Nederlandse literatuur De hoofdpersoon in de zevende roman van Arthur Umbgrove is een man die door zijn vriendin aan de kant wordt gezet, ziekelijk jaloers is en alleen van zichzelf houdt.
Olga verlaat Erik. Erik draait door. Hij holt van het ene bed naar het andere, pakt wie hij pakken kan, maar is intussen geobsedeerd door Olga, die hij tijdens hun relatie helemaal niet zo goed behandelde. Hij zindert van jaloezie op haar nieuwe vriend en weigert haar los te laten. En o ja, Erik is een kunstenaar, een schrijver. Dat klinkt bekend. Wat zou Arthur Umbgrove (1964) in Terwijl jij dacht dat het liefde was, zijn zevende roman, willen met deze verwijzingen naar de verfilming van Jan Wolkers’ Turks fruit?
Arthur Umbgrove: Terwijl jij dacht dat het liefde was. Querido, 264 blz. €24,99
Erik is een engerd, zoveel is zeker. Dat springt bij Umbgrove extra in het oog doordat de verteller en Erik niet direct met elkaar samenvallen. Meteen op de eerste pagina staat: „Ik zie Erik zitten in een felverlichte treincoupé, op de weg terug van een dinertje waarvan de oppervlakkigheid onder invloed van de gestage inname van alcohol was overgegaan in een nietszeggende semidiepzinnigheid, waardoor hij zich nog eenzamer voelde dan in de dagen vlak na Olga’s vertrek.” Deze Erik, die zowel aan bindings- als aan verlatingsangst lijdt, wordt dus gadeslagen en gevolgd, maar door wie? Die vraag drijft de lezer van deze roman voort.
Vaak weet de ik-verteller heel precies wat Erik drijft en wat hij doet. Op andere momenten heet het dat hij het „allemaal een beetje in moet vullen”. Of hij ontwaart op afstand een patroon in Eriks gedrag, een precies patroon met een tijdsindeling voor aantrekken en afstoten (al kan dat, waarschuwt hij, „Mulischiaans gebazel” zijn). Als Erik „treurigstemmende kutliedjes” kent uit zijn jeugd, kent de ik-verteller die liedjes toevallig ook. Of er staat ineens: „Ik spreek voor Erik als ik zeg dat het geen onwil was, maar onmacht.” Irritant-vermakelijk is dat, want hallo, die ik-verteller spreekt het hele boek door voor Erik.
Terwijl jij dacht dat het liefde was is een klein verhaal dat het moet hebben van dit soort speelsheid. Op zulke momenten verstoort Umbgrove expres de leeservaring en toont hoezeer je genegen bent te geloven in wat er staat, erin mee te gaan, mee te leven met de hoofdpersoon – wat Wolkers ook bereikte in Turks fruit. Umbgrove schudt je even wakker, soms ook door ineens heel lelijk te formuleren: „De gedachte dat alles voorbijgaat vond hij altijd al onverdraaglijk, Olga’s afwezigheid was daar alleen maar een extra loot aan de melancholieboom.” Erik zelf wordt niet wakker geschud, een confrontatie of werkelijk zelfinzicht blijft uit. Daardoor vloeit de spanning gaandeweg wel uit de roman.
De roman draait om meekijken, bespieden, bemoeien, beheersen: Erik verschaft zich als Olga van huis is toegang tot haar domein. Hij vindt haar slordig en grijpt in, draait stiekem wasjes van onderuit de overvolle wasmand, repareert het een en ander, stofzuigt. Ook leest hij de boeken die zij leest, tot aan de bladwijzer, en kijkt de films die zij, zoals blijkt uit de rondslingerende dvd-doosjes, net heeft gezien. Tenslotte verandert hij dingen in haar scenario, want ook Olga is schrijver en hij weet natuurlijk beter hoe schrijven moet. Als ze verhuist, voelt hij zich verraden. Jaren later doet hij de huisvredebreuk af als „een voetnoot in zijn geschiedenis, een kuil in een onverhard pad”.
Geen moment krijg je het gevoel dat Erik van Olga houdt om wie zij is. Alles wat hij doet staat in het teken van toe-eigening. Hij wil zijn Olga bezitten, domineren, invullen. En was dat bij de eerdere Erik, uit Turks fruit, niet ook zo, voor wie het nu (her)leest? De focus van Erik verschuift niet. Het gaat om hem. Puur en alleen.