Home

Ik zou graag een luizentante willen zijn, mag dat?

It takes a village to raise a child, luidt een oude wijsheid. Maar hoe? Om te beginnen door mensen zonder kinderen veel vaker te betrekken bij de opvoeding, bepleit Anouk Kragtwijk.

Telefoontje van mijn zwager, de vader van mijn nichtje van twee. „Weet je waar je het schepje en emmertje hebt gelaten?”

Ik denk diep na. Ik had een dag opgepast, we waren naar het bos gegaan. Ik droeg mijn nichtje op mijn heup en trok de buggy door het mulle zand, toen mijn hond moest poepen. De prullenbak was nog ver, dus legde ik het poepzakje in de buggy, naast het schepje en het emmertje. „Liggen ze niet gewoon in de kinderwagen?” Dan schrik ik. Als het schepje en de emmer daar nog liggen, dan liggen de drollen van mijn hond er ook nog. Mijn zwager is al bij de auto. „Ik heb hier inderdaad het schepje en de emmer — en ja, ook de drollen van Pippa.” Mijn zusje appt later dat ze het al zo vond stinken in haar auto.

Het was een klein incident. Er was niemand gewond, mijn nichtje had ik die middag thuis afgeleverd met tien tenen en tien vingers en het nieuwe woord ‘kinderboerderij’. Maar toch was het voor mij weer een bevestiging: de rol van moeder past niet bij mij. Mijn vader noemt me al sinds mijn jeugd ‘captain chaos’. Ik heb al moeite om mezelf in leven te houden, laat staan kinderen. Die ik overigens ook graag de klimaatverandering wil besparen.

Wel wil ik bijdragen aan de opvoeding van mijn nichtje en neefjes. Vanzelfsprekend is dat niet. „Mensen zonder kinderen lijken geen rol te spelen in het familieleven van mensen met kinderen”, zei de Britse schrijver Aminatta Forna in 2024 in een aflevering van tv-programma Tegenlicht. „Het wordt niet eens in overweging genomen.” Ouders en niet-ouders leven in twee werelden. Wie kiest voor kinderen krijgt door kinderopvang en school vooral contact met andere ouders. Wie niet voor kinderen kiest, trekt vaker op met andere niet-ouders.

Ik zie het graag anders. Het moet ook anders, want de maatschappij is aan het veranderen. Decennia heeft de westerse wereld geleund op het traditionele kerngezin (vader, moeder, kinderen), maar dat model is niet meer houdbaar, schrijft historicus Lotte Houwink ten Cate in haar pamflet De mythe van het gezin. Vooral jonge moeders hebben last van die rolverdeling omdat ze nu én werken én de meeste taken in het huishouden doen, wat leidt tot burn-outs. Daarnaast zijn andere vormen van ouderschap ontstaan. 30 tot 35 procent van de huwelijken strandt en die ouders krijgen vaak nieuwe partners, leidend tot allerlei samengestelde gezinnen. Er komen ook steeds meer queergezinnen bij die meer dan twee ouders tellen. En er is dus een groeiende groep volwassenen die, net als mijn vriend en ik, kiest voor een leven zonder kinderen.

Dat mensen buiten het kerngezin kunnen bijdragen aan de opvoeding van kinderen is natuurlijk geen revolutionair idee, we kennen allemaal het gezegde ‘It takes a village to raise a child’. Ik hoor mijn vriendinnen met kinderen er vaak naar verlangen als ze het zwaar hebben. Maar wat houdt het in?

Moederschap niet heilig

Joyce Weeland, universitair hoofddocent pedagogische wetenschappen aan de Erasmus Universiteit, doet onderzoek naar de invloed van de omgeving op ouders en het kind. Ze is zelf geen moeder. „Het ouderschap past niet bij mij maar ik realiseerde me dat daardoor een kant van mij niet zou worden aangesproken, het verzorgen van anderen. Volgens mij is het voor iedereen belangrijk om je daarin te ontwikkelen. Dus toen mijn zus zwanger was, wist ik meteen dat ik een bijdrage wilde leveren aan het leven van mijn nichtjes en neefjes. Ik heb nu elke donderdag vrij, dan haal ik de kinderen van mijn zus uit school en dan gaan ze ’s middags zwemmen.”

In Nederland is dat vrij ongebruikelijk, in andere delen van de wereld niet. Zo beschrijven wetenschappers van de Rijksuniversiteit Groningen en de Universiteit Utrecht in een metastudie over hulpouders dat in kibboetsen in Israël de biologische moeder vooral de basale zorg op zich neemt (het voeden en naar bed brengen), terwijl de didactische rol vaak bij hulpouders ligt. Weeland: „Lange tijd lag de nadruk in westers opvoedings- en hechtingsonderzoek op de moeder. Inmiddels weten we dat kinderen zich ook veilig kunnen hechten aan vaders en andere vaste opvoeders en dat ook ‘niet-moeders’ een belangrijke rol kunnen spelen in de opvoeding. Onderzoek uit andere delen van de wereld laat zien dat de zorg voor kinderen vaak wordt gedeeld met familieleden en andere mensen uit de omgeving. En dat tantes, broertjes, zusjes en andere betrokkenen uit de gemeenschap hechtingsfiguren kunnen zijn.”

Dan moet de heiligheid van het moederschap wel op de schop. Ik had een tijdje een fascinatie voor het monster Lamashtu uit het oude Mesopotamië. Deze vrouwelijke demon doodde pasgeboren baby’s omdat ze zelf geen kinderen kon krijgen. Het archetype duikt ook op in Lilith, de eerste vrouw van Adam in de Joodse mythologie, in de tovenares Medea uit de Griekse mythologie en – in verdunde vorm – in de heksen en stiefmoeders uit sprookjes en Disneyfilms. In monsters projecteren we onze grootste afkeer; blijkbaar werd een vrouw die geen kinderen had, eeuwen geleden genadeloos afgekeurd. In de Romantiek zijn de stereotyperingen van vrouwen versterkt. Er ontstond een beeld van een perfecte moeder die symbiotisch met haar kinderen moest omgaan en alles in het teken moest stellen van hun behoeftes. Die moedercultus maakt het moeders paradoxaal genoeg juist moeilijk, door hun het idee te geven dat ze alles moeten kunnen. En juist daardoor krijgen kinderen niet de best mogelijke begeleiding. Weeland: „Je hebt als mens sterke en zwakke punten, je kan als ouder nooit al die behoeften vervullen.”

Eigenlijk ontbreekt het in onze cultuur aan verhalen en archetypen van vrouwen en mannen die wel willen zorgen, maar niet 24 uur per dag. Jonge vrouwen krijgen amper de optie om op andere manieren dan als moeder deel uit te maken van het leven van kinderen. Ik heb een vriendin met kinderen die nu zegt: „Ik was misschien ook liever een tante geweest in plaats van een moeder.” In het bos met mijn nichtje werd ik drie keer aangesproken als moeder, in andere culturen had ik ook gewoon een tante, een zus of een nicht kunnen zijn.

Voor tantes gelden minder dogma’s

Het tanteschap is een van de weinige vrouwenrollen in onze cultuur die niet is dichtgetimmerd met stereotyperingen. Er zijn veel minder dogma’s over hoe je je als tante moet gedragen en de ’tantemaffia’ bestaat niet – wel een ‘moedermaffia’ die andere moeders bekritiseert om hun opvoedstijl. Dat is bevrijdend. Al merk ik een paar weken na het drollenincident dat de blauwdruk van het moederschap toch ook subtiel mijn tanteschap beïnvloedt.

Als ik met mijn zussen bij mijn ouders ben en ze me vragen of ik mijn neefje een verhaaltje voor wil lezen of mijn nichtje wil verschonen, kies ik voor het eerste, maar schaam ik me daarvoor. Als ik dat gevoel later uitpluis, realiseer ik me dat ik me een slechte vrouw voel omdat ik geen zin heb in het verschonen van luiers. Alsof je geen echte vrouw bent als je je een keer niet wilt bekommeren om de basisbehoeftes van een kind. Maar ik wil helpen met andere dingen: huiswerk, rijden naar sportclubs, troosten bij liefdesverdriet. Ik wil een mentor, een luisterend oor, een emotioneel baken zijn. Ik wil een tante zijn zoals ik een vriend ben. Als iemand in mijn omgeving ziek is, bied ik ook geen spaghetti aan (ook omdat niemand op mijn spaghetti zit te wachten). Mijn luisterend oor is mijn spaghetti.

Het zijn mijn eigen demonen. Voor kinderen is een veelzijdig aanbod van volwassenen verrijkend, blijkt uit onderzoek. Hulpouders die echt betrokken zijn bij het leven van een kind verhogen het sociale kapitaal van kinderen aanzienlijk, zegt Weeland. „Meerdere onderzoeken laten zien dat kinderen met een groot netwerk het op de lange termijn op allerlei vlakken beter doen. Ze functioneren beter op school, ervaren meer welzijn en zijn beter in het ontwikkelen van hun talenten. Je doet kinderen tekort door opvoeding enkel bij de ouders te leggen. Iedereen is op een bepaalde manier een rolmodel. De een biedt emotionele ondersteuning, de ander informatie, de derde een sportieve uitdaging. Hulpouders verhogen de veerkracht van kinderen en tieners. We zagen veerkracht lang als psychische eigenschap, maar het is je omgeving die je in staat stelt om veerkrachtig te zijn.”

Als ik met mijn neefje van anderhalf bij mijn ouders ben, zie ik wat dat grotere netwerk doet. In het midden van de keuken staat een basketbalnetje waar hij nu al de ene na de andere bal in gooit. Hij komt uit een basketbalfamilie: zijn vader, twee opa’s en zijn overgrootvader speelden in het Nederlands team. Als ik op bezoek ben, til ik hem vaak op en neem ik hem mee naar de piano. Mijn zus zegt: „Door jou komt hij in aanraking met muziek en natuur, door ons veel minder.” Schuilt er naast een LeBron James ook een Wibi Soerjadi in hem, dan kan hij dat onder andere door mij ontdekken. Of hij ontwikkelt zich tot een fantastische tussenvorm, want talenten en karaktereigenschappen gaan chemische reacties met elkaar aan.

Ik vraag me af welke talenten van mij zouden zijn gestimuleerd als ik meer hulpouders had gehad. Misschien had ik als tiener dan wel auditie durven doen voor de Kleinkunstacademie.

Homo erectus besteedde al zorg uit

Er is een theorie dat hulpouderschap de hele mensheid heeft geholpen in haar ontwikkeling. Sarah Blaffer Hrdy, als emeritus hoogleraar primatologie en antropologie verbonden aan de University of California-Davis (UCD), stelt in het boek Een kind heeft vele moeders dat we als mensheid zo’n succesvolle soort zijn geworden doordat de voorloper van de homo sapiens, de homo erectus, zo’n twee miljoen jaar geleden zorg is gaan uitbesteden aan anderen. Vrouwen zijn veel sneller achter elkaar zwanger dan bijvoorbeeld chimpansees, terwijl het opvoeden hun meer energie kost; een mensenkind heeft veel meer calorieën nodig om volwassen te worden. Volgens Blaffer Hrdy moeten in de prehistorie anderen hebben meegeholpen met de opvoeding.

In de evolutiewetenschap bestaat zelfs de grootmoederhypothese. Vrouwen zouden na de menopauze nog jaren leven omdat ze een rol te vervullen hebben in de opvoeding van kinderen. Ook oudere broers en zussen hebben eeuwen als hulpouder gefungeerd omdat zij doorgaans evenmin jonge kinderen hebben.

Dat veranderde de laatste eeuw snel. Families verhuisden uit elkaar en gezinnen werden steeds kleiner, waardoor oudere broers en zussen minder op de kleintjes thuis hoefden te passen. Het Nederlands Jeugdinstituut schreef in 2022 in een rapport dat veel jonge mannen voor het eerst een baby vasthouden als ze zelf vader worden.

Ik realiseerde me nog iets anders. Als ouders zeggen ‘it takes a village to raise a child‘ bedoelen ze eigenlijk dat ze ontzorgd willen worden. Maar willen ze wel dat anderen zich met hun kinderen bemoeien? In inheemse samenlevingen bemoeit de hele gemeenschap zich met de kinderen, blijkt uit het boek The Anthropology of Childhood van hoogleraar antropologie David F. Lancy — iets waar westerse ouders, zo laat onderzoek zien, beslist niet op zitten te wachten. Daarnaast zorgen kinderen in inheemse culturen veel meer voor zichzelf. Ze moeten zelf spelen, zelf leren, stelt wetenschapsjournalist Michaeleen Doucleff in haar boek Jagen, verzamelen, opvoeden. Je zou kunnen zeggen dat ouders uit jagers- en verzamelaarsculturen zich vooral verantwoordelijk voelen voor de onderste lagen van de piramide van Maslow (een ordening van behoeftes met onderin onder meer voedsel en veiligheid, en bovenin zelfontplooiing). In onze samenleving ligt de focus juist op persoonlijke ontwikkeling, waarschijnlijk omdat kindersterfte hier amper nog bestaat door de goede gezondheidszorg en het hoge welvaartsniveau. Het dorp uit het gezegde it takes a village to raise a child is in Nederland eigenlijk geïnstitutionaliseerd en geprofessionaliseerd, met de kraamzorg en het consultatiebureau, met artsen en leraren.

Door de professionalisering van de kinderzorg kloppen ouders minder vaak aan bij familie, vrienden en bekenden met vragen over kleine problemen als slaap en voeding. Daardoor blijft hulpouder-capaciteit onbenut en raakt de professionele zorg verstopt, zegt Weeland. „De zorg voor kinderen die het echt moeilijk hebben, stagneert omdat die overvol zit.” Dat ouders minder een beroep doen op hun eigen omgeving komt volgens haar ook door een afname van het ‘sociale vertrouwen’. „Kinderen komen minder bij andere mensen thuis, blijkt uit onderzoek. Ik ging als kind vaak bij allerlei vriendjes en vriendinnetjes langs. Daardoor leerde je hoe andere gezinnen waren en dat wat je thuis meekreeg niet overal de norm was. Kinderen kennen tegenwoordig minder mensen en de groepen waartoe ze behoren worden homogener.”

Onze gemeenschappen eroderen

Hier komen we bij de kern van het probleem. De afname van het aantal hulpouders komt niet alleen doordat familieleden uit elkaar zijn gaan wonen, maar ook doordat belangrijke sociale structuren zijn verdwenen, zoals kerkgemeenschappen en vakbonden. In plaats daarvan raakten we gericht op economische groei en globalisatie, betoogt Noreena Hertz, bijzonder hoogleraar aan University College London, gespecialiseerd in globale economie, in haar boek De eenzame eeuw. De afgelopen decennia draaiden om het behalen van winsten voor bedrijven en het nastreven van het eigen belang voor consumenten, schrijft ze. Om ‘ik’ en niet om ‘samen’. Dat heeft niet alleen op macroniveau grote consequenties (denk aan klimaatverandering), maar ook achter de voordeur, in gezinnen. Omdat gemeenschappen eroderen, zijn er veel minder hulpouders voor kinderen beschikbaar.

Het heeft iets ironisch. We zijn ontwikkelder dan ooit, maar dat wat ons als mensheid volgens Blaffer Hrdy zo succesvol heeft gemaakt, zijn we juist aan het verliezen.

Als ik eerlijk ben, voel ik dat gemis aan een gemeenschap ook. Ik ben voor de natuur in een dorp gaan wonen, maar ken daar weinig mensen. Ik werk als freelancer thuis. Ik woon niet meer in de buurt van mijn familie en mijn vrienden wonen overal en nergens. Sociaal contact werkt als vitamines, je hebt van alles wat nodig. In de westerse wereld hebben we een tekort aan vitamine G: de gemeenschap. Ik wil ook onderdeel zijn van het leven van mijn nichtje en neefjes omdat ik sociaal contact mis.

Leeftijdsgenoten met kinderen ontmoeten elkaar nog op schoolpleinen. De twee basisscholen in mijn wijk, op een steenworp afstand, hebben nog nooit een open dag gehad voor niet-ouders. „Kinderen zijn vaak een brug”, zegt Weeland. „Ze verbinden allerlei organisaties en mensen. Mensen met jonge kinderen hebben een veel groter netwerk in de wijk dan mensen van wie de kinderen het huis uit zijn.” Ouders lijken vaker overprikkeld, maar volgens het CBS zijn niet-ouders eenzamer. Eigenlijk vullen die behoeftes elkaar fantastisch aan, maar dan moeten we er wel voor zorgen dat de werelden van ouders en niet-ouders samenkomen.

„Het moet anders”, zeg ik op een avond tegen mijn vriend als we in bed liggen te filosoferen over dat afgesneden gevoel. Ik bel mijn zussen en geef aan dat mijn vriend en ik ook graag standaard hulpouders willen zijn en structureel willen bijdragen aan hun leven. Niet elke week zoals Joyce Weeland, wel elke maand een dag. Dan gaan we naar het bos, laat ik ze spelen met stokken en benoem ik elke boom die ik ken.

Op een ochtend in juni, ik loop buiten met de hond, zie ik aan de overkant van de straat tientallen mensen van mijn leeftijd borrelen op het schoolplein – het is ‘familiedag’. Het voelt als een groot contrast: ik met mijn hond, zij met elkaar. Een paar dagen later lees ik in de regionale krant dat de twee scholen in mijn wijk gaan fuseren. Ik stuur een mail aan de directies. Of ze een groot feest voor de wijk willen geven als ze klaar zijn met de fusie. En of niet-ouders ook mogen helpen op school. Ik zou namelijk graag luizentante willen zijn.

Kind en jeugd

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next