Anthony Kenny (1931-2026) | filosoof Hij was een onvermoeibare academicus. Dat zijn leven een filosofische afslag zou nemen, was niet meteen duidelijk.
Anthony Kenny in 2009.
Hij was een publieksfilosoof van de beste soort. Een erudiete, bevlogen én serieuze uitlegger van filosofische ideeën en de geschiedenis van de westerse wijsbegeerte. Met oog voor het culturele belang van religie, al verliet hij de kerk en beschouwde hij zichzelf als agnost.
Sir Anthony Kenny, begin deze maand op 95-jarige leeftijd overleden, was een onvermoeibare academicus en auteur van vele boeken die filosofie uit met name de Angelsaksische traditie voor een groot publiek toegankelijk maakten. Vanaf de late jaren zestig schreef hij even scherpzinnige als heldere monografieën over Descartes, Thomas van Aquino, Wittgenstein en de logicus en taalfilosoof Frege, die de tand des tijds hebben doorstaan. In het nieuwe millennium verscheen zijn vierdelige A New History of Western Philosophy, in 2010 uitgebracht in één vuistdik deel. Kenny’s stijl maakte de delen een plezier om te lezen, zonder concessies te doen aan de inhoud.
Als docent filosofie doceerde Kenny aan vele universiteiten. Hij was in Oxford verbonden aan Trinity, Exeter en Balliol College (waar hij master werd), was curator van de Bodleian Library in die stad en bestuurder van de British Library. Hij gaf leiding aan de verhuizing en nieuwbouw van de roemruchte Londense bibliotheek. Kenny was ook verantwoordelijk voor het digitaliseren van academische bibliotheken in Oxford. Daarnaast was hij gasthoogleraar aan tal van Amerikaanse universiteiten en wetenschappelijke instellingen.
„Kenny was een generalist die ook door specialisten werd gewaardeerd”, zegt filosoof en NRC-recensent Menno Lievers die colleges liep bij Kenny. Lievers noemt hem „een heel aardige man die ongelooflijk hard werkte”. Ook opmerkelijk, in het academische Oxford: „Na het eten ging hij meteen weer aan het werk.” Kenny nam zijn herinneringen aan de universiteit op in zijn onderhoudende memoires Brief Encounters. Notes from A Philosophers Diary (2018). Over de politicus en latere Conservatieve premier Boris Johnson, die studeerde aan Balliol College terwijl hij daar rector was, schrijft hij dat die tijdens zijn studie jammer genoeg geen waarheidsliefde of wijsheid had opgedaan, hooguit het talent om „geestige en sprankelende toespraken te houden”.
Behalve in de Angelsaksische wereld onderhield Kenny ook wijsgerige contacten in Europese landen. In 1980 werd hij in Tsjechoslowakije gearresteerd en het land uitgezet nadat hij een lezing had gehouden bij de dissidente hoogleraar Julius Tomin in Praag. „Ik weet nog steeds niet welke wet wij hebben overtreden”, zei Kenny volgens een verslag in NRC Handelsblad, „tenzij er een bepaling is die mensen verbiedt elkaar te ontmoeten en over Aristoteles te spreken.”
Dat zijn leven een filosofische afslag zou nemen, was niet meteen duidelijk. Anthony John Patrick Kenny, in 1931 geboren in Liverpool, volgde aanvankelijk een godsdienstige roeping. Hij werd tot priester gewijd in de katholieke kerk, diende tot begin jaren zestig als kapelaan maar verliet de kerk na een geloofscrisis. Volgens zijn autobiografie A Path from Rome (1986) viel hij door het lezen van Wittgenstein van zijn geloof. Niet overtuigd door bewijzen voor het bestaan van God of ertégen, werd Kenny agnost. In 1961 promoveerde hij in de wijsbegeerte in Oxford, een brandpunt van analytische filosofie. Twee jaar later publiceerde hij Action, Emotion and Will, wel gezien als zijn meest originele filosofische werk. Zijn priesterwijding werd niet ingetrokken, waardoor zijn latere huwelijk nooit kerkelijk werd erkend.
Religie liet Kenny niet los, ook niet nadat hij de kerk had verlaten. Hij schreef veel over het thomisme, de officiële metafysica van de rooms-katholieke kerk. In een vroeg werk, The Five Ways (1969) bekritiseerde hij de godsbewijzen van Thomas van Aquino. Ook nam hij de ontologie (zijnsleer) van Aquino onder de loep, in Aquinas on Being (2002) en schreef hij over diens filosofie van de geest (Aquinas on Mind, 1993). Al die werken getuigen van een analytische geest en kritische zin, geslepen door Wittgenstein en Frege, maar ook van diep respect voor de intellectuele prestaties van Aquino. In het bondige, persoonlijke What I Believe (2006) bevestigde hij nog eens zijn agnosticisme.
Bidden bleef hij wel. Kenny zag geen reden waarom een agnosticus dat niet zou mogen. „Als je in je eentje strandt ergens hoog op een bergtop mag je toch ook om hulp roepen”, zei hij, „ook al heb je geen idee of er iemand naar je luistert.”
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin