Home

Acteur, cabaretier en limonadebrouwer: Marcel Hensema vindt in Groningen de rust die hij kwijt was

Acteur Marcel Hensema moest ooit zijn noordelijke accent afleren om acteur te kunnen worden. Na decennia succesvolle rollen voor toneel, televisie en film, trekt hij zich steeds vaker terug in zijn huis in een Gronings dorpje vanwaaruit hij in de provincie theatervoorstellingen maakt – en zelfs een limonadefabriekje opzette. ‘Ik heb nooit echt aansluiting gevonden bij de gevestigde toneelorde.’

is columnist en verslaggever bij de Volkskrant. Voor Volkskrant Magazine schrijft hij geregeld interviews.

Acteur Marcel Hensema moest ooit zijn noordelijke accent afleren om acteur te kunnen worden. Na decennia succesvolle rollen voor toneel, televisie en film, trekt hij zich steeds vaker terug in zijn huis in een Gronings dorpje vanwaaruit hij in de provincie theatervoorstellingen maakt – en zelfs een limonadefabriekje opzette. ‘Ik heb nooit echt aansluiting gevonden bij de gevestigde toneelorde.’

is columnist en verslaggever bij de Volkskrant. Voor Volkskrant Magazine schrijft hij geregeld interviews.

De Groningse idylle van Marcel Hensema ziet eruit alsof-ie door een blij kind is getekend. Een klein houten huis met een puntdak in de bocht van een stil weggetje, uitkijkend op een terp – wierde, zegt men hier – met een paar oude boerderijen erop. Recht voor zijn deur ligt een weiland dat ’s winters, als het vriest, wordt omgetoverd tot een natuurijsbaan. Nu graast er een kudde schapen. ‘Gisteravond heb ik lang naar die beesten zitten staren’, zegt Hensema. ‘Van die witte schimmen in de schemering – prachtig! Op het eerste gezicht denk je: wat staan jullie daar nou te nietsnutten? Maar als je langer kijkt, zie je dat ze toch in een soort formatie staan. Er zit dynamiek in, er is er altijd wel eentje die een ander gaat duwen. Nou, en toen liep er ook nog een egeltje over het terras...’

‘O, echt?’, zegt zijn vrouw Elze verheugd.

‘Ja, je sliep net, ik wilde je niet wakker maken. Maar ik heb een filmpje gemaakt!’

In alle rust turen naar beestjes; zoiets was het ideaal toen ze zeven jaar geleden neerstreken in Leermens, een dorp met 127 inwoners in het uiterste noordoosten van Nederland. Een plek om te ontsnappen aan de hectiek van Amsterdam, waar ze al dertig jaar wonen. Maar hard werken was het ook. ‘Het terrein was compleet overwoekerd door metershoge bramenstruiken en lag bezaaid met stenen die we een voor een met de hand moesten weghalen – hele weekenden lang. Het voordeel was dat we zo gaandeweg de mensen uit de buurt leerden kennen. Ze laten allemaal hun hond uit op het weggetje hier, en we maakten met iedereen een praatje.’

Dat is belangrijk in deze contreien, zegt Hensema (56). Met de aanschaf van het terrein keerde hij terug naar zijn geboortegrond, waar hij de taal en de mentaliteit kent, maar hij weet dondersgoed dat hij inmiddels ook een ‘halve westerling’ is geworden. ‘Het scheelt wel dat mensen me kennen van mijn werk, en weten dat ik hier vandaan kom, maar toch hadden we in het begin een beetje een dubbel gevoel. Je weet dat het ook hier voor jonge mensen steeds moeilijker wordt om betaalbare woonruimte te vinden, en dan kom je uit Amsterdam de boel opkopen. Daarom zeiden we tegen elkaar: we moeten echt ons best doen om deel uit te gaan maken van de gemeenschap. En volgens mij lukt dat best aardig. We hebben bewust alleen gewerkt met mensen uit de omgeving. De architect van ons huis was Gronings, de bouwers ook. Onze buurjongens, die ons enorm hebben geholpen toen we aan het klussen waren, komen soms logeren in Amsterdam.’

