Home

In de brieven van Du Perron aan zijn geliefde Bep is hij eerlijk op het pijnlijke af

Liefdesbrieven Uit de fascinerende briefwisseling uit het interbellum tussen de invloedrijke schrijver E. du Perron en zijn vrouw Elisabeth de Roos komt een verlangen naar een ideale liefdesrelatie tussen man en vrouw naar voren.

V.l.n.r. Eddy du Perrron, Ant ter Braak-Faber, Menno ter Braak, Bep du Perron-de Roos. Parijs, augustus 1933.

Een romantisch absolutist. Zo noemt Kees Snoek de schrijver Eddy du Perron (1899-1940) in de inleiding van de door hem bezorgde briefwisseling E. du Perron & Elisabeth de Roos. Het strijdperk van de liefde, die onlangs in de reeks privé-domein is verschenen. Een betere omschrijving kun je welhaast niet bedenken, want Du Perron eiste alles van een vrouw. Niet in de zin van een macho die wil dat zij zich volledig aan hem onderwerpt, maar in die van een vent die een volstrekt gelijkwaardige en openhartige liefdesrelatie met een vrouw nastreeft. Dat hij zoiets met Elisabeth – Bep – de Roos (1903-1981) had, valt na lezing van deze fascinerende briefwisseling niet te ontkennen.

Dat streven sluit helemaal aan bij zijn zoektocht als schrijver naar de absolute waarheid, waarbij hij zich afzette tegen de mooischrijverij in het benepen Holland van die tijd. De literaire sporen ervan vind je zowel in het met zijn vriend Menno ter Braak opgerichte tijdschrift Forum als in zijn autobiografische roman Het land van herkomst (1935), waarin hij het roerige heden van het Parijs van 1933 koppelt aan zijn verleden in Nederlands-Indië.

E. du Perron & Elisabeth de Roos: Het strijdperk van de liefde. Briefwisseling, bezorgd en ingeleid door Kees Snoek. De Arbeiderspers, 590 blz. €32,99

Zo’n negen jaar zijn Eddy du Perron en Bep de Roos samen geweest. Het was een relatie waarop velen jaloers kunnen zijn, zo intiem waren ze, zozeer deelden ze alles waar ze mee bezig waren, zo eerlijk waren ze tegenover elkaar, soms op het pijnlijke af. Als ze ruim een jaar met elkaar omgaan, schrijft Eddy haar bijvoorbeeld: „Ik heb voortdurend meer het gevoel – buiten mijn ‘verliefdheid’ om – dat jij de eenige kameraad bent (ebenbürtig noem je dat, niet?) die ik eigenlijk ooit ontmoet heb; vandaar ook het gevoel – neen, de zekerheid dat ik je alles vertellen kan, tot het laagste en belachelijkste toe wat men als mensch zichzelf bekennen kan. Ik heb altijd gedacht dat dit het uiterste bewijs van vertrouwen en liefde was: zich onomwonden over te geven.”

In diezelfde brief geeft hij zich er rekenschap van dikwijls verliefd te zijn, zoals hij dat nu ook op haar is, maar dat die volledige en wederzijdse overgave toch belangrijker is. En bij die overgave hoort een absolute liefde, want „zolang jij van mij houdt – niet ik van jou, Bep, dat is een conditio sine qua non – maar jij van mij, zoolang is er niets verloren.” Uit die zin kun je opmaken dat Eddy nog altijd onzeker over zijn geluk met Bep is. En ook gluurt hier ineens zijn obsessieve jaloezie om de hoek.

Als verwende Indische jongen had Du Perron in 1921 samen met zijn welgestelde, snobistische ouders Nederlands-Indië verlaten voor een verblijf in Europa. Eenmaal in Marseille aan wal, was hij meteen naar de hoeren gegaan. In 1928 zou hij hierover opscheppen tegenover zijn vriend Adriaan Roland Holst – behalve een beroemd dichter ook een rokkenjager – dat hij sinds zijn ontscheping alleen maar vrouwen van ‘het hoeren- en-meiden-soort’ had ‘verslagen’ en dat een vrouw iets van een slavin moest hebben. Het was duidelijk bedoeld om indruk te maken op de man die in erotisch opzicht zijn meerdere was.

E. du Perron en Bep de Roos in Luxemburg.

Maar als Du Perron in 1931 bij zijn vriend Menno ter Braak Elisabeth de Roos ontmoet, is het raak. Er moet alleen een hindernis worden genomen om echt samen te kunnen leven: Du Perron heeft in 1925 de dienstbode van zijn moeder, Simone Sechez, bezwangerd, met wie hij twee jaar later uit medelijden is getrouwd. Met hun zoontje Gille wonen ze in bij Du Perrons moeder op een kasteel bij Brussel. In de briefwisseling met Elisabeth de Roos gaat het er voortdurend over hoe Du Perron op een elegante, fatsoenlijke en vooral snelle manier van Simone af kan komen, want een echtscheiding in België duurt soms jaren. Uiteindelijk wordt er een oplossing gevonden door de procedure in Nederland te laten plaatsvinden, met hulp van zijn vriend, de dichter en advocaat Marsman.

