Nederlandse literatuur In zijn documentaire roman toont Roelof Smit een spectrum aan kwesties uit hedendaagse gay-liefdeslevens, van wantrouwen bij biseksualiteit tot de praktijk van een open relatie.
De Gay Pride in 2014 op Gran Canaria.
„Neonlicht flitste hem bij de hoofdingang tegemoet”, staat in de roman De liefde zelf, „beton en asfalt openden hun armen. Fraai was het allemaal niet, maar er hing een aangename sfeer.”
Roelof Smit: De liefde zelf. Ambo Anthos, 576 blz. €24,99
Dit is Yumbo Centrum, een winkelcentrum op Gran Canaria dat ’s avonds transformeert in hét gay-uitgaansgebied van het eiland. Dan openen de kroegen en bars, de Adonis, de WunderBar, de Voulez Vous, voor alle nationaliteiten weer een aparte, en de disco’s, de seksclubs. Yumbo is, ook in het echt, een beroemd vakantieoord voor mannen die mannen zoeken, en vooral plezier, want hier kan het, in vrijheid, iedere dag. „Dus wordt het leven gevierd en de lever op de proef gesteld. Dus wordt van liefde gedroomd, tot aan de ochtend of tot aan de dood”, aldus de verteller tijdens de „rondleiding” in het openingshoofdstuk. Werkelijk, denk je dan: dromen van liefde, híér? Waarop de verteller tussen haakjes toevoegt: „Tegen beter weten in? Onderschat de romantiek van neonlicht niet.”
En onderschat deze roman niet, waar het goedkope neonlicht je op het omslag ook al tegemoet flitst. Niet erg subtiel of verfijnd, en bovendien ook eigenaardig botsend met die hoogdravende, kleurloos algemene titel De liefde zelf. Maar goed, er hangt wel degelijk een aangename sfeer. En ook op een ogenschijnlijk ordinaire plek kunnen heel interessante mensen rondlopen.
Schrijver Roelof Smit (1985) combineerde in zijn vierde roman de verhalen van vijf hoofdpersonen, die rondlopen, -hangen of -dansen in Yumbo. Ze zijn toerist, local of iets daartussenin: Sergio die er al jaren achter de bar werkt, zijn huisgenoot Anass die er iedere avond optreedt als dragqueen Pandora Casablanca, Lukas uit Berlijn die een weekje zonder z’n partner de bloemetjes komt buiten zetten, de jonge Valentin uit Boekarest die vakantie viert op kosten van zijn online kennis Joep, een wat oudere Nederlander die zich er permanent gevestigd heeft, avond aan avond aan hetzelfde tafeltje in de WunderBar.
Types zijn ze, in eerste instantie. Zo’n man die verlekkerd naar knappe jonge jongens zit te kijken. En zo’n jongen dus, een jonge Roemeen die zich uit een armoedige jeugd ontworstelt door zich uit te kleden voor een webcam. En ook: zo’n type dat enorm met zijn lichaam en voeding bezig is, omdat het in (zijn hoek van) de gay-community zo om uiterlijk draait. „Het irriteerde hem dat hij zo’n wandelend cliché was”, mijmert deze Lukas over zijn vroegere zelf: hij was zo’n plattelandsjongen die zich eindelijk bevrijd voelde toen hij in het bruisende Berlijn belandde. Maar ook na die bevrijding wordt hij nog geplaagd door onzekerheid en ingebakken normen, zonder dat zelf echt door te hebben. Als hij in Yumbo twee mannen ziet in „een strak leren tuigje dat weinig aan de verbeelding overlaat”, oordeelt hij nuffig: „Dit hoeft voor hem niet zo, hierdoor neemt de tolerantie niet toe.” Is dat nou bevrijd?
Helemaal een eenduidig type is Lukas dus niet – en dat geldt eigenlijk voor alle personages in De liefde zelf. Juist doordat Smit toegewijd de tijd voor ze neemt, worden ze meer dan wandelende clichés, blijken ze karakters te hebben met tegenstrijdigheden, eigenaardigheden en vormende voorgeschiedenissen. Aan de ene kant laat Smit weinig aan de verbeelding over, door steeds uit te spellen wat de personages denken en voelen, en daarbij geen cliché te schuwen („Vanwege Joshua’s zo vrijzinnige, zo Berlijnse voorkomen was Lukas bang dat deze onvermoede man van zijn dromen ongrijpbaar was”). Aan de andere kant broeit er onder die oppervlakte telkens toch nog weer meer.
