Home

We zijn het verleerd om een praatje te maken met een vreemde

Sociaal ongemak In de trein zit je op je telefoon te staren, bij de kassa sta je met een koptelefoon op. Sven Fröhlich mist de kleine, dagelijkse ontmoetingen die zo waardevol zijn – en merkt tegelijk dat hij het steeds moeilijker vindt om anderen aan te spreken.

Zwetend sta ik in een boekhandel. Ik draag mijn lievelingstrui, heb me vanochtend geschoren en een lekker geurtje opgedaan. Vandaag wilde ik zo goed mogelijk voorbereid zijn. Bij de tafel met pas verschenen boeken ga ik op jacht. Bij de kassa staan twee jonge vrouwen om te betalen. Een oudere vrouw snuffelt met een chagrijnig gezicht in de aanbevolen boeken. Bij de crimeafdeling staat een man in een jack van een bedrijf, hij heeft twee misdaadboeken in zijn handen. Ik haal diep adem, raap al mijn moed bij elkaar en ga op hem af.

„Ehm, leest u veel misdaadboeken?”

Daar sta ik dan, een hoopje ellende met een wit weggetrokken gezicht, terwijl ik probeer mijn score te verhogen. Dat is mijn missie voor vandaag: zoveel mogelijk vreemden aanspreken. Het is makkelijker gezegd dan gedaan.

Sven Fröhlich is journalist.

We zijn het verleerd elkaar te ontmoeten en contact te maken. We bestellen kleding online, kijken in ons eentje naar een film, gaan minder vaak naar kantoor. We lopen door de binnenstad met een smartphone en koptelefoon. De hele wereld heeft het intussen over eenzaamheid. Over een epidemie. Het Verenigd Koninkrijk heeft een aparte minister voor eenzaamheid. En de Wereldgezondheidsorganisatie schrijft bijna een miljoen sterfgevallen per jaar toe aan de gezondheidseffecten van eenzaamheid.

De man in de boekhandel kijkt me aan, laat zijn boeken zien en zegt: „Jazeker. En u?”

Middelpunt van ons bestaan

De Franse filosoof Charles Pépin schrijft in zijn boek De ontmoeting (2022) dat in het woord ‘tegenkomen’ al het woord ‘tegen’ zit. We stuiten op iemand. Iemand die ons misschien overrompelt of in verwarring brengt. Die ons in wezen uitdaagt en ons uit onze dagelijkse routine haalt. Ontmoetingen, schrijft Pépin, „vormen het middelpunt van het avontuur van ons bestaan”.

Ik mis zulke ontmoetingen, en dat is mijn eigen schuld. Ik vind het moeilijk iemand die ik niet ken aan te spreken zonder een concrete aanleiding. Ik ben bang afgewezen te worden. Maar ik merk ook hoeveel ik aan zulke ontmoetingen heb. Ik denk nog steeds met plezier terug aan de vrouw die mij jaren geleden op een perron in de Amerikaanse staat Maryland aansprak. We spraken toen twintig minuten lang over tv-series, zomaar. Of aan de hardloper die mij toeknikte omdat we allebei een shirt van Arsenal droegen.

De Canadese psychologen Gillian Sandstrom en Elizabeth Dunn noemen zulke vluchtige ontmoetingen ‘zwakke bindingen’. Voor een onderzoek lieten ze proefpersonen met kleine tellertjes rondlopen: een klik voor elke keer dat ze een barista groetten, een hondenbezitter toeknikten of kort over een voetbalshirt praatten. Alleen al het verzamelen van die momenten leidde ertoe dat de deelnemers ’s avonds vaker het gevoel hadden ‘erbij te horen’.

Ik zou graag meer van die momenten beleven. Dus vraag ik iemand die weet hoe dat moet: mijn vriend Laurin. Hij is het type mens dat geen treinreis kan maken zonder na afloop de levensgeschiedenis te kennen van degene die naast hem zat. Laurin vertelt verhalen waarin zinnen voorkomen als: „En toen heb ik in Napels kaart gespeeld met gepensioneerden zonder een woord Napolitaans te kennen.”

Kies een detail

Op een zonnige dinsdagmorgen slenteren we over het marktplein, maar ver komen we niet. ”Mathias!” Laurin begroet een oudere heer met sokken in sandalen. Hij zit op een bankje. Ze hebben elkaar de zondag ervoor leren kennen tijdens een potje tafeltennis.

Zo gaat het verder. Laurin loopt door de binnenstad als de paus door Rome. Hier een praatje, daar een knikje. Ik sta erbij en verbaas me en maak notities. Laurin zegt dat je gewoon een detail moet kiezen, iets wat opvalt. En een of twee gedachten daarbij moet hebben. Iets zeggen wat een beetje verrassend is, of benoemen wat voor de hand ligt. Dat het koud is, of druk. Dat gaat het beste op plekken waar je niet meteen weer weg moet. In de tram bijvoorbeeld.

Zo moeilijk kan het niet zijn. Ik ben er klaar voor. Ik heb toch gezien hoe makkelijk het is. Ik dwing me tot een glimlach. Een man niest in het voorbijgaan.”Gezondheid!”, zeg ik. Showtime. Ik stel me op bij de groentestal en keur de knolselderij. Voor me staat een oudere mevrouw. In haar hoog getoupeerde kapsel is een bloemblaadje blijven hangen. Zal ik er iets over zeggen? Of is dat te vrijpostig? Misschien vindt ze mij eng. Ik kan toch ook niet zomaar aan haar haar zitten?

„Pardon, ik geloof dat er iets in uw haar zit.”

„Oef. Kunt u het eruit halen?”

De vrouw bedankt me. Ze grapt dat ik haar ‘onttroond’ heb, en verdwijnt in de drukte. Ik sta nog steeds bij de knolselderij. Mijn hart gaat tekeer. Ik ervaar nog geen plezier; enkel opluchting.

Dat veel mensen in de trein of de bus meestal star voor zich uit kijken is niet omdat ze zo van hun eenzaamheid genieten. Nicholas Epley en Juliana Schroeder, gedragsonderzoekers van de universiteit van Chicago, hebben dat onderzocht in de treinen van hun stad. Bijna iedereen veronderstelde dat het het prettigst zou zijn de rit zwijgend uit te zitten. Ze verwachtten dat de anderen sowieso geen gesprek wilden voeren. Dus gaven Epley en Schroeder de forenzen een opdracht: ze moesten tijdens de rit een gesprek met een onbekende man of vrouw beginnen. Het resultaat: niemand werd afgewezen. De passagiers verlieten de trein in een betere stemming, en voor hun gesprekspartner gold hetzelfde. Blijkbaar houden we ons vaak in omdat we de interesse van anderen onderschatten.

Laten we eens kijken hoe het staat met de interesse voor mij in de voetgangerszone.

„Waar kun je hier goed lunchen?”

„Dat ijsje ziet er lekker uit. Smaakt het inderdaad?”

„Wat een weertje, hè?”

Na een halfuur kom ik even tot rust op een bankje. Geen enkel gesprek duurt tot nu toe langer dan twintig seconden. En het gaat me nog steeds niet gemakkelijk af. Naast mij zit een man die bladert in een fotoboek van Peter Lindbergh. Ik weet niets over Peter Lindbergh en overweeg kort of ik iets kan bedenken om te zeggen. Een of ander bijdehand zinnetje. In plaats daarvan vraag ik of hij veel met fotografie bezig is.

Drempel

De man stelt zich voor als ‘Werner’. We praten een poosje. Over fotografie, over het nachtleven in onze stad, over journalistiek. Hij vraagt of we het gesprek zullen voortzetten bij een espresso. We gaan een café in en hij zegt met nadruk dat ik absoluut de toiletten moet bekijken, de mooiste van de hele stad. Na een halfuur neemt hij afscheid, hij moet gaan, het middagslaapje wacht. ’s Avonds val ik uitgeput neer op de bank, neem een biertje, kom op adem. Ik had gehoopt dat ik door de binnenstad zou trippelen als in een film: luchtig en terloops, hier een gesprekje, daar een glimlach. Maar elke ontmoeting kostte mij energie.

In 2022 wilden Gillian Sandstrom en haar onderzoeksteam weten of deze drempel door herhaalde oefening valt weg te nemen. Een week lang moesten de deelnemers gericht vreemden met opvallende kenmerken aanspreken: een bepaalde hoed, iemand die er gelukkig uitzag. In het begin kostte het moeite. Maar met elk gesprek werd het makkelijker, en gaandeweg bleken er in het dagelijks leven overal kleine mogelijkheden voor een gesprek te zijn.

Terwijl ik op de bank hang als een bokser in de hoek van de ring en denk aan al die mensen met wie ik vandaag heb gesproken, begint me iets te dagen. Misschien heb ik twee dingen door elkaar gehaald.

Die kleine momenten waarnaar ik op zoek was, kun je niet afdwingen. Je onthoudt ze juist omdat ze toevallig ontstaan. Omdat ze je even uit je dagelijkse sleur halen. En de gesprekken waarnaar ik op zoek was, vergden meer moed dan ik had gedacht. Misschien zal het me na verloop van tijd makkelijker afgaan om mensen aan te spreken. Maar misschien is het ook voldoende om te weten dat we echt niet alleen op de wereld zijn. Dat de meeste mensen wel degelijk gebaat zijn bij onderling contact.

Dit artikel stond eerder in de Süddeutsche Zeitung en werd geselecteerd en vertaald in samenwerking met 360 Magazine. NRC heeft het stuk ingekort.

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next