Home

Opinie: De inzet voor kansengelijkheid mag niet stoppen na het verlaten van het onderwijs

Er is veel aandacht geweest voor de worstelingen van eerstegeneratiestudenten. Maar na het afronden van een opleiding begint een nieuwe strijd: die van de eerstegeneratieprofessional.

Vraag je jezelf weleens af hoe het gaat met die collega die als eerste in diens omgeving een professionele functie vervult? De kans is groot dat je niet weet voor welke collega’s dit geldt. Toch heeft deze positie waarschijnlijk meer invloed op hen dan je denkt.

Met het einde van de zomervakantie in aantocht begint binnenkort een nieuwe groep studenten aan een opleiding. Binnen deze groep bevindt zich ook een groot aantal eerstegeneratiestudenten: jongeren die afkomstig zijn uit een familie waarin het volgen van een studie aan een universiteit niet vanzelfsprekend is.

Voor dit opiniestuk wil ik echter een aantal weken teruggaan naar juli, de periode waarin veel (eerstegeneratie)studenten, onder wie ikzelf, het verlossende bericht kregen dat zij voor hun studie waren geslaagd. Maar voor velen van hen begint, na het betreden van de arbeidsmarkt, weer een nieuwe strijd.

Over de auteur

Séun Steenken studeerde recent af in Bestuurs- en Organisatiewetenschap aan de Universiteit Utrecht. Hij is spokenwordartiest, medeoprichter van jongerenstichting The Next Way en stadsdichter van Almere. In zijn afstudeeronderzoek verdiepte hij zich in de ervaringen van eerstegeneratieprofessionals.

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

Theoretisch werk

De kans is namelijk groot dat velen van hen als eerste binnen hun gezin een omgeving betreden waarin theoretisch werk centraal staat. Daarmee verandert hun positie: zij zijn niet langer een eerstegeneratiestudent, maar beginnen hun loopbaan als eerstegeneratieprofessional. Waar het voor de een logisch is om terecht te komen in een beleidsfunctie bij de overheid, als projectleider in het maatschappelijk middenveld of als consultant in het bedrijfsleven, is dat voor mij en vele anderen allesbehalve vanzelfsprekend.

Begrijp mij niet verkeerd: de arbeidsmarkt betreden is voor iedereen spannend en onzeker. Maar eerstegeneratieprofessionals komen vaak extra obstakels tegen. Zo kunnen veel starters rekenen op adviezen uit hun thuisomgeving, bijvoorbeeld over traineeships, stages en salarisonderhandelingen, of op kennissen die hen kunnen helpen bij het bemachtigen van hun eerste functie, maar eerstegeneratieprofessionals moeten deze stappen grotendeels zelf uitzoeken.

Daarnaast is de werkomgeving waarin zij terechtkomen vaak gebaseerd op de cultuur van de middenklasse. Omdat veel eerstegeneratieprofessionals deze cultuur van huis uit niet hebben meegekregen, herkennen zij zich minder gemakkelijk in de gebruiken, gesprekken en verwachtingen op de werkvloer. Wanneer collega’s tijdens de pauze bijvoorbeeld praten over de aankoop van een huis, een skivakantie of een uit de hand gelopen verbouwing, beseffen zij dat deze onderwerpen nauwelijks aansluiten bij wat zijzelf of mensen uit hun omgeving ervaren.

Minder positief beoordeeld

Helaas blijft dit gebrek aan culturele aansluiting niet zonder gevolgen. Zo laat een studie van de Rotman School of Management van de University of Toronto zien dat dit ertoe kan leiden dat eerstegeneratieprofessionals door hun leidinggevenden minder positief worden beoordeeld.

Deze innerlijke strijd wordt ook uitgelicht in een onderzoek waaraan de Vrije Universiteit Amsterdam heeft meegewerkt. Om hun beperkte toegang tot professionele netwerken en hun gebrek aan kennis van de ongeschreven regels te compenseren, moeten veel van deze professionals tijdens hun loopbaan leren bewegen in een nieuwe sociale omgeving en zich aanpassen aan de culturele verwachtingen op de werkvloer, bijvoorbeeld door te codeswitchen (het bewust of onbewust aanpassen van je taal, gedrag of stijl aan de sociale of culturele situatie waarin je je bevindt, red.). Hierdoor komen velen van hen steeds verder van hun omgeving van herkomst af te staan. Zij voelen zich daardoor niet volledig thuis in hun nieuwe omgeving, maar ook niet meer in hun oorspronkelijke thuisomgeving.

Nu vraag je je misschien af hoe het komt dat we tijdens hun studietijd zo begaan zijn met eerstegeneratiestudenten, maar dat we hen uit het oog verliezen zodra zij de arbeidsmarkt betreden. Dit kan onder andere komen doordat het lijkt alsof een deel van hen zich succesvol heeft aangepast aan de professionele omgeving, wat anderen de indruk kan geven dat zij zich volledig thuis voelen in hun rol. Voor mensen van kleur en anderen die zichtbaar afwijken van de meerderheid binnen hun werkomgeving, ligt dit complexer. Zij kunnen namelijk minder gemakkelijk opgaan in de meerderheid.

Interne strijd

Het zijn van een eerstegeneratieprofessional brengt voor sommigen vooral een interne strijd met zich mee. Voor anderen is deze strijd duidelijker zichtbaar. Toch worden de obstakels van eerstegeneratieprofessionals op de werkvloer vaak onvoldoende gezien. Tegelijkertijd zijn er weinig betaalbare, passende loopbaanondersteunende programma’s voor deze doelgroep.

Het is daarom belangrijk dat managers, onderwijsinstellingen, sociaal werkers en beleidsmakers zich bewust zijn van de obstakels die deze professionals ervaren en passende programma’s voor hen ontwikkelen. De uitdagingen van mensen die als eerste binnen hun gezin een professionele loopbaan opbouwen, verdwijnen namelijk niet zodra zij hun eerste functie hebben bemachtigd. De inzet voor kansengelijkheid mag daarom niet stoppen zodra iemand het onderwijs verlaat.

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next