Als PvdA-fractievoorzitter was Jacques Wallage in de jaren negentig de man die het stelletje ongeregeld in de fractie bij elkaar moest houden zodat premier Kok in het zadel bleef. Een hondenbaan waar Wallage toch voldoening uit haalde, tot hij als burgemeester naar zijn bakermat Groningen vertrok.
recenseert voor de Volkskrant boeken over politiek en openbaar bestuur.
Van alle hondenbanen die denkbaar zijn in Nederland – bondscoach van het
nationale voetbalelftal, kardinaal, directeur van een asielzoekerscentrum – is
het fractievoorzitterschap van de Partij van de Arbeid misschien wel het
allerergst, al helemaal als de partij bij wijze van uitzondering niet in de
oppositie vertoeft, maar regeermacht bezit.
Jacques Wallage, woensdag op 79-jarige leeftijd in zijn woonplaats Groningen overleden, was fractievoorzitter van de PvdA. Hij was het tussen 1994 en 1998, Wim Kok was premier – sinds Joop den Uyl in een grijs verleden had de PvdA eindelijk weer eens een minister-president. Dat kabinet-Kok was een waagstuk, het CDA als vanzelfsprekende regeerpartner – we rule this country – was aan de kant geschoven. Kok zetelde in het Torentje, moest zaken doen met de natuurlijke tegenspeler de VVD, en het was aan Wallage om de radikalinski’s in de PvdA-fractie, de einzelgängers, de humeurigen, de beterweters – om het hele stelletje ongeregeld bij elkaar te houden, opdat Kok achter de regeringstafel niet zou uitglijden over een bananenschil.
Nu was het een hele tref dat Jacques Wallage allesbehalve een beginneling was
in de politiek. Al op 24-jarige leeftijd was hij raadslid in Groningen, twee jaar later was hij er wethouder. Hij was 35 toen hij Kamerlid werd, begin jaren negentig was hij staatssecretaris van Onderwijs respectievelijk Sociale Zaken. Hij had de kennis en de ervaring, hij beheerste de noodzakelijke debattrucs, hij was onvermoeibaar, hij dronk niet (héél belangrijk in zo’n functie), hij kon luisteren en voerde trouwens ook graag zelf het woord. Bovenal had hij het blinde vertrouwen van de humeurige Kok, die hem ‘de draaischijf’ tussen fractie en kabinet noemde, hetgeen voor Kok een uitdrukking was van warmte en genegenheid.
Jacques Wallage had met enige regelmaat te kampen met rebellie in de eigen gelederen. Het kon gaan over het migratiebeleid of over de inkomensverdeling, maar in wezen was het de weerzin onder fractieleden om bij het establishment te horen, bij de gevestigde politiek met haar onvermijdelijke neiging tot gladstrijken en wegmoffelen.
Daar kwam bij dat Wallage niet kon bogen op de vanzelfsprekende, collegiale sympathie van de fractie die zijn voorganger, Thijs Wöltgens, wel genoot ten tijde van het CDA-PvdA kabinet onder Lubbers. Het was vermoedelijk een kwestie van persoonlijkheid. Wallage wilde heel graag dat de fractie hield van haar voorzitter, maar bokkigheid was eerder zijn deel. Hij was rusteloos in de zoektocht naar eensgezindheid, hij was een procesmanager. In zijn zalige indolentie kon de Limburger Wöltgens het zich permitteren om de boodschappenbriefjes die de fractie hem meegaf naar het bewindsliedenoverleg, onderweg te verliezen. Voor Jacques Wallage was die weelde niet weggelegd.
In 1998 – hij zou voor de tweede keer fractievoorzitter worden, schipper naast Kok – nam Wallage onverhoeds afscheid van Den Haag. Het burgemeesterschap van Groningen, stad waaraan hij altijd verknocht is geweest, kwam vrij en de zoon uit een joods middenstandsgezin keerde terug naar de bakermat. Hij volgde zijn hart en liet de nerveuze wereld van het Binnenhof achter zich.
En toch, er zijn hondenbanen die paradoxaal genoeg een diep gevoel van voldoening geven. Wallage had het fractievoorzitterschap nooit willen missen. Voor hem gold dat hij als rechtgeaarde sociaal-democraat zichzelf in de politiek kon verwezenlijken. Hij heeft altijd geijverd voor zaken als sociale woningbouw, gelijke kansen in het onderwijs, gelijke kansen voor vrouwen en een rechtvaardige inkomensverdeling. Tegelijk heeft hij gaandeweg terrein moeten prijsgeven aan zijn overtuiging dat bij uitstek het politieke bedrijf, de PvdA voorop, de weg kan plaveien naar een betere toekomst.
Jacques Wallage heeft in veertig jaar politiek in zekere zin de hele cyclus doorlopen, van een maakbare wereld naar een breekbare. Toen hij in de jaren zeventig begon in de Groningse gemeentepolitiek, was de wereld nog maakbaar. Wallage maakte deel uit van een gezelschap van vier piepjonge wethouders (onder wie de latere PvdA-voorzitter Max van den Berg) die radicaal braken met de traditie van collegiaal bestuur. De oude hap moest ophoepelen, er kwam een links college dat investeerde in een autoluwe stad en in onderwijs in achterstandswijken. Het ging er hard aan toe, maar heil, geluk en voorspoed waren maakbaar. De politiek was waarachtig een instrument ten dienste van het volk.
Gaandeweg is de desillusie het ideaal gaan ondergraven en is maakbare politiek tot breekbare, kwetsbare politiek verworden. Wallage, de praktische idealist, moest onderkennen dat het politieke bedrijf niet meer het juiste zicht had, laat staan een sterke greep had op de onderhuidse, maatschappelijke sentimenten van verbetenheid en wrok. Lange tijd gold in de PvdA, ook bij Wallage, de overtuiging dat de opkomst van het Fortuynisme een aberratie was van het kiezersvolk, een jammerlijke miskleun die door de tijd zou worden geheeld. Wallage kwam daarvan terug: ‘Beroepspolitici zijn door Fortuyn onderuit geschoffeld. Daar zat veel demagogie bij. Maar hij verbond zich met een fundamentele onvrede. Ik had eerder moeten onderkennen dat de manier van politiek bedrijven het probleem is.’
Tot een paar weken voor zijn dood schreef Jacques Wallage elke veertien
dagen een rondzendbrief onder het Joodse motto Tikun Olam: de wereld
repareren, de sociale orde versterken. Hij was van 1946. Zijn Joodse ouders
moesten na de oorlog opnieuw beginnen, ze verlangden naar een vrije, verdraagzame wereld. Het is niet moeilijk te raden waar Wallage’s morele afwegingen vandaan kwamen. Zelf schreef hij in zijn memoires: ‘Te leven met schimmen uit het verleden kan zomaar uitlopen op een roeping voor de politiek.’
Wallage was gek op campagnevoeren, overal en nergens. Zoals midden in het Groningse Hogeland, toen hij vanuit een geluidswagen het kapitaal de oorlog verklaarde. Hij viel stil toen hij zag dat zijn publiek bestond uit een koe, aan de
andere kant van de sloot.
De spanningen tussen links en rechts in de Groningse gemeenteraad konden hoog oplopen. Eens gaf burgemeester Buiter wethouder Wallage een rijksdaalder. Kon hij een ijsje kopen, kon hij afkoelen.
Een vriendje van Wallage schopte graag tegen Duitse auto’s. De vader van de jonge Jacques wilde het niet hebben: ‘Er kan een goede Duitser in zitten.’ Waaraan de moeder toevoegde: ‘Maar de kans lijkt mij klein.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant