Home

Soms is het alsof ik in een vorig leven al kanker heb gehad

NRC-columnist Floor Rusman kreeg in september te horen dat ze eierstokkanker had. Deze zomer schrijft ze wekelijks over wat er in haar hoofd gebeurde toen haar lichaam een bedreiging werd.

Ik had me iets groots en feestelijks voorgesteld bij het einde van mijn behandeling. Maar het half jaar eindigt met bestralingen, en dat is, na het spektakel van de chemo en de operatie, nogal underwhelming. Grote witte apparaten draaien om me heen terwijl ik met mijn armen omhoog luister naar ‘Zij Maakt Het Verschil’ van De Poema’s, een nummer dat ik al haat sinds het in mijn tienerjaren achttien weken in de Top 40 stond. Vervolgens breekt Radio 10 het heerlijke hitje ‘Driver’s Seat’ van Sniff ‘n’ the Tears af voor Ricky Martins ‘Un Dos Tres’. Al met al voelt het niet als ‘mijn speciale dag’.

Ik had me nog veel meer voorgesteld bij kanker hebben. Sommige dingen kloppen zo goed, dat het lijkt alsof ik in een vorig leven al kanker heb gehad. Het gevoel van vervreemding na de diagnose, de stormloop van gedachten over leven en dood, de verwoestende jaloezie op gezonde mensen.

Maar evenveel dingen kloppen helemaal niet. Ik heb geen nachtmerries over kanker. Ik gil niet van angst. Evenmin schreeuw ik van blijdschap als ik goed nieuws krijg. Ik zou het misschien wel willen, maar ben te secundair. Zodra je denkt ‘vinden mensen me raar als ik nu gillend van blijdschap door het ziekenhuis ga rennen?’, weet je dat het moment voorbij is.

De grootste verrassing is hoe normaal veel dingen blijven voelen. Ik had verwacht dat ik alles voortaan anders zou ervaren, alsof het leven een andere grondverf had gekregen. Maar na die eerste ontwrichtende weken ben ik vaak weer met alledaagse dingen bezig, en die voelen nog hetzelfde: opwinding over uitspraken van politici, enthousiasme over een lekker ontbijt.

De realiteit van kanker confronteert me dus zowel met de kracht van ons voorstellingsvermogen als met de grenzen ervan. Je kunt nog zo’n levendige fantasie hebben, in de toekomst kijken kun je nooit.

Ik denk hierover na omdat zoveel mensen tegen me zeggen: „Ik kan me niet voorstellen hoe jij je moet voelen.” Dat is interessant, want ze stellen zich juist van alles voor bij hoe ik me voel. Ze nemen aan dat ik moe ben, bang voor de dood, dat ik me nergens anders meer voor interesseer, maar ook dat ik er niet over wil praten. Ze stellen gesloten vragen die aannames verraden, zoals: „Denk je dat je je lichaam ooit nog kunt vertrouwen?”

Tegelijk stellen ze zich dus voor dat ik me zó anders voel dan zij zich ooit gevoeld hebben, dat het hun voorstellingsvermogen te boven gaat.

Wat die mensen bedoelen is eigenlijk net iets anders: dat ze niet kunnen weten hoe ik me voel, omdat ze mij niet zijn. Maar dat geldt voor alles in het leven, niet alleen voor kanker. Je kunt nooit weten hoe het is om iemand anders te zijn, en dat maakt mens-zijn überhaupt soms een eenzame ervaring.

Wat ik in elk geval wil bestrijden is het idee dat kankerpatiënten op een nieuw niveau van onvoorstelbaarheid zijn terechtgekomen. Het is eerder zo dat alles in onze toekomst en in andermans leven zowel voorstelbaar is (je stelt het je voor) als onvoorstelbaar (je kunt nooit weten hoe het is).

Dat laatste vergeet ik nog wel eens. Veel van mijn angsten zijn uit de hand gelopen voorstellingen van hoe iets zal zijn. Ik ben bijvoorbeeld bang dat de kanker terugkomt bij een wervel, dat ik in een rolstoel beland en tegelijk met alle Amsterdamse babyboomers op zoek moet naar een woning op de begane grond. Dat dit proces me mentaal zal breken, waardoor ik, zelfs als ik eindelijk een huis vind, verbitterd raak en slecht gezelschap word. Dat mensen tegen elkaar zullen zeggen, aanvankelijk beschaamd maar allengs openlijker: „Vroeger was ze grappig, maar tegenwoordig valt er weinig meer te lachen.”

Oddly specific, zou je zeggen, maar dat geldt voor al mijn voorstellingen van de toekomst. Ze zoomen in op willekeurige en onwaarschijnlijke scenario’s, terwijl ze andere opties negeren. Ook voordat ik ziek werd was dat zo: in mijn fantasieën over de toekomst was veel ruimte voor een kernoorlog en relatief weinig voor klimaatrampen. Waarom weet ik ook niet – het voorstellingsvermogen slaat zelf bepaalde wegen in, buiten de ratio om.

Die wegen neem ik vervolgens veel te serieus. Ik moet nog vaak denken aan die keer, jaren geleden, dat ik tegen een oude man in de kroeg zei: „Wat mij erg lijkt aan ouder worden is dat je steeds meer verleden hebt en steeds minder toekomst.” Hij keek me peinzend aan en zei toen: „Weet je wát erg is aan ouder worden? Dat iedereen om je heen DOODGAAT.”

Dit had een les kunnen zijn, als ik beter had opgelet. Je vreest een ramp, of stelt je iets leuks voor, en de realiteit komt met iets anders – soms iets heel banaals. Op wat de mooiste dag van het jaar had moeten zijn luister je naar De Poema’s. Het mooie is dat dit ook vrijheid biedt: als mentale voorbereiding toch geen zin heeft, kun je net zo goed aan iets anders denken.

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next