Joodse familie

In de tussentijd heb je een goed beeld gekregen van Elisabeth de Roos en ga je haar steeds interessanter vinden. Afkomstig uit een cultuurminnend milieu hebben haar vader (een hoge ambtenaar) en moeder (die uit een geassimileerd joodse familie komt) haar Franse taal- en letterkunde laten studeren. Na haar doctoraal examen woont ze een jaar in Londen om daarna aan een proefschrift te beginnen, dat ze ook voltooit. Het is het begin van een leven als literatuur- en kunstcritica, dat ze met verve doet. Vooral over Virginia Woolf, met wie ze vaak wordt vergeleken, raakt ze niet uitgeschreven en -gedacht. Op zijn beurt is Du Perron in de ban van D.H. Lawrence, omdat deze zo openhartig over seks schrijft. Het brengt de enigszins flegmatieke Bep ertoe op een gegeven moment een citaat van Lawrence aan te halen over gezamenlijk klaarkomen. Terwijl Bep praten en schrijven over seks, anders dan haar geliefde, eigenlijk maar niets vindt. In een brief oppert Du Perron dan dat hij misschien maar iets afstandelijker tegen haar moet doen, wat ze natuurlijk niet wil.

Zolang ze niet samenwonen bruisen Du Perrons brieven van verlangen. In combinatie met zijn smachten naar die hoogste staat van openhartigheid levert dat soms sensuele passages op. Tegelijkertijd is Du Perron ziekelijk jaloers op de vroegere minnaars van zijn geliefde, waarbij de in die tijd beroemde toneelregisseur Johan de Meester jr., met wie Elisabeth de Roos in 1925 een kortstondige, intense liefdesrelatie had, een obsessie voor hem wordt. Tot op het laatst kan hij De Meester niet uitstaan. Het liefst zou hij hem in elkaar slaan, ook omdat de rokkenjagende regisseur na afloop van die relatie nog zes jaar lang door Beps hoofd heeft gespookt. Voor Du Perron met zijn ‘Latijnse temperament’ voelt het alsof hij daardoor de mindere is in zijn relatie met Bep. Dat heeft hij niet met zijn vriend Hendrik Marsman, met wie zij ook korte tijd een verhouding had.

Bep de Roos, op huwelijksreis in Lugano gefotografeerd door echtgenoot Eddy, mei-juni 1932. Collectie E. du Perron, Literatuurmuseum.

Afkeer van Nederland

Mede door zijn obsessie met De Meester heeft Eddy een afkeer van het Amsterdamse kunstleven. Zijn ergernis wordt vooral gewekt door sociëteit De Kring met zijn pretentieuze acteurs en kunstminnaars. Voor de vrouwen in die club heeft hij evenmin een goed woord over. Ze zouden zich als geëmancipeerd voordoen, maar zich in zijn ogen als hoeren gedragen. Sowieso heeft hij, net als Bep, geen hoge pet op van het culturele leven in Nederland. Bep haat de roddels en kleinburgerlijkheid en voelt zich, misschien ook door haar Joodse wortels, een eeuwige buitenstaander.

Mooi en ontroerend zijn de brieven waarin Du Perron zich hun leven als broodschrijvers in Parijs voorstelt. In een klein appartement met net genoeg inkomen om van te leven. Als ze maar samen kunnen zijn en aan hun boeken kunnen werken. Je leest het in Het land van herkomst.

Bijzonder is ook Du Perrons geleidelijk aan verwaterende band met de linkse schrijver André Malraux. Als deze hem in 1935 op het mede door hem in Parijs georganiseerde internationale schrijverscongres voor de verdediging van de cultuur (tegen het fascisme) zegt dat in een toekomstige collectieve maatschappij geen plaats meer zal zijn voor burgerlijke individualisten is voor Eddy, voor wie het individu heilig was, de maat vol. Gelukkig heeft hij nog genoeg andere gelijkgestemde vrienden, zoals Menno ter Braak, een van zijn medeoprichters van het antifascistische Comité van Waakzaamheid, de schilder Carel Willink, en de dichters Jan Greshoff, Adriaan Roland Holst en H. Marsman.

Eind 1936 vertrekken Du Perron en Elisabeth de Roos naar Nederlands-Indië, op zoek naar financiële zekerheid, maar ook moe van het oude, door extremistische twisten ontwrichte Europa. Als in september 1939 de Tweede Wereldoorlog uitbreekt, keren ze toch terug naar huis, om bij hun familie en vrienden te zijn. Perrons angina pectoris speelt nu steeds meer op, al neemt hij die ziekte niet echt serieus. Vier dagen nadat de Duitsers Nederland in mei 1940 zijn binnengevallen, sterft hij aan die hartkwaal.

Opvallend is dat beide geliefden in de negen jaar van hun verhouding helemaal niet zo vaak samen waren. Zelfs in Indië niet. Het tekent hun onafhankelijkheid en keuze voor hun intellectuele arbeid, terwijl ze ook onafgebroken naar elkaar verlangen. Als je Het strijdperk van de liefde uit hebt, snak je ernaar om Het land van herkomst te herlezen. Veel van wat ze elkaar in hun brieven geschreven hebben, komt in dit boek terug, met een fascinerend en bitter Indisch sausje uit Du Perrons jeugdjaren er bovenop. Het maakt het door Kees Snoek voorbeeldig bezorgde Het strijdperk van de liefde alleen maar nog boeiender om te lezen.

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next