgen over de veiligheid van hun familie of bekenden in Afghanistan. De Taliban zouden nog steeds represailles uitvoeren voor ‘collaboratie’ met westerse mogendheden.
Ook vrezen ze voor hun positie in Nederland, vooral door de strengere asielprocedures van het Europese migratiepact, dat vanaf 12 juni ook in Nederland geldt. Daarover is flinke onrust ontstaan onder de evacués. Ze kregen kort na hun aankomst in Nederland allemaal een vijfjarige verblijfsvergunning, maar de nieuwe vergunningen gelden straks maximaal drie jaar. En door de nieuwe regels is onduidelijk of de Afghaanse vluchtelingen in aanmerking komen voor een permanente verblijfsvergunning en een Nederlands paspoort, zoals in de oude procedure.
Het doet Sattari denken aan iets wat haar vader haar op het hart drukte toen het gezin in de noodopvang in Zoutkamp aankwam: „Als je eenmaal gevlucht bent, zul je nooit meer stabiliteit kennen. Word maar niet té comfortabel hier, je weet het nooit.” Haar vader en moeder waren Afghanistan ook al in de jaren negentig ontvlucht, tijdens het eerste Taliban-bewind. De ervaring van ontheemding bleef haar vader bij – ook toen het gezin terugkeerde en de oudste dochter in Kabul kon studeren en een goede baan kreeg. Dat haar familie juist door haar werk zodanig gevaar zou lopen dat ze opnieuw moest vluchten, daarvan heeft Sattari nog altijd een knoop in haar maag.
Inmiddels begrijpt ze haar vaders waarschuwing en diens gevoel van permanente instabiliteit, door het verhitte debat in Nederland over asielzoekers en migratie. Maar de keerzijde van dat gevoel, denkt Sattari, is veerkracht. Dat ziet ze in Nijmegen ook terug: haar vader gaat zwemmen, hij leert Nederlands in winkels en via de televisie.
Tahmeena Sattari.
Mehr, jarenlang assistent van de ambassadeur, ging aan de slag bij de maatschappelijke organisatie SPARK, die het ex-personeel hielp een nieuwe baan te vinden in Nederland. Op afstand werkte ze ook mee aan ontwikkelingsprojecten voor vrouwen in Afghanistan, voornamelijk in de meer rurale gebieden. De projecten moesten uiteindelijk worden gestaakt – de ngo kreeg de financiering niet langs de Taliban. Naast haar baan bij een groot bouwbedrijf is Mehr ook vrijwilliger bij Vluchtelingenwerk.
Door de onrust over de nieuwe asielregels werd een van de groepschats van het ex-personeel nieuw leven ingeblazen. Ze probeert niet te veel in paniek te raken, vertelt Mehr, maar ze kwam wel in actie. Informatie verzamelen, contacten bij elkaar zoeken – eigenlijk zoals ze ook op de ambassade zou hebben gedaan bij een lastige kwestie.
Nieuws dat Mehr wél uit balans bracht, is dat Brussel voorzichtig het contact aanhaalde met Kabul. Vijftien EU-landen hebben met de Afghaanse machthebbers gesproken over de mogelijke terugkeer van (criminele) asielzoekers. Toen Mehr daar eind juni over hoorde, was ze van slag. „Ik kan het gewoon niet geloven: wordt nu de rode loper voor de Taliban uitgerold?”
Maar de Europese Commissie benadrukte dat het contact met Kabul niet meer behelst dan „technische gesprekken” met de „de facto-machtshebbers”. De EU en andere westerse landen willen de Taliban niet diplomatiek erkennen, vooral vanwege schendingen van vrouwenrechten.
Mehr is niet overtuigd. „Het lijkt wel alsof de Taliban helemaal niet worden aangesproken op de positie van vrouwen. Hoe kán je daarover zwijgen?” Anders dan op de ambassade deed, kan Mehr Nederlandse beleidsmakers nu niet direct informeren of hun blik op Afghanistan beïnvloeden.
Ze denkt dat Europese beleidsmakers, juist doordat in Afghanistan geen diplomatieke missies van hun landen meer actief zijn, onvoldoende beseffen hoezeer de levens van vrouwen worden beperkt door het strenge bewind en de zedenregels van de Taliban. Mehr voelt geen schroom om zich uit te spreken. „Ik zou Nederland én Afghanistan geen dienst bewijzen als ik nu te bang ben om mijn kritiek op de Taliban te uiten.”
Ook Sattari blijft denken aan de vrouwen in haar thuisland. Ze kon contact blijven houden met haar beste vriendinnen, van wie een aantal eveneens werd geëvacueerd naar Europa. Elke zomer, in juli of augustus, proberen ze elkaar op te zoeken in Frankrijk of Duitsland. Ze kennen elkaar door en door en delen angstige ervaringen van hun vertrek uit Afghanistan. „Het is fijn dat je dat bij elkaar kunt aanvoelen – zelfs als we gewoon een weekend lol maken. Zulke solidariteit gun ik alle Afghanen, zeker de burgers die nu onder de Taliban leven.”
Muzhgan Mehr.