Griekse poëzie Uit twee fraai bezorgde boeken met brieven en poëzie van K.P. Kaváfis komt een veel luchtiger mens naar voren dan uit zijn ernstige gedichten. Dankzij Hero Hokwerda’s vertaling klinkt in die poëzie voor het eerst muziek.
Konstantin Petrou Kaváfis.
In 1908, hij is dan 45 jaar, schrijft K.P. Kaváfis, ambtenaar bij de dienst irrigatiewerken in Alexandrië, in een aantekening voor eigen gebruik: „Om in het leven succesvol te zijn en respect af te dwingen is ernst nodig, dat weet ik. Toch valt het me moeilijk ernstig te zijn, van ernst heb ik geen hoge dunk.” Natuurlijk, gaat hij verder, houdt hij wel van ernst, voor een half of een heel uur „of twee of drie uur, ernst per dag. Vaak natuurlijk ook wel van een hele dag ernst.” Ja wat is het nu. Dit klinkt niet al te ernstig zo. „Voor het overige houd ik van grappen, humor, geestig-ironische gesprekken, humbugging. Maar dat hoort niet.”
K. P. Kaváfis: Verborgen dichterschap. Proza. Vert. en samenst. Hero Hokwerda, Historische Uitgeverij, 440 blz. €45,-
K.P. Kaváfis: Als straks de schimmen komen. Poëzie. Vert. en toelichting Hero Hokwerda, Historische Uitgeverij, 360 blz. €45,-
Grappig. Het is niet helemaal het beeld dat we hebben van de man die toen in het verborgene gedichten schreef en die nu de beroemdste Griekse dichter is. Zijn poëzie is vaak best ernstig, al is het ‘geestig-ironische’ daaraan niet vreemd. Maar grappen en ‘humbugging’, nee.
Het is een van de vele verrassende aantekeningen uit een stuk genaamd ‘Filosofische toetsing’, dat opgenomen is in Kaváfis. Verborgen dichterschap, een bundel met prozabeschouwingen, aantekeningen, brieffragmenten, lijstjes en artikelen van Kaváfis, vertaald door Hero Hokwerda (1949), die zich onuitputtelijk voor de Griekse literatuur in het Nederlands inzet. Daarnaast vertaalde Hokwerda alle door Kaváfis zelf geaccepteerde gedichten in een apart deel: Kaváfis. Als straks de schimmen komen.
De twee boeken, prachtig uitgegeven door de Historische Uitgeverij, staan tjokvol informatie en toelichtingen van Hokwerda die zich met recht ‘Kaváfist’ mag noemen. De Kaváfis-studies zijn omvangrijk, ook al omdat zo veel van het werk van de dichter bij zijn leven niet is uitgegeven, hij herschreef en verwierp en hield van alles in portefeuille. Wat wel is ‘uitgegeven’, is dat beslist niet in algemeen gebruikelijk zin: Kaváfis schreef gedichten over op losse velletjes die hij soms met een aantal tegelijk aan elkaar naaide en naar vrienden, kenners, bewonderaars en geïnteresseerden stuurde.
Dat zoveel van Kaváfis’ gedichten tijdens zijn leven niet of slechts in kleine kring circuleerden, heeft niet uitsluitend met de strenge eisen van de dichter te maken, maar ook met de strenge eisen en zeden van zijn tijd: over homoseksualiteit diende gezwegen te worden. Kaváfis doet dat in zijn gedichten wel en niet, zeker is hij terughoudend, ook in zijn privé-aantekeningen trouwens. Daaruit blijkt weleens dat hij verliefd is (geweest) op een man, maar hoe zijn liefdesleven eruitzag is en blijft onbekend. De gedichten echter wemelen van de mooie jongens, naakte lichamen, wellust en zinnelijkheid, veelal geplaatst in het verleden en product van de herinnering: „in mijn herinnering is hij veel mooier./ Op ’t ziekelijke af vol sensualiteit” of „Een kleine tweeëntwintig moet hij zijn./ En toch ben ik er zeker van dat, bijna evenveel/ jaren geleden, ik ditzelfde lichaam heb genoten.”
Natuurlijk is Hokwerda niet de eerste die Kaváfis’ poëzie in het Nederlands vertaalt, dat was G.H. Blanken, de hoogleraar Modern Grieks die in de jaren ’70 gedichten van Kaváfis uitgaf. Vanaf de jaren tachtig hebben Hans Warren en Mario Molegraaf in verschillende edities vrijwel alle van Kaváfis bekende poëzie vertaald, plus het piepkleine corpus verhalend proza dat de dichter naliet. Al die andere stukken die Hokwerda hier bijeen zette, zijn nieuw voor de Nederlandse lezer. Het is een grabbelton geworden waarin een lezer allerlei schatten kan vinden, al is het woord grabbelton in meer dan een opzicht van toepassing: het is een wat rommelig geheel. Het waarom van de keuze van de fragmenten is niet altijd helder en informatie wordt vaak herhaald.
In de al genoemde ‘Filosofische toetsing’ wordt meer duidelijk over hoe Kaváfis het selecteren en bewerken van zijn gedichten aanpakte, en over, bijvoorbeeld, zijn opvattingen over wanneer een gedicht ‘oprecht’ is, wanneer het ‘waar’ is, waar geestdrift goed voor is of juist niet, wat kunst iemand oplegt, hoe het leven in Alexandrië hem (niet zo heel erg) bevalt, waarom het een voordeel is om een schrijver te zijn die vrijwel niet gelezen wordt: gebrek aan publiek maakt een schrijver vrij. Die zal dus niets aan zijn tekst veranderen omwille van de leesbaarheid: „En voor de kunst bestaat er geen grotere ramp (de gedachte alleen al doet me huiveren) dan dat iets op een andere manier wordt gezegd of dat er iets wordt weggelaten.”
Kaváfis is een dichter die van zichzelf al genoeg weglaat. Hij heeft niet de neiging om veel uit te leggen, hij lijkt het helemaal met verhalende mededelingen te doen, in een taal die vaak ‘prozaïsch’ is genoemd maar die Hokwerda liever ‘alledaags’ zou willen noemen. Prozaïsch lijken zijn gedichten vooral in vertalingen, al laten die meestal wel de typische Kaváfis-toon goed doorklinken, vooral dankzij diens gewoonte om woorden en regels te herhalen. De meeste vertalers, ook die in andere talen, doen geen poging om het spaarzame rijm van de dichter (vooral in de vroegere poëzie) of zijn metrum of versregelgebruik te behouden.
Hokwerda heeft dat wel gedaan. Hij wijst erop dat de poëzie van Kaváfis vrijwel altijd jambisch is, en zo heeft hij die ook vertaald. Hij maakt daarbij vaak gebruik van inversies, ongebruikelijke woordvolgordes, die in het Grieks met zijn naamvallen minder ongebruikelijk zijn. Soms is dat terecht gedurfd, soms kan het ook wat gewrongen aandoen: „van onze dagen herinneringen en gevoelens”; „ook zullen zo wijzelf hier blijven zien en eren/ zijn graf”.
Dankzij de metrische vertaling klinkt hier en daar voor het eerst een bepaalde poëtische muziek in Kaváfis’ poëzie door, terwijl hij tot nu toe nu juist een nogal onmuzikale dichter leek. Het nadeel ervan is dat Hokwerda soms woorden moet toevoegen, vooral in de rijmende gedichten, waardoor de krachtig-eenvoudige zegging verzwakt wordt. Soms gaat een en ander echt ten koste van de schoonheid en de begrijpelijkheid zoals bijvoorbeeld in het gedicht ‘Onderbreking’, waarin de dichter stelt dat wij, „haastige, onervaren wezens van ’t moment” (dat is echt mooi) de goede werken van de goden onderbreken, omdat we ze niet begrijpen en bang worden. Dat gedicht eindigt nu zo: „al evenzeer doodsbang,/ brengt steevast Peleus ook hun werk in ’t gedrang.” Blanken vertaalde daar veel letterlijker „en altijd wordt Peleus bang en komt hij tussenbeide” wat inderdaad prozaïscher is, maar wel duidelijker en minder gewrongen.
Ook deinst Hokwerda niet altijd terug voor wat stijve formuleringen: „Wanneer je er naar Ithaka op uittrekt,/ dan zij je wens dat lang de tocht mag duren.” En in ‘Dat Antonius verlaten werd door de god’ lezen we: „Stap dan, als lang voorbereid en als manmoedig,/ zoals het jou betaamt wie deze stad vergund was,/ met vaste schreden nader tot het vensterraam”. Zowel „stap dan” als „vensterraam” waar raam of venster ook had volstaan lijkt wat minder gelukkig.
In dat in zijn terughoudendheid zeer aangrijpende Antonius-gedicht, hoort de Romeinse veldheer die overliep naar Egypte de stoet van Dionysos wegtrekken uit Alexandrië, zo wordt verteld. Dat betekent het einde van het goede leven, Antonius zal ten onder gaan en hij weet het. De dichter noemt Antonius uitsluitend in de titel, verder richt hij zich tot een ‘je’, tot de lezer misschien, tot zichzelf dat kan ook – alsof we allemaal op een keer midden in de nacht zo’n stoet kunnen horen wegtrekken, die ons zegt dat het voor ons afgelopen is. Hoe we ons dan moeten gedragen: „Groet dan, als voorbereid sinds lang en als manmoedig,/ ten afscheid haar, de stad Alexandrië die daar heengaat.”
Het gaat bij Kaváfis niet om de figuren die hij opvoert – en dat zijn er heel veel, soms uit de oudheid, vaker uit de Hellenistische tijd en de Byzantijnse geschiedenis – het gaat meestal om hun lot, hun houding, om wat we daarin kunnen bewonderen, afkeuren of ons ten voorbeeld stellen.
Uit deze uitgave blijkt ook dat Kaváfis’ beroemdste gedicht, ‘Ithaka’ een voorloper had. Hokwerda heeft een essay van Kaváfis opgenomen waarin die met bewondering schrijft over de dichters Dante en Tennyson die Odysseus opnieuw op reis laten gaan, nadat hij Ithaka heeft bereikt. Na die interessante beschouwing plaatst Hokwerda behulpzaam een vroeg gedicht van Kaváfis waarin Odysseus het, net als bij Tennyson, thuis op het armelijke Ithaka niet uithoudt. Dit eerste gedicht is totaal anders dan het beroemde latere, maar een paar regels vallen op: „Heimwee beving hem/ naar het reizen, naar ochtendlijke/ aankomsten in havens die je,/ met welk een blijdschap, voor het eerst binnenvaart”.
In het uiteindelijke ‘Ithaka’ wordt de lezer op dezelfde manier toegesproken als in het Antonius-gedicht: zoals we allemaal Antonius konden zijn, kunnen we allemaal Odysseus zijn. Uiteindelijk komt de reiziger aan op het wat tegenvallende eiland, waarheen hij zijn hele leven op weg is geweest. Maar het ging niet om het doel: „Aan Ithaka heb je de mooie reis te danken./ Erzonder was je niet begonnen aan de tocht.” Dat is een totaal andere boodschap dan in dat vroege gedicht waar verveling de held voortdreef. De ochtendlijke verrukking is het enige wat de dichter uit zijn eerste gedicht heeft behouden.
Zo kun je goed kunt zien hoe radicaal Kaváfis was en hoe vrij hij tegenover zijn eigen poëzie stond. Het is een van de vele verdiensten van deze omvangrijke uitgave, waardoor we er een schat aan informatie, kennis en deskundigheid bij hebben gekregen.