Dat idee is doorgevoerd in de structuur van de roman: Smit wisselt de hoofdpersonen per hoofdstuk af (al lopen de vijf ook in elkaars hoofdstukken rond) en alle hoofdstukken spelen zich weliswaar af in dezelfde week in januari 2024, maar worden uitgebreid doorsneden met flashbacks. De titel is telkens de naam van een betekenisvolle ander uit het verleden van de hoofdpersoon. Het is een beproefde methode – denk bijvoorbeeld aan de serie Lost – waarbij wel het gevaar loert dat die ijzeren regelmaat iets gewrongens of voorspelbaars aan het verhaal geeft. Maar het pakt ronduit effectief uit: door de verledens uit te diepen krijgen de personages in het heden reliëf.
Zo leren we dat Joep een vorig leven had als burgerlijke gezinsvader voordat hij op tamelijk ongelukkige wijze uit de kast kwam – waardoor de ogenschijnlijk onsmakelijke sugardaddy verandert in een deerniswekkend figuur. We leren dat Anass’ reden om dragqueen te willen worden een problematische aanleiding heeft – in de extravagante showgirl schuilt zelfhaat, en achter die zelfhaat schuilt een ingrijpende gebeurtenis in zijn jeugd. We leren waarom Sergio zoveel moeite heeft met het afscheid nemen van zijn zieltogende konijn Céline – misschien nog wel meer dan van zijn grote liefde, die hem jaren geleden verliet.
Hun homoseksualiteit speelt telkens een rol. Allemaal waren ze als gay de afwijking van het heersende plaatje, allemaal hebben ze miskenning of eenzaamheid moeten doorstaan – dat is nu eenmaal het lot, een onvervreemdbaar onderdeel van de condition homosexuelle. Maar het is ook niet het hele verhaal: De liefde zelf laat zien dat een gay-identiteit niet eindigt met uit de kast komen, de zoektocht naar liefde is daarmee pas begonnen. Ook daarin toont Smit een spectrum aan vragen en kwesties uit hedendaagse gay-liefdeslevens, van wantrouwen bij biseksualiteit („‘Ja, ik ben bi, maar ik word alleen verliefd op meisjes, snap je?’ ‘Yooo. Is dat wat je jezelf wijsmaakt?’”) tot de praktijk van een open relatie (met een afsprakenlijst die promiscuïteit relatiebestendig maakt).
De liefde zelf is daarmee een prachtig, bij vlagen ontroerend portret van homomannen anno nu. Geen literatuur die het van bijzondere taal of verbeelding moet hebben: zoals gezegd kijkt Roelof Smit niet op een clichétje meer of minder en als hij wel krullerig formuleert, wordt het gauw lelijk (zoals bij dat „beton en asfalt” van Yumbo dat „hun armen openden”: niet fraai). Smit schrijft op z’n best wanneer hij zich intoomt, zich opstelt als een documentairemaker: niet te veel ingrijpend in de werkelijkheid, registrerend.
En dat doet hij meestal, dus als documentaire roman is De liefde zelf dan ook heel geslaagd. Oké, misschien ga je op een zeker punt in dit omvangrijke boek voorzichtig wat meer plot wensen, een overkoepelend verhaal náást de psychologische portretten. Maar nee, zo’n kunstgreep (denk aan dat mierzoete eindfeest in mozaïekroman Meisje, vrouw, ander van Bernardine Evaristo) was ook onrealistisch en dus ongewenst geweest, want Smit moet het juist van realisme hebben. Van de details die zijn personages zo menselijk neerzetten dat je gemakkelijk van ze gaat houden. Van levensechtheid die de werkelijkheid zo rijkgeschakeerd weerspiegelt als die is. Zoals een man die na afloop van een gewelddadig SM-rollenspel („Zuig daddy’s perfecte pik”) vriendelijk vraagt: „Ga jij vanavond nog wat leuks doen?”