Essays Het begin van de dag is ‘een moment van belofte, verlies en herhaling’, schrijft de historicus Guido van Hengel in zijn nieuwe boek. Op zoek naar de nuance van de dageraad.
Op 9 september 1945 keerde de Japanse Toshinki Sasaki terug naar de stad Hiroshima, waar zij een maand eerder de atoombom had overleefd. Wat zij aantrof was niet alleen puin en verwoesting. Tussen de ruïnes schoot overal fris groen op. De bom had de wortels van de planten intact gelaten en zelfs gestimuleerd. Wat een ondergang had moeten zijn, werd een nieuw begin. Tweeslachtiger kan de geschiedenis niet worden.
Guido van Hengel: Dageraad. Geschiedenis in ochtendlicht. Van Oorschot, 288 blz. € 25,-
De historicus Guido van Hengel vertelt die anekdote in zijn essaybundel Dageraad. Geschiedenis in ochtendlicht om, zoals hij schrijft, de oneindige nuances van het begin van de dag te beschrijven ‘als een moment van belofte, verlies en herhaling’. Want elke ochtend gaat de zon opnieuw op en legt een dag open met nog onontloken vooruitzichten. Maar alles wat nieuw is vaagt ook het oude weg.
De dageraad is het moment van die ambiguïteit. Opgang of ondergang? Op het moment waarop de wereld bevangen ligt in een onomkeerbare klimaatverandering en de heerschappij van de mens over de schepping in haar tegendeel lijkt omgeslagen, is dat geen vreemde vraag. Van Hengel beantwoordt hem met een caleidoscopische verzameling essays, overpeinzingen, columns en reportages die allemaal los-vast samenhangen met het thema dageraad, nieuw begin en verwoesting van het oude.
De West-Europese beschaving, zo stelt Van Hengel in zijn inleiding vast, kenmerkt zich door een hoge mate van begindrift: een „obsessie voor alles wat nieuw is, fris en born again”. De filosofe Hannah Arendt, aan wie hij vervolgens een heel essay wijdt, maakte ‘geboren-worden’ tot het belangrijkste kenmerk van de mens: „mensen leven niet om te sterven [zoals haar leermeester Heidegger had beweerd], maar om geboren te worden, of beter nog, om (iets) te beginnen.”
Scherp ziet Van Hengel dat contrasteren met de apocalyptische visie van de Russische denker Nikolaj Berdjajev, die de Slavische ziel eerder gepreoccupeerd zag met het einde. Hoe betrekkelijk dát ook was, blijkt vervolgens uit een paar mooie beschouwingen over de symbolistische dichter en schrijver Andrej Bely die evenzeer gepreoccupeerd was met ondergangsvisioenen als met het nieuwe ochtendgloren dat Rusland uit zijn lethargie zou moeten verheffen. „Muziek van de dageraad”, zo noemde een criticus zijn dichterlijke debuut Noordelijke symfonie in 1902.
Meer dan in zijn eerdere boeken, zoals zijn succesvolle „alternatieve geschiedenis van Joegoslavië” Roedel, zwerft Van Hengel in deze bundel kriskras door zijn onderwerp heen. Van een korte beschouwing op Homerus’ ‘rozevingerige dageraad’ gaat het naar Huizinga, die de Renaissance niet zag als de aankondiging van iets nieuws maar als het afsterven van het oude. Van Kafka’s Gregor Samsa, die wakker wordt als een insect, stoot hij door naar de Eerste Wereldoorlog, waarin het oude Europa sterft en het nieuwe geboren wordt. Géén ‘Stunde Null’ was er dan weer voor de Duitse schrijver Günter Grass – „onafscheidelijk van zijn pijp en zijn mening”, zoals Van Hengel puntig schrijft. Op late leeftijd biechtte hij op lid geweest te zijn van de Waffen-SS en werd daarmee als zelfbenoemd geweten van het naoorlogse Duitsland alsnog door zijn verleden ingehaald.
Omdat Van Hengel wil ervaren hoe op zee, de geboortegrond van alle leven, de dageraad aanbreekt, monstert hij aan op een hilarisch beschreven boottocht voor amateurvissers in de Duitse Bocht. Op zoek naar de oorsprong van de mythe van Orpheus, de grensganger tussen boven- en onderwereld en dus „ultieme gids in het ochtendlicht”, zwerft hij door Bulgarije, het antieke Thracië waar de dichter-zanger vandaan heet te komen en waar hij is uitgegroeid tot een nationaal symbool.
En steeds weer spelen dieren door de verhalen en overpeinzingen van Van Hengel heen als waarschuwing voor en slachtoffer van de menselijke begin- of dadendrang – eerst en vooral de op het voorplat afgebeelde merel, de zanger van de dageraad.
Kijk je na lezing van dit boek werkelijk anders tegen het ochtendgloren aan, zoals Van Hengel zou wensen? Zonder twijfel maakt hij je nieuwsgierig naar dit onbestemde moment van de dag, waarop de meeste mensen nog op één oor liggen. Met kennelijke instemming citeert hij Benjamin Franklin, die tijdens zijn verblijf in Parijs zijn mondaine stadgenoten sarcastisch voorhield dat er bij hun opstaan al een flink deel van de dag verlopen was.
Overtuigend bekritiseert Van Hengel ook de modern-westerse obsessie met het nieuwe begin, dat gewoonlijk gepaard gaat met een fikse dosis geweld en dood. En hoe fraai is af en toe zijn beeldspraak! „De zon komt op als een brood in de oven”, schrijft hij teruggrijpend op de Pools-joodse schrijver Bruno Schulz, aan wie hij een innemend essay wijdt. Wanneer hij ironisch schrijft over de oude angst voor nachtelijke dampen waartegen mensen dicht opeengepakt een toevlucht zochten in potdicht gesloten hutten, merkt hij spottend op: „In bijgeloof gecombineerd met gezelligheid doen bacillen en virussen het prima.”
Toch vormt de wijde, rondzwervende blik waarmee Van Hengel zijn „geschiedenis in ochtendlicht” schrijft ook de zwakte van het boek. Het is zo uiteenlopend van stijlen en onderwerpen dat de stukken erin van her en der bij elkaar geplukt lijken, onder de soms flinterdunne noemer van de dageraad. Een eenheid wil deze bundel maar niet worden, daar kan zelfs de regelmatig opduikende merel niets aan veranderen.