Straat van Hormuz Nog altijd zitten duizenden bemanningsleden vast op schepen bij de Straat van Hormuz, die weer potdicht zit. De afgelopen maand werden twaalf schepen aangevallen, zeker zeventien bemanningsleden kwamen om. De Indiër Ramesh Dhandapani werd op een haar na gemist.
Olietankers en andere vrachtschepen liggen voor anker bij Muscat, Oman, omdat de Straat van Hormuz gesloten is. Aan beide kanten van de zeestraat ligt het scheepsverkeer stil en worden schepen beschoten.
Ramesh Dhandapani is aan het werk op de brug van de olietanker Coba als op 15 juli om iets voor half twaalf ’s avonds het scheepsalarm begint te loeien. Het schip ligt al maanden voor anker in Iraanse wateren dichtbij de Straat van Hormuz, midden in oorlogsgebied.
Kort daarna klinkt het hoge gezoem van een drone. Direct daarna een harde, doffe dreun. De ramen springen, een scherf van een explosief komt een halve meter naast Dhandapani terecht. „Rennen! Rennen!”, roept hij naar de scheepscadet die op wacht staat op de brug.
Een scheepswand is ontzet, is te zien op foto’s die Dhandapani met NRC deelde. Resten van het explosief en afgebroken propellers van de drone liggen aan dek. Rook komt uit de batterijruimte, die belangrijk is voor noodstroom, vertelt Dhandapani in een telefoongesprek.
De brand is snel geblust en wanneer de bemanning bij elkaar is, ontdekken ze dat er gelukkig niemand gewond is geraakt. De rest van de nacht brengen ze aan dek door. „Daar waren we het veiligst”, zegt Dhandapani. „Vooral de brug en de machinekamer worden beschoten om het schip onklaar te maken. Niemand zal het dek bombarderen, want dan vliegt de olie in brand en raakt de zee vervuild.”
Die nacht doet Dhandapani geen oog dicht. „Ik heb alleen maar liggen staren in het duister en liggen luisteren naar elk geluidje dat ik hoorde. Maar het bleef stil.”
Ramen van het schip zijn gesprongen en restanten van het explosief liggen aan boord.
Nog altijd zitten zo’n zesduizend bemanningsleden, vooral Indiërs en Filipijnen, vast op zee vanwege de Israëlisch-Amerikaanse oorlog met Iran. Hun schepen konden niet vertrekken uit de Perzische Golf in de korte periode in juni dat de straat geopend was. Nu zit die weer potdicht. Secretaris-generaal Arsenio Dominguez van VN-scheepvaartagentschap IMO riep vorige maand nog op de opvarenden te beschermen. „Geen enkele zeevarende zou zijn leven moeten riskeren enkel vanwege het doen van zijn werk.”
In de afgelopen maand werden twaalf schepen aangevallen bij de Straat van Hormuz. Sinds het uitbreken van de oorlog kwamen zeventien bemanningsleden om, blijkt uit cijfers van de IMO. Dinsdag schoot een Amerikaanse helikopter twee raketten af op een vrachtschip in de Golf van Oman. Bij die aanval raakte niemand gewond.
Dhandapani was een half jaar eerder begonnen als vierde werktuigkundige op de Coba. Het schip vervoert Iraanse olie en staat op de Amerikaanse sanctielijst. Nadat de Verenigde Staten samen met Israël eind februari Iran aanvielen, kreeg de kapitein de opdracht naar Iran te varen voor een nieuwe lading olie. De bemanning weigerde, maar werd gedwongen, vertelde Dhandapani begin juli aan NRC.
Sindsdien probeert Dhandapani naar huis te komen. Zijn baas zegt dat hij moet blijven, dat er geen mogelijkheid is om hem van het schip te halen. Zelfs wanneer zijn contract begin juli afloopt, geeft zijn werkgever geen sjoege.
Nadat NRC op 10 juli het verhaal van Dhandapani publiceert, wordt hij gebeld door zijn werkgever. „Hij wilde van me weten waarom ik contact had opgenomen met de media”, vertelt Dhandapani op 14 juli. Hij is bang dat zijn werkgever wraak zal nemen omdat hij met de media heeft gepraat. „Ik word gek hier, ik weet niet hoe ik uit deze gevangenis moet ontsnappen.”
Een dag later gebeurt waar hij al die maanden bang voor was – zijn schip wordt aangevallen.
Volgens Dhandapani was het een Iraanse aanval: de drone die ze aan boord vonden had een opschrift in het Farsi, zegt hij. De kapitein had van de Iraanse marine gehoord dat het een vergissingsaanval was, vertelt Dhandapani. Vilas Binnar van Morse Code Marine Services, de werkgever van Dhandapani, bevestigt de aanval en zegt telefonisch dat ook hij van Iraanse autoriteiten te horen heeft gekregen dat het een vergissingsaanval was.
Twee dagen later ontkomt Dhandapani nog een keer. ’s Avonds laat ziet de cadet die op wacht staat een lichtstreep op hun boot afkomen. Direct daarna volgt een zelfde doffe knal. Maar dat explosief plonst in de oceaan, de aanval is onderschept.
Na de eerste aanval smeekt Dhandapani zijn baas om naar huis te kunnen. „Hij bleef zeggen dat het niet kon, dat het weer slecht was, dat er geen boot was.”
Op 20 juli komt er goed nieuws voor Dhandapani: een speedboot haalt hem en vijf collega’s van boord en brengt hen naar het Iraanse vasteland. Vanuit daar moeten ze zevenhonderd kilometer reizen naar Shiraz, omdat het dichtstbijzijnde vliegveld van Bandar Abbas is gebombardeerd.
„Ik was nog steeds bang”, zegt Dhandapani. „We reden langs gebombardeerde bruggen en grote bomkraters. ‘Amerika’, was het enige wat onze chauffeur ons duidelijk kon maken toen we langs een gebombardeerde brug reden. Hij sprak geen Engels, wij geen Farsi.”
Vanuit Shiraz kan hij eindelijk een vliegtuig nemen, op weg naar India. „Pas toen het vliegtuig opsteeg kon ik eindelijk weer rustig ademen”, zegt hij. „We zijn veilig, we zijn veilig!”
De bruiloft van zijn zus, die in juli trouwde, heeft Dhandapani grotendeels moeten missen. Toch is hij blij. Hij is thuis en heeft het grootste deel van zijn salaris ontvangen. Maandenlang weigerde zijn baas dat te betalen. Alleen het salaris voor juli – ruim duizend dollar – ontbreekt nog.
Ramesh Dhandapani aan boord van de Coba.
Volgens Dhandapani heeft het krantenbericht alles veranderd. „Ik smeekte al maanden om naar huis te kunnen en om mijn salaris te krijgen. Pas nadat jullie vragen stelden kregen we ineens allemaal betaald en kon ik naar huis.”
Dhandapani’s werkgever Binnar zegt dat hij zijn best heeft gedaan de bemanning op tijd naar huis te sturen. Maar de logistiek en het papierwerk in Iran was lastig, daarom duurde het langer, zegt hij. Volgens Binnar worden alle salarissen op tijd betaald.
De rest van de bemanning zit nog aan boord van het schip. De Straat van Hormuz zit weer dicht, wanneer ze weg kunnen weet niemand. Niemand van hen wil met een journalist praten, zegt Dhandapani. „Ze zijn bang omdat ze hebben gezien wat voor kritiek ik kreeg toen ik ging klagen.”
Inmiddels heeft Dhandapani een baan gevonden bij een andere werkgever. Naar het Midden-Oosten wil hij nooit meer, maar hij gaat wel weer varen. Ditmaal op een gastanker, met iets meer salaris. Maar voordat hij kan beginnen moet hij eerst z’n gezondheid op peil brengen. „Ik kwam niet door de medische test, ik heb een vitaminetekort. Het eten aan boord was zo slecht. Ik moet aansterken voordat ik weer kan varen.”