Schrijver en Magazine-columnist Tobi Lakmaker schold een vervelende Duitse tegenstander op het voetbalveld uit voor ‘kankermof’. Waar komt die agressie vandaan? En wat moet hij ermee? ‘Alles in mij wilde Otto pijn doen.’
is schrijver en columnist voor de Volkskrant.
Begin april schold ik iemand uit voor kankermof. Het was een Duitse jongen die speelde bij het team waartegen ik moest voetballen. De scheidsrechter verstond niet wat ik zei, maar zag wel hoe ik met mijn wijs- en middelvinger de snor van Adolf Hitler uitbeeldde door deze onder mijn neus te leggen. ‘I see what you did there’, zei hij, en gaf me direct rood.
Soms denk ik dat het gebruik van kanker, het scheldwoord althans, aan de kern van de Nederlandse voetbalcultuur raakt: iets wat ten diepste onverschillig is voor de pijn van een ander. Iets waar je geacht wordt tegen te kunnen en het anders zelf maar uitzoekt. Iets waar ik me blijkbaar volledig in kan verliezen, scheldend op tegenstanders die ik een uur eerder nog niet kende, en iets waar ik tegelijkertijd geenszins tegen bestand ben.
Na het zien van de rode kaart liep ik, zoals menig voetballer op televisie, niet van het veld maar op de scheidsrechter af. ‘What about him’,schreeuwde ik, ‘he’s been a misogynist prick the whole game!’ Een teamgenote die me bij hem probeerde weg te halen, smeet ik van me af. ‘Kanker op’, zei ik. De scheidsrechter moest lachen en vroeg: ‘Who’s misogynist now?’
Sinds kort zit ik in relatietherapie. Van onze therapeut leerde ik over de afkorting temp: trigger, emotion, meaning, protection. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik dermate weinig inzicht heb in mijn emotionele functioneren dat de afkorting als geheel nog wat hoog gegrepen is voor mij – voorlopig heb ik mijn handen vol aan emoties en triggers. Onze relatietherapeut omschreef een trigger als een abstracte, op dat moment nog betekenisloze verschuiving. Het moment waarop de Duitse jongen – misschien moet ik hem een naam geven – het moment waarop Otto een extreem hoge stem opzette om twee van mijn vrouwelijke teamgenoten belachelijk te maken, voelde ik inderdaad een zuivere verschuiving, alsof alles in mij opeens één kant op wees.
Een paar seconden later ervoer ik een meer concrete invulling van dit gevoel: alles in mij wilde Otto pijn doen. Er zijn verschillende manieren om iemand te pijnigen op een voetbalveld. Het gestrekte been staat symbool voor voetbalgeweld, maar is alleen effectief wanneer het op het juiste ogenblik de tegenstander raakt. Hanteer hiervoor een anti-cruijffiaanse aanpak: vertrek precies te laat. Er is maar één moment waarop je te laat kunt komen en de noppen van je voetbalschoen geen bal, maar een vijandelijk scheenbeen of enkel raken. Overige opties zijn elleboogstoten, uitgedeeld tijdens de meest ordeloze ogenblikken van corners, knijpen in loszittend vel of eens flink stampen op tenen.
Het liep anders. Nog voordat ik in de buurt kon komen van Otto, viel hij opnieuw uit tegen een teamgenote van me en besloot ik voor de meer geestelijke enkels van een Duitser te gaan: de oorlog. Mijn team, dat Sporting Wokeren heet en zich laat voorstaan op progressieve denkbeelden, veroordeelde dit moment sterk. Er was, zoals een van de spelers een dag later in de groepschat schreef, een rode lijn overschreden. Als gemengd en queer elftal in een herencompetitie kregen we weliswaar te maken met agressie, maar reageren op deze manier was onaanvaardbaar.
Voorafgaand aan de eerstvolgende wedstrijd bespraken we het incident, zoals dit moment kwam te heten, nog één keer. Onze rechtsback nam daarbij als laatste het woord. Door zijn nog gebrekkige Nederlands had hij slechts een fractie van ons gesprek verstaan, zei hij, maar toch had hij een duidelijke boodschap. ‘We have to be better’, sprak hij. ‘If these are the values we truly stand for, we simply have to be better than them.’
Ondanks de schijnbaar onomstotelijke waarheid van deze uitspraak, vraag ik me sindsdien af of ik het hiermee eens ben. Ik weet niet of ik beter ben en ik weet niet of ik beter wil zijn. Als kind heb ik met verbazing gekeken naar teamgenoten bij wie de stoppen doorsloegen, jongens en meisjes die ik bewonderde en vreesde tegelijk. Het heeft me meer dan twintig jaar gekost om zo te worden: losgeslagen. Het heeft iets verslavends om uit mijn vel te springen, net zoals het iets verslavends heeft om te geloven dat ik daar reden toe heb. Tot ik kalmeer en de angst me bekruipt dat ik precies het type geworden ben aan wie ik al mijn hele voetballende leven een hekel heb: de tomeloos agressieve en onvoorspelbare man op het veld.
De spelers die mij nu veroordeelden, verzamelde ik een jaar eerder zorgvuldig om me heen. Sporting Wokeren, met als slagzin ‘You’ll never woke alone’, richtte ik samen met een vriend zelf op. Een radicaal gastvrij team, dat was het idee, vol spelers die je het uitschot van het reguliere voetbal zou kunnen noemen: trans mannen, non-binaire personen, homo’s en niet te vergeten vrouwen, in welke vorm dan ook. De oprichting van het team vormde een reactie op iets wat je eveneens een incident zou kunnen noemen. Tegelijkertijd was er weinig incidenteels aan, in zoverre dat de kern van het conflict neerkwam op transfobie en de transfobie binnen meerdere sporten, misschien haast alle, welig tiert.
De korte versie van het verhaal is dat alles de schuld is van de Kippies. De Kippies was de naam van een van de concurrerende ploegen van mijn eerdere voetbalteam, dat speelde onder de verwarrende naam ‘Dat Andere Team’. Dat Andere Team was een vrouwenteam dat speelde in een vrouwencompetitie. Na verloop van tijd ontdekten we dat het De Kippies waren die op een dag een anonieme klacht hadden ingediend over de aanwezigheid van trans personen in deze competitie. Hiermee doelden ze op mij en een goede vriend en medespeler. Ik heb dit nooit meer op deze manier kunnen zeggen, maar zou het nu graag doen: Kippies, jullie zijn een stel ruggengraatloze kutwijven.
De aard van de klacht werd nooit gespecificeerd. Ik heb dus nooit begrepen of het ging om een sportief nadeel of zoiets als een onveilig gevoel. Wel wist ik dat de Kippies ons kort voor de klacht nog hadden ingemaakt, dus sportief viel er voor hen niet al te veel te vrezen. Bovendien voelde het absurd: het was een vriendenteamcompetitie, een plek waar plezier veel centraler staat dan prestatie.
Toch namen de bazen van de vriendenteamorganisatie deze klacht zo serieus dat alle aanvoerders uit onze competitie werden gebeld. Zij kregen het verzoek een stemming te houden binnen hun team: wel of geen trans personen in de vrouwencompetitie. Opvallend genoeg is dit ook hoe mijn vriend en ik over deze kwestie te horen kwamen. Onze aanvoerder werd gebeld op de dag dat we toevallig een teamuitje hadden en deelde geschrokken mee dat er zojuist een referendum was gestart, oordelend over onze speelgerechtigdheid.
Het is een van de pijnlijkste dingen die ik ooit heb meegemaakt. Dat Andere Team was de eerste ploeg waarin ik me thuis voelde na een leven lang vastberaden maar relatief verloren rond te lopen in een wereld die geobsedeerd is door verschil; tussen mannen en vrouwen, jongens en meisjes, kinderen en kinderen.
Transitiespijt is het troetelwoord van menig transfoob, maar het enige wat ik vreesde toen ik met hormoontherapie begon, was mijn voetbalteam te verliezen. Het is complex om onder woorden te brengen hoe je kunt toebewegen naar een plek die niet bestaat, want ook dat zouden mijn vriend en ik ten slotte uitleggen in een statement aan de gehele vrouwencompetitie: dat we hier misschien niet hoorden, maar mensen zich geen illusies moesten maken over de veiligheid en vanzelfsprekendheid waarmee wij een herenkleedkamer binnengingen.
De stemming viel de goede kant uit, maar het kwaad was al geschied. Ik voelde me een vrijgesprokene; vrij op papier, maar achtervolgd door de wetenschap dat de ander je ergens van beschuldigt. Ik meende, ook doordat het zo lang onduidelijk bleef wie er achter de aanklacht zat, ogen te voelen branden in mijn rug wanneer ik de gemeenschappelijke kleedkamer betrad. Op het veld speelde ik plots als een schim van mezelf, bang als ik was om iets van mijn nieuwe hormoonhuishouding te laten zien. Geen agressie tonen, dacht ik, geen kracht, totdat ik speelde op de manier die ik zo had verafschuwd bij cis-mannen: op halve kracht, omdat ik nu eenmaal tegenover vrouwen stond.
Er kwam een dag waarop helder werd dat de Kippies de klacht hadden ingediend, evenals er een dag kwam waarop wij tegen de Kippies moesten aantreden. Spelend tegen de kutwijven van de Kippies verwachtte ik eindelijk iets van vuur aan de dag te leggen, maar ik speelde nog fletser, nog meer naar binnen gekeerd dan gebruikelijk. Het deed me iets inzien over eerdere teamgenoten: Nederlands-Marokkaanse jongens, Nederlands-Surinaamse vrouwen en mensen van andere afkomsten, die ik kon zien veranderen in spookachtige versies van zichzelf wanneer we tegen racistische en islamofobe teams speelden.
Ik heb gedacht dat je daar motivatie uit kon halen. Ik heb het werkelijk gedacht: ‘Had ik maar een Wilders, dan gooide ik er nu nog wel een sprintje uit’. Wat ik niet zag, was de spagaat waarin mijn teamgenoten zich bevonden: hoe vermeende agressie de kern vormt van de racistische stereotyperingen die zij naar hun hoofd krijgen, waardoor ieder verzet dat je pleegt, iedere emotie die je toont in reactie op racisme, een verdere uitbating zal veroorzaken van diezelfde discriminatie. Probeer kortom maar eens boos te worden, wanneer boosheid een van de dingen is waartoe je wordt gereduceerd.
Een van de meer opmerkelijke aspecten van het zijn van een trans persoon is dat mensen doorgaans niet doorhebben dat je het bent. Althans, dat is mijn ervaring, omdat ik pass – een term zonder Nederlandse vertaling, die betekent dat de buitenwereld mijn gender interpreteert zoals ik die zelf ook ervaar. Mensen begrijpen mij als man en ik mezelf ook. Passing is een relatieve luxe, het betekent in vrijwel iedere situatie een veel grotere mate van veiligheid. Naarmate mijn ‘passende’ jaren zich uitstrekken, vraag ik me echter af of dat niet ook uitnodigt tot een zekere gekte. I feel like a man without a past, a man without memories, schreef auteur Leslie Feinberg. Ik heb een steeds eenduidiger uiterlijk: de twijfel die mijn voorkomen ooit zaaide, is nagenoeg verdwenen. Maar hoe minder zichtbaar de geschiedenis is die ik met me meedraag, hoe eenzamer ik me in dit heden kan voelen.
Als man zonder geschiedenis betrad ik een halfjaar na het Kippies-incident de velden waarop ik mijn hele jeugd heb gespeeld: die van het herenvoetbal. Tot mijn 18de speelde ik als enige ‘meisje’ in jongensteams, een ervaring die zich vrijwel diametraal verhield tot wat ik hierboven beschreef. Onafgebroken zichtbaarheid, voorzien van onafgebroken commentaar. Jarenlang ben ik bedolven onder de complimenten, waarvan ik de kwaadaardigheid pas inzag toen ik jongens om me heen begon te overtreffen en duidelijk werd wat er al die tijd aan ten grondslag lag: minachting. Zoals Maurits de Bruijn ooit schreef dat meer heteromannen zich zouden moeten laten neuken, geloof ik dat iedere cis-man een paar jaar als meisje in een jongensteam moet voetballen. Een paar jaar als meisje in een jongensteam en je weet voorgoed wat vernedering is; je weet voor altijd wat het inhoudt om ongeacht je kwaliteiten beschouwd te worden als ongevaarlijk en minder kansrijk.
Als man met die geschiedenis betrad ik het veld omdat de situatie in de vrouwencompetitie niet langer houdbaar was. Ik richtte, zoals gezegd, mijn eigen gemengde team op, spelend in de competitie voor mannen, aangezien een gemengde variant niet bestaat. Door met vrouwen aan te treden tegen mannen herbeleef ik een dynamiek waarvan ik ooit afscheid nam en waar ik nu, in nieuwe gedaante, geen tolerantie meer voor lijk te hebben. Mannen die om ons lachen wanneer ze voorstaan, grijnzen wanneer het nog gelijk staat en giftig worden wanneer ze dreigen te verliezen. Ik kan er niet meer tegen. En ik weet niet of je dit moet interpreteren als altruïsme; of ik de man ben die we zoeken, uiterst feministisch en oplettend, of dat ik het in feite voor mezelf doe, omdat ik weet dat wie vrouwen minacht een nog veel diepere walging zal voelen voor wat ik blijk te zijn.
Mijn scheldpartij tegen Otto was niet het eerste moment; ik heb een man geslagen die een teamgenote vertelde terug te moeten naar het aanrecht; ik heb op enkels gestaan; ik heb vaker met kanker gescholden, soms na een uiterst lichte aanleiding; ik heb een grote kale man tegen de grond gewerkt, gewoon omdat ik zo’n man eens wilde zien liggen. Blinde woede. Een kwaadaardig orgasme zou je het kunnen noemen, met dezelfde aantrekkingskracht als de goedaardige variant: je hoeft alleen te voelen.
Op het hoogtepunt van woede is woede altijd waar. Daarna ontstaat de vertwijfeling, of ik het recht heb me te laten gaan, of er niet af en toe een moment mag zijn waarop ík terugsla, waarom het mijn rol zou zijn om me te beheersen. Beheersing, wat heeft het ons in godsnaam gebracht. Dat vraag ik me weleens af: waarom voelt het alsof geweld alleen aan rechts toebehoort? Ik ben ook gewelddadig. Ik wil ook dingen in de fik steken, alleen geen azc’s. Ik ben zo vreselijk kwaad, maar op het moment dat ik uithaal, lijk ik mijn linkse medemens te verliezen. Soms lach ik om mijn linkse medemens. Ik vraag het me opnieuw af: beheersing, wat heeft het jullie in godsnaam gebracht? Kalme ineenstorting, gestage krimp.
Ik weet niet of ik beter ben en ik weet niet of ik beter wil zijn. ‘Laat het van je af glijden’, roepen teamgenoten wanneer er iets gebeurt op het veld, maar er glijdt niets van me af. Alles blijft plakken, alles begint te broeien. Ik broei en ik stink, ik voel het wanneer ik over het veld loop. En dat is hoe mijn vertwijfeling eindigt, niet bij de wereld maar bij mezelf, aan wie ik een vraag stel waarop ik nog steeds geen antwoord heb: moet ik hier nog rondlopen of is er, zoals geliefden soms concluderen, simpelweg te veel gebeurd en ben ik ongeschikt geraakt voor deze sport?
Dit is een artikel uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant