Horendol wordt Reinout Bongers van alle artikelen over de misstanden in de wereld. Het is tijd om daadwerkelijk iets te dóén, besluit hij – ook aan zijn eigen passiviteit. Maar waarom stuit hij bij de gedachte alleen al op een bonk interne weerstand?
schrijft voor de Volkskrant over theater en populaire cultuur.
Oké, ik ben begonnen. Dat schiet even door mijn hoofd wanneer ik aankom bij de demonstratietraining in het Utrechtse clubhuis van Extinction Rebellion, en hun blauwrode vlag aan de gevel zie hangen. Op de vlag het inmiddels bekende logo: een zandloper. Oftewel: het is tijd voor actie.
Binnen vraagt trainer Puk me of ik op een klein tapeje mijn ‘actienaam’ en voornaamwoorden wil schrijven. ‘Dat mag je eigen naam zijn, maar ook Nijntje of Walnoot als je anoniem wilt blijven.’
Ik besluit dat Reinout prima is en neem plaats op een stoel. In een hoek van het kleurrijke huisje liggen opgefrommeld de spandoeken voor komende zaterdag. Dan blokkeren we de A12 bij Utrecht.
‘Ik vind het ongemakkelijk dat er een journalist aanwezig is’, zegt een vrouw naast me die me ziet meeschrijven in mijn opschrijfboekje. Ik vraag haar of dat komt omdat ze niet met naam in de krant wil of omdat ze het überhaupt ongemakkelijk vindt dat een journalist bij XR zou willen.
‘Dat laatste’, zegt ze na enige twijfel.
Een andere man lacht en vraagt: ‘Wat wil je later worden jongen, journalist of activist?’
Ik glimlach ongemakkelijk, knik begripvol en stop mijn boekje voor even weg.
Als iedereen aanwezig is, begint Puk met een vragenrondje: waarom zijn we hier?
Joke, begin 20: ‘Ik wil me inzetten voor een betere wereld.’
Emily, begin 20: ‘Ik wil meer betrokken zijn bij de wereld en daar een positief gevoel van krijgen.’
Jan, zestiger: ‘Ik wil weten wat ik moet doen op een protest.’
Roel, veertiger: ‘Ik wil meer doen dan ik nu doe.’
Reinout, eind 20, komt niet aan het woord, omdat hij weer druk aan het meeschrijven is in zijn boekje.
Maar als ik aan het woord was gekomen had ik precies hetzelfde gezegd als de mensen voor mij. Ook ik ben hier om in actie te komen, om die verstikkende vicieuze cirkel te doorbreken: je voelt je slecht omdat de wereld naar de tering gaat. Je zou iets willen doen om dat tegen te gaan. Maar alles wat je voor je gevoel kan doen, voelt nogal zinloos. Daarom doe je niks, of bijna niks. En daardoor voel je je wéér slecht.
Journalisten en schrijvers pennen kranten en boeken vol met analyses van hoe onze rechtsstaat op omvallen staat, hoe onze politici er een potje van maken en hoe bedrijven willens en wetens onze aarde onleefbaar maken – en dat is op zichzelf misschien al een vorm van activisme, als de definitie van een activist zou zijn dat die alarmeert.
Maar eerlijk gezegd word ik zo onderhand horendol van al die stukken. Ik wil onderzoeken of ik niet meer kan dóén. Of ik een activist kan worden – van vlees en bloed, die woorden verbindt aan daden.
‘Welkom, je bent net op tijd om de wereld te redden’, grapt Puk als een meisje tien minuten later nog aansluit. We zitten inmiddels midden in een powerpointpresentatie over de opwarming van de aarde, extreme droogte, stijgende zeespiegel en de miljoenen mensen die over niet al te lange tijd zullen moeten vluchten door de klimaatramp.
‘We have the right, if not the obligation, for a revolution!’ Puk doet twee stappen naar voren en herhaalt de strijdkreet nog eens. Een voorzichtige yeah! stijgt op uit de elf activisten in spe. Ik blijf stil.
Nee, een activist mag ik mezelf nog niet noemen. Zes jaar geleden riep ik tijdens mijn studententijd op een Maastrichts grasveldje aan de oever van de Maas ‘Black lives matter!’, twijfelend, en voor mijn gevoel met minder overtuiging dan de honderden om mij heen. Ik voelde me opgelaten, en was blij toen een vriend voorstelde om ergens een biertje te gaan drinken.
De afgelopen jaren gaat het iets beter. Bij de Rode Lijn-demonstratie, de Feminist March en een aantal pro-Palestinaprotesten voelde ik een vuurtje branden, sloeg ik op een pannetje en schreeuwde ik af en toe ‘free, free, Palestine!’.
Dat voelde op zich goed, maar zodra ik weer thuis was verdween de wereld al snel weer naar het zijtoneel, of zelfs naar de de coulissen.
Zoals u misschien al heeft gemerkt, ben ik een linkse rakker. Het net zo levendige activisme op rechts, bijvoorbeeld de AZC-protesten, laat ik in dit stuk even links liggen.
Als ik de existentialistische filosofen Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir mag geloven, ben ik met mijn passiviteit ironisch genoeg slachtoffer van mijn eigen radicale vrijheid. Volgens het existentialisme wordt een mens geboren als niets, hebben we geen vaststaande identiteit, en zijn we dus telkens opnieuw vrij om te beslissen wat we doen, of dus juist niet doen. Door die keuzes zijn – of beter gezegd: worden – we iets. Er is geen ontsnappen aan, en dus concludeerde ook Sartre: ‘De mens is gedoemd om vrij te zijn’.
In zijn voor de Socratesbeker genomineerde boekje Waar verzet begint – Een filosofie van activisme, beargumenteert filosoof Roel Meijvis dat we, juist omdat we radicaal vrij zijn, in actie moeten komen. Klinkt gek, legt-ie uit:
Volgens het existentialisme moet de mens actief zin en betekenis geven aan de wereld. En dat doen we door – jawel – te handelen. De Beauvoir illustreert dit door het voorbeeld van de heilige Sint Maarten die een deel van zijn mantel weggaf aan een verkleumde bedelaar.
Sint Maarten gaf zijn mantel niet af omdat zij naasten zijn, maar door het afstaan van zijn mantel worden zij naasten.
‘Met elke keuze laten we zien waar we staan en wat we wel en niet belangrijk vinden. In plaats van ons te verlammen zou deze klimaatramp ons daarom juist kunnen inspireren om het gewicht van de vrijheid op ons te nemen’, aldus Meijvis. Oftewel: met vrijheid komt verantwoordelijkheid.
Ik moet zeggen: hij pakt me wel.
Deze denkstap blijkt echter niet vanzelfsprekend – allesbehalve. Meijvis wijt dit aan ons gebrekkige vrijheidsbegrip dat door de tijd heen steeds meer is gaan overhellen naar ‘radicaal onverantwoordelijk en ongebonden’ waarbij het vooral ieder voor zich is. ‘Het is dit onvolledige, en onjuiste idee over wat het betekent om mens te zijn, dat ons in deze klimaatramp heeft gebracht.’
Dus: ons handelen dient zich daarom niet alleen op politieke en technologische oplossingen te richten, maar ook op een verandering in ons denken. ‘De revolutie die nodig is om de opwarming van de aarde tegen te gaan, is daarom ook een filosofische revolutie. De klimaatramp vraagt niet alleen om keiharde actie, maar net zo goed om twijfel.’
Dat er binnen activisme ruimte zou zijn voor twijfel, vind ik een verfrissende en drempelverlagende gedachte, want die twee gingen in mijn hoofd nog niet echt samen. Activisme lijkt me toch te starten vanuit een diepe overtuiging. Voordat je iets gaat doen of iets gaat schreeuwen, moet je toch wel zeker weten dat je én precies weet wat je schreeuwt, én volledig achter de betekenis daarvan staat.
Waarschijnlijk een reden waarom ik soms huiverig ben om naar protesten te gaan, aangezien ik niet zeker weet of ik alles wel zo zeker weet. Wat als mensen op een Palestina-protest leuzen scanderen die Hamas verheerlijken? Wil ik daar dan toch zijn?
Of: is het verstandig, zoals activisten willen, om de Groningse gasvelden voor altijd dicht te metselen, want wat nou als er ooit oorlog komt en we toch nog ergens gas vandaan moeten toveren?
Dit soort twijfel leidt bij mij vaak tot passiviteit, maar Meijvis inspireert me met het simpele inzicht dat je toch maar beter kan twijfelen op een demonstratie, dan thuis op de bank. Want ook als je niet weet waar je vóór bent, is weten waar je tégen bent genoeg om in actie te komen.
Je hoeft niet te weten hoe de toekomst van Palestina eruit moet zien om te protesteren tegen het feit dat Israëlische soldaten doelbewust Palestijnse kinderen door het hoofd schieten.
Activisme mag beginnen bij een weigering. Misschien weten we soms niet wat rechtvaardig is, wat ‘het goede’ is, maar dat hoeft niet in de weg te staan bij het in actie komen tegen onrechtvaardigheid, haalt Meijvis Camus aan: ‘In een ‘absurde’ wereld waarin we niet weten wie we zijn en waarom we hier zijn, moet ons handelen niet gericht zijn op het bouwen van de ideale samenleving, maar simpelweg op het verminderen van lijden en op het bevrijden van wie in onvrijheid leeft.’
Een zaterdag later zal ik weigeren dat de overheid 40 miljard uitgeeft aan fossiele subsidies, terwijl meer dan 500 duizend Nederlanders in armoede leven.
‘What do we want?’, slingert Puk de ruimte in om ons weer te activeren tijdens de powerpointpresentatie.
Alleen Jan is alert. ‘Climate Justice’, roept hij terug.
Nu iedereen weer wakker is, leren we op de volgende powerpointslides over Rosa Parks, de zwarte naaister die in 1955 in de VS in de bus weigerde op te staan voor een witte vrouw. Een cruciale actie van vreedzame burgerlijke ongehoorzaamheid die de burgerrechtenbeweging in Amerika aan het rollen bracht. ‘En daarom is er nu geen racisme meer in Amerika’, grapt Puk.
Zo zijn er vele voorbeelden van activisten die het van onruststoker tot icoon schopten: Jerry Afriyie, Aletta Jacobs, Anton de Kom – om er maar een paar te noemen. De geschiedenis heeft bewezen dat we voor belangrijke maatschappelijke veroveringen als de afschaffing van de slavernij, het vrouwenkiesrecht en menig onafhankelijkheidsstrijd schatplichtig zijn aan activisten die tegen de norm in durfden te gaan.
Toch trekken we hier geen les uit, en blijven we neerkijken op activisten. Op weerstand stuiten is op zich logisch wanneer je tegen de stroom in zwemt, maar een vrij recente poging van de zogenaamd liberale VVD om het recht op vreedzame burgerlijke ongehoorzaamheid in te perken, en zo aan het demonstratierecht te knabbelen, laat zien dat er nog altijd niet erkend wordt dat activisten een cruciale functie hebben binnen een gezonde rechtsstaat – mits ze geweldloos opereren.
The best rebel is a rebel that knows their limits, and sticks to it. ‘Als jullie vanavond één mantra onthouden, dan hoop ik dat het deze is’, zegt Puk. Ook hamert Puk op het belang van de ‘support demo’: de mensen die niet op de snelweg zitten, maar ernaast staan en ‘You are not alone!’ roepen. ‘We moeten elkaar dragen’, zegt Puk, ‘The people united will never be defeated.’ Dan sluit Puk af: ‘Het was een eer jullie te trainen, tot op de snelweg.’
De avond heeft gedaan wat ik ervan hoopte: ik zit vol vuur en vastberadenheid. Over twee dagen zal ik de snelweg betreden. We krijgen posters en stickers van XR mee naar huis, voor op ons raam. Ik stop een poster in mijn tas en loop richting de trein. En toch: de poster zal mijn raam nooit bereiken en ergens onder in mijn tas verkruimelen.
Het is een cynische gedachte, maar misschien ‘helpt’ mijn geprivilegieerde positie niet. Ik ben man, wit, hoogopgeleid, opgegroeid met genoeg geld en heb daardoor weinig tot geen ervaring met seksisme, racisme of andere vormen van uitsluiting. Ik heb weinig onrecht in mijn leven meegemaakt, los van het feit dat ik als kind geen Wii mocht. Kan ik me moeilijker verbinden met mensen of bevolkingsgroepen die leven in onderdrukking, simpelweg omdat het mij niet direct aangaat?
Ik ken hem verder niet, maar ik denk dat HangYouth-frontman Abel van Gijlswijk mijn redenatie bullshit zou vinden. De punker en schrijver kan leunen op dezelfde privileges als ik, maar is een van de meest zichtbare activisten van deze tijd. Op zijn recent verschenen album IJSLAND 2, dat hij samen met rapper Sef maakte, windt hij er geen doekjes om: ‘Breek het af, nu meteen, het systeem.’
Een coupletje uit het nummer Hete Take (denk de schreeuwende punkstem er even bij): ‘We hebben te veel koeien/ Nederland is leeg/ laat alle Syriërs komen/ en blijven/ en neuken/ er is tantoe plek voor huizen/ wat heb je aan een weiland/ niemand weet/ boeren moeten niet zeuren/ tegen tulpen zeg ik: nee!/ Abolish alle koeien, abolish alle bloemen, abolish al het vee/ Ik zeg: ja! tegen azc.’
Hun activisme spitst zich niet toe op een onderwerp, maar richt zijn pijlen op het boosaardige patriarchale, kapitalistische systeem dat te gronde moet, om de vele vormen van onderdrukking een halt toe te roepen.
Ze zijn niet de enige die uitzoomen. Veel links-activistische bewegingen hameren op de onhoudbaarheid van ‘het systeem’ en stellen dat hun missies niet op zichzelf staan. Hun vlaggen wapperen dan ook zij aan zij op verschillende protesten, zoals de jaarlijkse Feminist March, antifacistische demonstraties en tijdens de klimaatmars.
Deze saamhorigheid hangt samen met het ‘intersectionele’ denken, een term die voor het eerst werd gebruikt in een essay uit 1991 van de Amerikaanse burgerrechtenactivist Kimberlé Crenshaw. Met haar essay legt ze bloot hoe de positie van zwarte vrouwen zowel in de antiracismebeweging, als in feministische kringen onderbelicht bleef. Onderdrukking loopt volgens haar langs verschillende identitaire assen als gender, huidskleur, geaardheid, klasse. Wanneer er sprake is van een optelsom van deze assen – bijvoorbeeld in het geval van een zwarte transvrouw – ontstaat een grotere achterstelling.
De activistische uitwerking van deze theorie, waarbij een stem geven aan gemarginaliseerde groepen en solidariteit belangrijke speerpunten zijn – ‘No one is free, until everyone is free’ – is onder activisten zeer populair en is de dominante stem geworden in veel links-activistische bewegingen.
Flinke kritiek is er echter ook. Tegenstanders vinden dat de boodschap vertroebelt, waardoor mensen afhaken en het protest stagneert bij loze kreten. Een van die critici is Rutger Bregman, die in zijn veelbesproken boek Morele ambitie afrekent met de nieuwe generatie activisten die volgens hem kampt met een gebrek aan ambitie: ‘Het moderne protest lijkt soms niet meer dan een verzameling clicks en likes, in de hoop dat iemand daarboven luistert’.
Bregman vindt veel van het moderne protest ‘te vluchtig, te veel intuïtie, te weinig strategie. Te veel mooie bedoelingen, te weinig harde resultaten.’
Hoewel hij het nut van demonstraties niet onderuit wil halen – die zijn immers nog steeds goed voor ‘het ondermijnen van machthebbers en het werven van nieuwe activisten’ – wil hij grootser denken. We moeten niet tevreden zijn met dingen níét doen: geen vlees eten, niet vliegen, nee, we moeten dingen dóén. En dan niet per se de straat opgaan, maar innoveren, onze eigen ngo’s oprichten, je geld en talent zo effectief mogelijk inzetten voor verandering – het zweet breekt me bij voorbaat uit. Wil ik Bregman blij maken, dan zal ik niet alleen activist moeten worden, maar vooral ook ondernemer.
Gedacht vanuit Bregmans wens voor een snel resultaat snap ik zijn weerzin tegen intersectionaliteit volkomen. Het is rommelig, behoeft veel uitleg en is kwetsbaar voor eindeloos debat – en is zo allesbehalve efficiënt. En dat iedereen op de wereld vrij zou zijn, lijkt me in de praktijk nogal onhaalbaar.
Maar misschien gaat activisme niet over haalbaarheid. De vraag is, denk ik, met welk doel we activist zijn, en wanneer we activisme succesvol vinden. Gaat activisme uitsluitend over het oplossen van problemen, of moet het ook, zoals Meijvis betoogt, ons wereldbeeld veranderen?
Waar alle schrijvers van de boekjes in de boekhandel over activisme – en dat zijn er een hoop – het over eens zijn, is het volgende: we moeten iets doen. En aangezien demonstraties, zelfs volgens Bregman, een goede manier zijn voor het werven van nieuwe activisten, lijkt het me een goed begin om daar te beginnen.
Het is zaterdag. Met zo’n twintig mensen – alleen onze wandelschoenen lijken op elkaar – staan we op Utrecht Centraal te wachten op de bus richting de A12. Ik vul nog snel mijn ‘RST-formulier’ in, zodat XR kan helpen als ik word gearresteerd.
Het is gezellig in de bus. ‘Jullie rijden de verkeerde kant op’, roept een oudere vrouw wanneer we een stoet arrestatiebusjes kruisen.
We lachen om het informatiescherm in de bus, dat waarschuwt voor mogelijke verkeershinder door een blokkade van de snelweg.
Maar als we dichterbij onze plaats van bestemming komen, loopt de spanning op. ‘Blijf dicht bij elkaar lopen, zodat de politie ons niet uit elkaar kan spelen’, draagt de coördinator ons op.
Linksaf, onder een viaduct door. We horen de auto’s boven ons nu nog zoeven. Aan de andere kant staan zo’n tweehonderd mensen op een smalle ventweg. Ze zingen: ‘Hey Ho, take me by the hand. Strong in solidarity we stand. Fight for climate justice, fight for climate justice’.
Het is een vrij bizar beeld: rechts uitgestrekte weilanden, links een razende snelweg, die bewaakt wordt door een dichtbegroeide berm en tientallen agenten.
Al snel zijn we omsingeld en het ziet ernaar uit dat we de snelweg niet gaan halen. We wachten af, zingen onze liederen. Ik schreeuw voorzichtig mee: ‘This is what democracy looks like!’
Zestig meter van ons vandaan gaat een vuurpijl de lucht in. Iemand met oortjes in maant ons tot stilte, om vervolgens uit volle borst te roepen: ‘De blokkade staat!’
Een gejuich stijgt op, en ik voel een scheut adrenaline en euforie door mijn lijf gaan. Een andere groep is het gelukt om plaats te nemen op de snelweg en het verkeer lam te leggen.
Wij willen ons bij hen voegen, en na zo’n tien minuten gaat er een zacht gefluister door de menigte heen: blijf dicht bij elkaar, we gaan zo langzaam lopen en zo als een kudde door de politielijn heen breken.
‘Drie, twee, een – nu!’ De politie is alert en slaat de voorste rij demonstranten hardhandig terug met wapenstokken. Er klinkt geschreeuw en mensen vallen op de grond. Ik loop rond rij vijf en nader de agenten. Van een mede-demonstrant krijg ik een vlag in mijn handen gedrukt. Ik zet nog drie stappen naar voren en keer dan om. Ik geef de vlag af. Mijn lichaam zegt nee.
The best rebel is a rebel that knows their limits and sticks to it.
Een paar minuten later hebben de wapenstokken gewonnen. Iemand schreeuwt om de EHBO. Ik krijg een dadel en een sigaretje van een lieve meneer.
In onze groep bevinden zich tientallen leden van de XR Musicians die een speciale protestversie van O Fortuna uit Carmina Burana ten gehore zouden brengen. Terwijl de schapen in het aangrenzende weiland schaapachtig toekijken, en de motoren van de arrestatiebusjes blijven lopen, zingen en spelen ze met hart en ziel. De monden wijd open, de stokken met daadkracht over de snaren. Het kippenvel trekt over mijn lichaam.
Later die avond kijk ik naar de documentaire Alles moet beter van Dikla Zeidler, waarin drie jongeren op verschillende manieren vechten voor hun toekomst – op straat, maar ook in de politiek en in de rechtbank.
We zien Sam (26), die vertelt hoe ze alles heeft geprobeerd om beleidsmakers te overtuigen van de urgentie van de klimaatcrisis. Als raadslid diende ze moties in om een klimaatnoodtoestand uit te roepen, ze schreef brieven aan leden van de Tweede Kamer en ze tekende naar hartenlust petities.
‘Ik heb echt geprobeerd mijn stem te laten horen zoals de maatschappij dat van mij vraagt’, zegt ze in de rechtbank, waar ze terechtstaat als ‘veelpleger’.
Maar niks hielp, en dus besloot ze zich toe te leggen op een leven als activist. Tussen 2023 en 2024 deed ze mee aan tachtig klimaatacties. ‘Ik weet dat ik een levenslange strijd tegemoet ga’, zegt ze even later. ‘Maar ik kan niet meer terug.’
Misschien zijn het de indrukken van de dag die nog door mijn lichaam kruipen, maar de tranen rollen inmiddels over mijn wangen.
Het is die dunne grens tussen hoop en wanhoop die me raakt. Want hoewel wanhoop volledig terecht is, staat het de onverzettelijkheid van Sam niet in de weg, sterker nog: die wordt alleen maar groter.
Een beroepsactivist als Sam zal ik hoogstwaarschijnlijk niet worden, maar alleen al uit solidariteit met haar, die haar leven en lichaam geeft voor een leefbare planeet voor iedereen, zal ik de volgende keer weer meedoen. Waarschijnlijk niet op de snelweg, want mijn limiet ligt vooralsnog in de berm.
Maar ik zal uit volle borst schreeuwen: You are not alone, you are not alone.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant