Verbaast het dat er steeds minder Nederlandse musici aan de poort van het conservatorium staan? Misschien moeten we ons afvragen waarom voor jonge uitvoerende musici onder de vijftien jaar geen structurele financiële ondersteuning is te vinden.
Met veel interesse las ik uw artikel ‘De droom van jonge Nederlandse musici sterft in desinteresse en bezuinigingen’ van 7 augustus. Als ouder van een jonge Nederlandse musicus herken ik heel veel in het verhaal van Jan-Gerd Krüger. Vooral zijn opmerking dat een conservatoriumopleiding niet pas op je zeventiende begint, maar dat daar vele jaren van intensieve voorbereiding aan voorafgaan.
Ik mis alleen één aspect in deze discussie: wie betaalt eigenlijk al die jaren vóór het conservatorium?
Mijn zoon Timur is twaalf jaar, speelt viool en volgt een vooropleiding van het conservatorium. Hij doet mee aan nationale en internationale concoursen, heeft daar prijzen gewonnen en vertegenwoordigt Nederland bij internationale concoursen. Op dit niveau is muziek al lang niet meer één vioolles per week en thuis een beetje oefenen.
Over de auteur
Eldar Yusupov is vader van een 12-jarige Nederlandse violist die een preprofessionele muziekopleiding volgt.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Alleen zijn reguliere vioollessen kosten ons ongeveer 300 euro per maand. Daarnaast zijn er extra lessen en masterclasses, pianobegeleiding, de preopleiding, een goed instrument, snaren en onderhoud. En natuurlijk concoursen. Voor een internationaal concours waar we onlangs naartoe zijn geweest, waren we ongeveer 1.500 euro kwijt aan deelname, reis en verblijf.
Alles bij elkaar kost een serieus muzikaal traject gemakkelijk meer dan 10 duizend euro per jaar. En dan hebben we het nog niet over de tijd die ouders erin steken.
Wij zijn daarom gaan zoeken naar financiële ondersteuning. En daar waren we behoorlijk verbaasd over. Voor jonge uitvoerende musici onder de vijftien jaar konden wij in Nederland geen structurele financiële ondersteuning vinden.
Wat het extra opvallend maakt, is dat dit vroeger anders was. Ongeveer tien jaar geleden waren er nog muziekfondsen waar jonge talenten vanaf elf of twaalf jaar voor ondersteuning in aanmerking konden komen. Voor violisten en pianisten was zelfs dat vaak al laat, omdat hun intensieve opleiding veel eerder begint. Voor jonge musici op andere instrumenten bood het in ieder geval mogelijkheden.
In 2026 lijkt die grens verder te zijn opgeschoven. Bij alle fondsen en regelingen die wij hebben kunnen vinden, kwamen we uiteindelijk dezelfde minimumleeftijd tegen: vijftien jaar. Voor een twaalfjarige violist op preprofessioneel niveau vonden wij geen enkele structurele financiële ondersteuning.
En juist daar zit voor mij iets vreemds. Een violist die later het niveau van een conservatorium wil bereiken, begint vaak al rond zijn vijfde of zesde. Op zijn twaalfde kan zo'n kind al een preopleiding van het conservatorium volgen en deelnemen aan nationale en internationale concoursen. De opleiding is dan eigenlijk al jarenlang bezig. Alleen voor financiële ondersteuning is datzelfde kind blijkbaar nog te jong.
Pas vanaf zijn vijftiende komt hij daarvoor in aanmerking. Tegen die tijd hebben zijn ouders al bijna tien jaar van die ontwikkeling zelf moeten betalen.
Natuurlijk is het logisch dat ouders bijdragen aan de hobby's en ontwikkeling van hun kinderen. Maar op een bepaald niveau hebben we het niet meer over een gewone hobby. Dan zijn meerdere lessen, een goed instrument, begeleiding door een pianist, masterclasses en podiumervaring niet langer een luxe, maar onderdeel van de opleiding.
Dan wordt het verschil tussen gezinnen groot. Als ouders 10 duizend euro of meer per jaar kunnen betalen, kan een kind doorgaan. Kunnen ze dat niet, dan wordt het ontzettend moeilijk, hoe talentvol dat kind ook is. Dat vind ik moeilijk te rijmen met alle aandacht die we in Nederland hebben voor kansengelijkheid en talentontwikkeling.
In de huidige discussie wordt veel gesproken over het grote aantal buitenlandse studenten aan Nederlandse conservatoria. Ik ben het met Krüger eens dat die buitenlandse studenten niet het probleem zijn. Muziek is internationaal en dat moet vooral zo blijven. Bovendien komen sommige buitenlandse jonge musici uit landen waar talentontwikkeling, lessen of deelname aan concoursen vanuit hun eigen land wordt ondersteund.
Misschien moeten we daarom een andere vraag stellen. Niet: waarom zitten er zoveel buitenlandse studenten op onze conservatoria? Maar: wat doen wij in Nederland om ervoor te zorgen dat een Nederlands kind met uitzonderlijk muzikaal talent überhaupt het niveau kan bereiken waarop het later voor zo’n conservatorium kan auditeren?
Als de eerste tien jaar van die ontwikkeling vrijwel volledig door ouders moeten worden gefinancierd, hoeven we ons over tien jaar misschien niet te verbazen dat er steeds minder Nederlandse musici aan de poort van het conservatorium staan.
Talent is er. De vraag is of we bereid zijn het te ondersteunen voordat het kind vijftien is.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant