Op 15 augustus is het vijf jaar geleden dat Kabul in handen viel van de Taliban. Waarom is Nederland nog altijd zo weinig bereid om publiekelijk te leren van de twintig jaar dat wij in Afghanistan betrokken waren?
Vijf jaar geleden namen de Taliban Afghanistan over. Nederland liet samen met de rest van het Westen Afghanistan achter in chaos. We deden alsof de betrekkingen met Afghanistan uitsluitend militair konden zijn. Daarna probeerden we het hoofdstuk af te sluiten met wat plichtmatige evaluaties en hoopten we dat het verhaal vanzelf zou verdwijnen. Maar Afghanistan verdwijnt niet, en de verantwoordelijkheid die we hebben, evenmin.
De politieke aandacht is wel verdwenen. We praten een beetje over hoe Europa in Brussel met vertegenwoordigers van de Taliban praat – en dat gebeurt om rechtse partijen te laten zien dat we bereid zijn zelfs vrouwen en voormalige medewerkers terug te sturen naar een regime dat hen actief vervolgt.
Over de auteur
Willem van de Put is oud-directeur van HealthNet TPO en werkt als onderzoeker aan het Institute of International Humanitarian Affairs (IIHA) van de Fordham University in New York.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Wie in Afghanistan werkte en niet in een militair kamp of een ambassadecomplex verbleef, maar gewoon in dorpen, klinieken, ziekenhuizen en ngo-kantoortjes werkte, zag een heel andere werkelijkheid dan de Nederlandse politiek ooit heeft willen erkennen.
Vanaf het begin werden de Taliban geframed als een unipolaire beweging van middeleeuwse barbaren. Dat beeld was politiek handig, maar in werkelijkheid onhoudbaar. De Taliban waren – en zijn – een coalitie van lokale groepen, verbonden door conservatieve religie, Pashtun-erecodes en een diep wantrouwen tegen buitenlandse inmenging. Dat was al vóór 9/11 bekend dankzij journalisten en onderzoekers als Ahmed Rashid en Bette Dam. Toch deden we alsof ze een monolithische vijand vormden die je met bombardementen en 'capacity building' kon verslaan.
Wie in Afghanistan werkte, zag hoe dat frame het denken van militairen, diplomaten en zelfs sommige hulporganisaties bepaalde. Lokale conflicten werden steevast geïnterpreteerd als 'Taliban-activiteit', terwijl het vaak ging om landruzies, familievetes of eerkwesties. Maar het frame was sterker dan de werkelijkheid.
In de Nederlandse herinnering draait Afghanistan vooral om militairen. Hun inzet verdient zeker erkenning. Maar het is niet het hele verhaal. Ook hulpverleners en vooral Afghanen betaalden de prijs. Emotioneel en fysiek. We hebben collega's verloren en kennen de dorpen waar bruiloften werden gebombardeerd.
De internationale militaire aanwezigheid maakte het werk van hulpverleners vaak onmogelijk. Gezondheidscentra werden doelwit zodra buitenlandse troepen zich ermee bemoeiden. De Aid Worker Security Database laat zien dat Afghanistan jarenlang het gevaarlijkste land ter wereld was voor hulpverleners. Ik heb collega's verloren. Lokale medewerkers zijn verdwenen, vermoord, gevlucht. Families probeerden te overleven door strategisch loyaal te zijn: een broer bij de politie, een neef bij een ngo, een andere bij een Taliban-groep. Het afdwingen van 'democracy at gunpoint' werkte niet – zoals iedere kenner had voorspeld.
Nederland heeft altijd beweerd dat het in Afghanistan was voor 'wederopbouw'. Maar de militaire logica domineerde alles. Los van de vreemde houding (wij komen gewapend om jullie democratie en wederopbouw te brengen) spreken de cijfers voor zich.
Tijdens de Nederlandse missie in Uruzgan (2006-2009) bedroegen de militaire uitgaven ruim 1,5 miljard euro, tegenover civiele ontwikkelingsuitgaven van ongeveer 160 miljoen euro. Omgerekend kwam dat neer op ongeveer 300 duizend euro per militair per jaar, tegenover ruwweg 100 euro per inwoner van Uruzgan aan civiele investeringen.
Op basis van de beschikbare IOB-evaluaties, Kamerstukken en Defensiebegrotingen kan een conservatieve schatting van de totale kosten over de periode 2001-2021 worden gemaakt. Ongeveer 2,3 miljard euro aan militaire uitgaven staan tegenover circa 190 miljoen euro aan wederopbouwuitgaven. Twaalf keer zoveel aan militaire inzet als aan civiele opbouw. Die verhouding illustreert hoe groot de nadruk bleef liggen op militaire inzet, ondanks de officiële 3D-benadering van diplomatie, defensie en ontwikkeling.
Volgens het Costs of War Project kostte de Amerikaanse oorlog in Afghanistan ongeveer 2,3 biljoen dollar. Omgerekend is dat ongeveer 59 duizend dollar per Afghaan die in 2021 in Afghanistan woonde. Afghanen zelf ontvingen dat bedrag niet. Het werd uitgegeven aan militaire operaties, logistiek en materieel.
Maar vijf jaar na de val van Kabul is de reflex om Afghanistan te vergeten sterker dan ooit. De keuze om geen verantwoordelijkheid te nemen is pijnlijk. Wat Nederland moet erkennen, is dat de interventie gebaseerd was op verkeerde aannames, dat de militaire aanwezigheid het civiele werk vaak onmogelijk maakte en dat Afghanen niet alleen slachtoffer waren van de Taliban, maar ook van ons handelen.
In plaats van te vergeten moeten we de Nederlandse rol in Afghanistan eerlijk en publiekelijk onder ogen zien. Schuldigen aanwijzen heeft weinig zin, maar verantwoordelijkheid nemen en lessen leren is een plicht. We moeten leren dat interventies alleen zin hebben als we bereid zijn de werkelijkheid te zien zoals die is – en niet zoals we die willen framen. Vijf jaar na het verlaten van Afghanistan is het tijd om te herinneren, te erkennen en te leren.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant