Home

Tophockeyer Duco Telgenkamp: ‘Ik denk dat veel mensen nu zouden zeggen dat ik een leuker persoon ben geworden’

Hockey Na het olympisch goud van Parijs stopte het „lefgozertje” van het hockey, 22 nog maar, bij Oranje. Dit WK is Duco Telgenkamp terug. „Ik heb nog steeds wel moeite een balans te vinden tussen mijn eigen belangen en die van het team.”

Duco Telgenkamp: „Het is niet dat ik echt zín heb om te gaan hockeyen. Maar wat ik heel erg leuk vind, is met het team bezig zijn.”

Duco Telgenkamp was vroeger zo’n jongetje dat op tv naar de Olympische Spelen keek en dacht: dat wil ik ook. Tien jaar oud, op de bank bij opa en oma, besloot hij dat hij een olympische medaille ging winnen.

Elf jaar later werd hij voor het eerst geselecteerd voor Oranje. Hij hockeyde toen pas een jaar in de hoofdklasse. Daarna ging het hard. Zijn eerste toernooi, in 2023: meteen Europees kampioen, topscorer én verkozen tot grootste talent. Een spits met een ‘aan arrogantie grenzende zelfverzekerdheid’, noteerde NRC toen, die na afloop vol bravoure verklaarde dat dit „pas het begin” was.

Hij mocht mee naar de Spelen van Parijs, een jaar later, en meldde zich bij bondscoach Jeroen Delmee om de eventuele laatste en beslissende shoot-out te nemen. Zo maakte hij de winnende, in de finale tegen Duitsland. En passant veroorzaakte hij daarna een relletje toen hij met zijn wijsvinger de verliezende Duitse keeper, die vooraf in de media had gezegd dat Oranje bang was voor de Duitsers, tot stilte maande en hem een tikje op zijn helm gaf. Een smetje, misschien, al was het ook wel weer typerend.

Hoe dan ook: die jongen van tien op de bank bij opa en oma had zijn gouden medaille binnen. Een sportverhaal volgens het boekje.

En toch, de realiteit viel Telgenkamp tegen. „Eindelijk had ik die plak. En toen dacht ik: ik heb er totaal geen plezier in gehad”, zegt hij terugkijkend.

Nog tijdens de Spelen zei hij tegen teamgenoten dat hij wilde stoppen bij het Nederlands team, vertelt hij. „De jongens moesten er een beetje om lachen.” Maar Telgenkamp stapte na ‘Parijs’ echt uit de selectie. Het EK van 2025 sloeg hij over. Zo had hij meer tijd voor zijn bedrijf, dat workshops en video’s aanbiedt over thema’s als gezondheid en mentale weerbaarheid. Maar hij wilde ook wat afstand nemen van het tophockey, al bleef hij wel spelen bij zijn club Kampong.

In de periode dat hij niet voor het nationale team speelde heeft hij veel nagedacht, vertelt hij in een statig vergaderzaaltje in het Haagse pand waar hij kantoor houdt. „Wat wil ik zelf? Wat is mijn band met hockey? Doe ik het omdat ik het leuk vind? Wat is mijn rol in het team? Hoe kan ik zorgen dat ik het leven rondom hockey leuker ga vinden?”

Nu staat hij er weer als tophockeyer: dit weekend begint Telgenkamp in het Amsterdamse Wagenerstadion aan het WK, zijn eerste pas. Hoe kijkt hij nu naar al die vragen? En waarom keerde hij terug?

Zonder druk

Duco Telgenkamp (24) was zes toen hij met hockey begon. Hij was al snel verkocht. Terugkijkend zegt hij: „Dat was eigenlijk de enige periode waarin ik hockey echt leuk vond.” Op een ongecompliceerde manier, zonder verwachtingen of druk. Want vanaf zijn tiende werd zijn kijk op hockey „doelmatig”. Dat was het moment, in 2012, dat hij bij zijn opa en oma naar die Olympische Spelen keek. „Vanaf toen stond alles in het teken van de Spelen halen.”

Er zitten wel meer kinderen op de bank die zich voornemen de Spelen te halen. Maar dit is wel heel serieus.

 „Ik heb dat altijd gehad, dat ik makkelijk obsessief kan zijn met dingen.”

Telgenkamp noemt het zijn „hyperfocus”. „Ik denk dat er misschien iets in mijn brein zit waardoor ik daar vatbaar voor ben. En het werd ook wel gestimuleerd vanuit mijn omgeving.”

Zijn vader kon kritisch zijn op zijn hockeyspel, zegt Telgenkamp. „Met de intentie van: het is nooit klaar, je moet blijven werken. Ik weet bijvoorbeeld nog dat ik in de C1 zat en dacht dat ik goed bezig was. En toen zei hij: er zitten vijf jongens in dit team die beter zijn dan jij.”

En je moeder?

„Die probeerde me af te remmen. Die kon na een wedstrijd zeggen: ‘Duuc, je hebt het goed gedaan, we gaan vanavond even genieten. Chill ook heel even.’”

Wat vonden jouw teamgenoten van jou toen?

„Als ik heel eerlijk ben heb ik nooit veel met mijn teamgenoten gehad. Eigenlijk ook niet met teamsport. Toen ik veertien was heb ik weleens tegen mijn coach gezegd dat ik er met mijn hoofd niet bij kon dat ik een teamsport had gekozen. Ik heb nog steeds wel moeite een balans te vinden tussen mijn eigen belangen en die van het team.”

„Ik had gewoon ook niet echt een band met mijn teamgenoten. Ik had geen vrienden nodig, of tenminste, dat dacht ik op dat moment. Ik kom niet per se uit een omgeving die heel warm is. We hebben wel een warm hart voor elkaar, en ik heb altijd veel steun ervaren, maar het is niet zo dat we elkaar knuffels geven en zeggen: ik hou van je, je bent de beste.”

Heeft jouw solisme je in het hockey in de weg gezeten?

„Toen ik in 2023 bij het Nederlandse team kwam ging het veel over omgangsvormen. Dat je met zijn allen samen aan tafel eet. Alleen, wij zijn als gezin nogal individualistisch, dus ik was dat niet gewend. En ook dat je een gesprek aangaat, om in iemand te investeren. Of welke geintjes je wel of niet kunt maken. Ik denk dat ik wat te weinig empathie had om dat groepsgevoel echt aan te voelen.”

In die tijd kreeg hij een bijnaam: Doezo, in plaats van Duco. „Omdat ik elke keer vroeg: hoezo moet dat? Er was bij het ontbijt in het hotel waar we zaten bijvoorbeeld zo’n chocoladefontein en ik doopte daar mijn croissantje in. En de coach zei: dat is niet zo handig vlak voor een wedstrijd. Maar ik dacht: ik ga me niet laten vertellen wat ik wel of niet kan doen. Ging ik de volgende dag weer even onder die fontein hangen.”

Zo’n groep maakt daar vaak korte metten mee: je hebt niet voor niets meteen een bijnaam.

„Door jongens die langer in het team zitten werd ik op dingen aangesproken. Dat je zonder petje aan tafel moest gaan zitten bijvoorbeeld. Ik vond dat een tijd echt lastig: hoe functioneer ik in dit team? Ik had het gevoel dat ik niet mezelf kon zijn. En tegelijkertijd wilde ik niet dat het mijn hockeyspel ging beïnvloeden. Want ik vind dat ik in het veld juist die gozer moet zijn die schijt heeft aan alles. Als de bal vrij ligt op de achterlijn ga ik hem schieten, terwijl iedereen hem voor zou geven. En als jij het daar niet mee eens bent, dan is dat jouw probleem.”

Er waren vast teamgenoten die jou irritant vonden in die tijd.

„Ik denk misschien nog steeds. Maar dat is een aanname, ik heb dat nooit gevraagd. Die behoefte heb ik ook niet.”

Toch is er wat veranderd, want ik begreep dat je van verschillende ploeggenoten een compliment had gekregen.

„Ja, dat was op een trainingskamp. Ze zeiden: we weten hoe je was, maar je bent zo veranderd. Je staat er veel meer open voor om onderdeel te zijn van het team. Dat vond ik heel mooi om te horen.

„Ik wil in de groep dicht bij mezelf blijven. Ik zal bijvoorbeeld nooit politieagent spelen, ga niet zeggen wat anderen wel of niet mogen doen. Ik wil bijdragen op mijn manier, met positiviteit, energie, humor en ook wel stukje focus en vuur.”

Zijn vriendin Lièna, die psychologie studeert en vroeger op hoog niveau tenniste, heeft hem veel geleerd over relaties met anderen, zegt Telgenkamp. „Het was oefenen: hoe hou je rekening met iemand? Ze heeft straks bijvoorbeeld een tentamen en ik weet nu dat ik haar een appje moet sturen met ‘succes’. Niet als een soort robot, ik vóél ook echt dat ik haar succes wil wensen, maar zij heeft me wel geleerd hoe ik naast mijn eigen focus ook oog voor anderen kan hebben. Dat probeer ik ook met mijn team, ouders, broertje en zusje te doen. Ik denk dat veel mensen nu zouden zeggen dat ik een leuker persoon ben geworden.”

Je vriendin zei dat ook.

„Nou, het was ook niet heel moeilijk, haha.”

Ze zei ook: Duco gedraagt zich in het veld als een stoere gozer, maar eigenlijk is hij een zachte jongen die bang is gekwetst te worden.

„Ik ben niet zelfverzekerd geboren. Ik was altijd kleiner en dunner dan andere jongens. Daar heb ik me onzeker over gevoeld. Mijn hele leven heb ik dat soort dingen weggeduwd met hard werken en gas geven. Maar na de Spelen heb ik geprobeerd wat meer gevoel toe te laten.”

„Ik was altijd kleiner en dunner dan andere jongens. Daar heb ik me onzeker over gevoeld.”

Een toontje lager

Vorig jaar ging Telgenkamp met zijn vriendin terug naar Colombes, de voorstad van Parijs waar hij olympisch goud won. Hij gaf haar ook een rondleiding in het olympisch dorp en liet haar zien waar hij met haar belde, vaak wel drie keer per dag, om de spanning „een soort van draaglijk te houden”.

Vooraf sprak hij al met bondscoach Jeroen Delmee over zijn neiging tot die ‘hyperfocus’ en de moeite die het hem kostte om het hockey soms even los te laten. Door dat gesprek veranderde er iets tussen hen, zegt Telgenkamp. „Jeroen was altijd wel van: Duco is dat lefgozertje uit Den Haag, die heeft een grote bek, en die moet af en toe een toontje lager zingen. Maar nadat ik hem daarover verteld had, was hij wat zachter voor me. Omdat hij wist dat ik er 100 procent voor wilde gaan.”

De pauze na de Spelen beviel hem prima. En toen kwam dus die terugkeer naar Parijs. „Een kantelpunt”, zegt hij terugkijkend. „Ik had verwacht dat ik daar rond zou lopen met het gevoel van: oké, ik vind hockey helemaal niks meer, het heeft geen rol meer in mijn leven. Dan had ik tegen het Nederlands team kunnen zeggen: ik vind het goed zo. Maar toen ik daar was voelde ik trots. En dan begint hockey ineens ook een stuk leuker te worden.”

Was het ook niet fijn geweest als je als kind vaker dat gevoel van trots had gehad? Dat het goed genoeg was?

„Ja, maar dan had ik niet dat stoïcijnse gehad, dat kunnen omgaan met druk. Dan had ik die laatste shoot-out er niet in kunnen krijgen.”

Tegenwoordig wordt vaak gezegd: met een zachter sportklimaat kun je ook goede sporters kweken.

„Iedereen heeft zijn eigen weg. Neem Joep de Mol, die is extreem warm en liefdevol. Die zei tegen mij toen ik net bij Oranje zat: Duco, ik ga jou leren knuffelen. Drie jaar lang heeft hij dat gedaan. ”

Wat vond je daarvan?

„Heel irritant eerst. Maar zo is Joep. En Joep is ook olympisch kampioen en een gigant in de hockeysport. Dus nou ja, het kan op meerdere manieren.”

Denk je dat je dit WK anders in het veld zult staan dan andere toernooien, met meer plezier?

„Nou, doelpunten maken geeft mij plezier, maar het spelletje an sich nog steeds niet heel veel. Het is niet dat ik echt zín heb om te gaan hockeyen. Maar wat ik heel erg leuk vind, is met het team bezig zijn. Hoe kunnen we de volgende stap zetten? En er zijn ook momenten waar ik heel blij van word: als je met z’n allen in de kleedkamer zit en een muziekje luistert. Of je hebt een leuk gesprek aan tafel.”

Nog even over dat vingertje tijdens de Spelen. Hoe kijk je terug op dat moment?

„Met een soort compassie. Die Duitse keeper zei wat irritants tegen mij. Je hebt acht seconden om die bal erin te krijgen. Je hebt twaalf jaar getraind voor dit moment. En jij mag het even gaan doen. Ook voor die andere jongens. Toen ik met mijn vriendin in Parijs was vroeg ik me af of ik het nu weer zou doen. Nou, ik denk het wel eigenlijk.”

Het sociaal wenselijke antwoord is natuurlijk: nee, ik heb ervan geleerd.

„Ik had precies hetzelfde gedaan. Alleen nu met nog meer trots.”

CV Hockeyer

Duco Telgenkamp (2002, Den Haag) speelt sinds 2022 bij Kampong. Met Oranje werd hij in 2024 olympisch kampioen. Telgenkamp doet sinds zijn jeugd ook aan boksen. In september start Telgenkamp bij een nieuwe club: Amsterdam. Telgenkamp: „Het speltype daar ligt me heel goed. Gewoon gas geven en veel power.”

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next