Zomerliefde Onstuimige, hongerende verliefdheid. Deze zomer zoekt NRC de beste boeken over zomerse liefde. In deze aflevering: Een stralende dag van Molly Panter-Downes.
Het Britse eiland Lundy in het kanaal van Bristol.
Moeilijker dan jonge liefde is oude liefde. Zelfs in de zomer. Het echtpaar in Een stralende dag van Mollie Panter-Downes probeert zichzelf opnieuw uit te vinden na de storm die door hun leven is geraasd: de Tweede Wereldoorlog. Het is 1946 en het Engelse platteland aan de kust nabij Londen jubelt onder de zomerzon, alles groeit en bloeit en zoemt en gonst. Alsof er nooit iets gebeurd is. Maar al klinkt het luchtalarm niet meer, de oorlog is nog overal aanwezig. Hier een bunker, daar een krater, „roestige spiralen prikkeldraad tussen de zuring” en voor de dorpswinkels nog altijd rijen van vrouwen, het bonnenboekje in de hand geklemd. Velen van hen zijn hun man voorgoed kwijt. Die van de hoofdpersoon, de welgestelde Laura Marshall, keerde gelukkig heelhuids terug. Maar overlappen hun dromen nog?
Molly Panter-Downes: Een stralende dag. (One Fine Day) Vert. Lisette Graswinckel. Atlas Contact, 224 blz. € 23,99
Mollie Panter-Downes (1906-1997), bij ons volstrekt onbekend en in Engeland min of meer vergeten, kwam uit Sussex, een graafschap ten zuiden van Londen: het landschap uit de roman. Ze debuteerde op haar zeventiende met The Shoreless Sea, dat een bestseller werd. Ze schreef naast romans en verhalen jarenlang columns voor The New Yorker en publiceerde non-fictie over haar reizen. Haar bekendste werk Een stralende dag, dat onder de titel One Fine Day in 1947 voor het eerst verscheen, bleef in Nederland onvertaald – tot nu. Gelukkig maar, want dit is een vergeten klassieker, een instant koesterboek, fantastisch van stijl, van inzicht, van ironie, van weemoed en van levenslust. Het is een diepgaand optimistisch, ontroerend en deels ook satirisch liefdesverhaal, schitterend vertaald door Lisette Graswinckel.
Wat is er veel veranderd in het leven nu Laura en haar Stephen herenigd zijn. Vooral hij heeft het er moeilijk mee. Neem alleen al hun gazon. Er schieten onbehoorlijke madeliefjes op tussen het gras. Ook in de borders manifesteert zich zomaar allerlei uitbundigs, maar ja: de tuinman bleef in Holland achter, zelf onder de groene zoden. Een nieuwe is niet te vinden, zomin als een dienstmeisje.
Stephen moet wieden, Laura moet koken. Bij de afwas sliert de mouw van haar avondjurk – ze zijn zich op Stephens initiatief weer gaan verkleden voor het diner – door het sop. Een kindermeisje is er al ook niet meer. Hun drukke dochter is „zoals bij arme mensen” ineens altijd aanwezig, in plaats van hen uitsluitend ’s avonds, frisgewassen in haar kamerjasje, goedenacht te komen wensen. „Die arme Stephen” vindt tot zijn ontstentenis haar beugel op de wastafelrand en struikelt over haar gymbroekje.
Laura leeft oprecht met haar man mee, omdat ze van hem houdt, hem begrijpt. Evenzogoed heeft ze zelf, net als haar voormalig personeel, tijdens de oorlogsjaren paradoxaal genoeg aan een leven met meer vrijheid geroken. Ze leefde samen met evacués: andere vrouwen en hun kinderen. Het statige landhuis was niet langer zo statig; het contact met haar kind werd nabijer, inniger. Leuker. Valt daarvan iets te behouden?
De vraag hoe samen (verder) te leven is op vele slimme manieren in de roman verwerkt. De echtelieden verlangen naar elkaar, maar zijn veranderd. Ook Stephen, die op de oude tijd teruggrijpt, maar intussen zwierige, ongebonden, imponerend-egocentrische mannen benijdt, bijvoorbeeld in de trein naar Londen, opvallend tussen de grijze loonslaven zoals hij. Laura zoekt, terwijl hij naar zijn duffe kantoor is, de hele stralende zomerdag lang naar hun hond. Die is op vrijersvoeten en moet teruggehaald worden bij een landloper. Zijn dit dier en die sloeber sneu, want losgeslagen, overgeleverd aan hun driften, of benijdenswaardig? Wat het ontroerend maakt is dat Laura en Stephen bij dit alles onwankelbaar zijn in hun liefde voor elkaar. Het gebaande pad bestaat niet langer, maar ze willen toch vooral weer samen zijn, liefst op de heuvel in de buurt waarvandaan je de zon kunt zien op- en ondergaan.