Af is het project allerminst. Naast het huis wordt er gewerkt aan een gastenverblijf annex werkruimte. Het skelet staat er al. Ook van hout, want Leermens ligt midden in het aardbevingsgebied. ‘Het is een van de ‘versterkingsdorpen’. Bijna iedereen hier moest vroeg of laat zijn huis uit omdat het versterkt moest worden – soms tijdelijk, soms voorgoed. Bijna alle nieuwe huizen hier worden tegenwoordig met een houtskelet gebouwd, soms met stenen muren eromheen. Steen scheurt, hout geeft mee.’ Lachend: ‘Dus we zitten hier veilig, in principe.’

Maak jij je druk over die aardbevingsproblematiek?

‘Nou, dat gaat hier vanzelf hoor. Mensen in de Randstad denken: de gaskraan is dichtgedraaid, het is nu wel voorbij. Maar dat is niet zo, heel veel mensen zitten er nog middenin. Sommige dingen gaan goed, maar lang niet alles. De materiële en de geestelijke schade is enorm. Processen duren vaak jaren, gezinnen raken ontwricht, dorpen worden verscheurd omdat de een veel meer schadevergoeding krijgt dan de ander. Het vertrouwen in de overheid is compleet weg, en in veel gevallen is dat volkomen terecht. In het Westen wordt dat makkelijk vergeten, ook door de media. Ik herinner me nog dat er in Amsterdam een paar huizen waren verzakt toen de Noord-Zuidlijn werd aangelegd. Dat was echt een groot ding, de kranten stonden er bol van. Maar als het hier gebeurt, zijn we het blijkbaar sneller moe.’

Terug naar Groningen, waar de mensen praten met het accent dat hij zichzelf ooit moest afleren op de toneelschool in Maastricht. Leermens ligt vlak bij Hoogezand-Sappemeer, waar hij opgroeide en zijn ouders nog steeds wonen. Volgens zijn vrouw wil hij het al zolang ze hem kent. ‘Hij zocht echt al járen op Funda’, zegt ze.

Zelf ziet hij het meer als een proces, iets waar hij langzaam naartoe groeide, ook in zijn werk. Bij het grote publiek is Hensema al decennia bekend als acteur, van films als Simon, Sonny Boy en De Marathon en tv-series als Penoza, De Stamhouder en Hollands Hoop (waarin hij een uitgebluste psychiater speelt die, o ironie, terugkeert naar het Groningse platteland om daar te ontdekken dat zijn overleden vader hem een gigantische wietplantage heeft nagelaten). Maar sinds 2013 maakte Hensema ook drie solovoorstellingen over Groningse thema’s, waarmee hij ‘ieder dorpshuis in het noorden’ aandeed. Jaarlijks voert hij in Martiniplaza een Groningse versie van het kerstverhaal op. Hij is een van de initiatiefnemers van Zummerbühne, een theatraal spektakel dat plaatsvindt op bijzondere locaties in de open lucht. Daarnaast heeft hij nog andere potjes op het vuur staan. Zo heeft hij sinds kort een bedrijfje in typisch Groningse limonade, Spritzema geheten – waarover later meer. Binnenkort begint Hensema aan een nieuwe tournee met zijn solovoorstelling Eldorado, waarmee hij zal optreden van Camping Hof van Kolham tot aan het DeLaMar-theater. ‘Zo breng ik de twee werelden waarin ik leef toch een beetje bij elkaar.’

Zijn film- en tv-werk bindt hem aan de Randstad. ‘We zijn zo vaak mogelijk hier’, zegt hij. ‘Maar ik ben nu een nieuwe Netflixserie aan het draaien, van Paula van der Oest, en het is te ver op en neer te rijden. Dus vanavond moet ik weer terug naar Amsterdam, en daar blijf ik dan een tijdje.’

Vind je dat moeilijk?

‘Soms voel ik me een beetje verscheurd. Het heeft ook allerlei voordelen hoor. We zijn geworteld in Amsterdam, onze kinderen zijn opgegroeid als echte Randstedelingen. Ik vind het heerlijk dat er een groot cultureel aanbod is, waar je op de fiets naartoe kunt. En ik heb ook nog steeds veel plezier in mijn film- en tv-werk. Dat je met z’n allen naar één plek gaat, daar de hele boel optuigt, en als je klaar bent, trekt de karavaan weer door. Er hangt een soort circusgevoel omheen, dat heb ik altijd heel leuk gevonden.’

Toch meen ik een ‘maar’ te horen.

‘Nou, filmen is voor mij wel iets minder belangrijk geworden. Deels omdat je het niet zelf in de hand hebt. Ik heb het geluk dat ik bijna altijd werk heb gehad, maar er zijn ook periodes geweest dat de telefoon een tijdje niet rinkelde, en daar werd ik onzeker van. Maar zo gaat het nou eenmaal: het ene moment ben je in, het volgende kunnen ze zeggen: nou hebben we die kop wel even genoeg gezien. En sowieso ben je ook altijd maar een onderdeeltje van het project van een ander. Heel lang was het voor mij het belangrijkst om iets te bereiken met mijn vak, om een betere acteur te worden, maar tegenwoordig ben ik veel meer bezig met wat ik zelf wil vertellen. Ongetwijfeld heeft dat veel te maken met ouder worden. Ik heb beter leren begrijpen wat voor mij waardevol is in het leven. Vaak zit hem dat in de kleine dingen. En ik voel de behoefte om me daarover uit te spreken.’

Nou, vertel!

‘We kunnen ook in de auto stappen. Dan laat ik het je zien.’

Even later rijden we over kronkelende weggetjes in een weids landschap. De wind jaagt de wolken door een oneindige lucht. Hensema wijst op eeuwenoude kerkjes en dirigeert de auto langs de plek waar in 1211 ene Abt Emo aan een voettocht naar Rome begon, om daar bij de paus zijn eigen klooster op te eisen. ‘Eigenlijk was hij de eerste Nederlander die in opstand kwam tegen het grootkapitaal. Hij trotseerde de bisschop van Münster. Fantastisch verhaal, zou ik ooit nog weleens iets mee willen doen.’

Intussen vertelt hij over Eldorado, een voorstelling waarin de bewoners van een klein stacaravanpark in verzet komen tegen een recreatiegigant die het park wil overnemen. Daarin neemt hij in zijn eentje alle tien de rollen voor zijn rekening, en speelt hij onder meer de activistische Sjoukje (losjes gebaseerd op PvdA-politica Lutz Jacobi), de zendpiraat Radio Roelof, en de vrouw van Buro Horizon, die de overname in goede banen probeert te leiden.

Het is een thema dat hem aan het hart gaat. ‘Dat is echt aan de hand hier. Overal verrijzen Europarcs en hoe ze verder ook heten. De oever van het Schildmeer is compleet verkracht qua uitzicht, omdat er een heel groot vakantiepark is gekomen. Bij het Zuidlaardermeer dreigt hetzelfde te gebeuren.’

Hij kwam op het idee toen hij twee jaar geleden werd geïnterviewd door consultants die waren ingehuurd door het Economic Board Groningen. ‘Bij wijze van herstelgelden voor de aardbevingsschade komen er miljarden deze kant op. Eén van de pijlers waar ze in willen investeren is de vrijetijdseconomie – toerisme dus. Ze vroegen of ik als Groningse creatieveling daarover wilde meedenken. Ik heb twee uur met die mensen gepraat en verteld wat ik zo bijzonder vind aan Groningen: dat het zo leeg is, de ruimte, de stilte. In mijn ogen is dat de grootste schat die we hebben, dat moeten we bewaken. Daarom vind ik dat toerisme hier kleinschalig moet blijven. Laat mensen lekker een huisje in hun tuin zetten dat ze kunnen verhuren, dan profiteren ze er rechtstreeks van.’

Hij lacht: ‘Een tijdje later brachten ze hun rapport uit. Daar stond: optie 1: kleinschalig toerisme. Maar dat zou te weinig opbrengen, dus was er ook een tweede optie: vakantieparken. En optie 3: vakantieparken én attractieparken. Ik dacht: hier sta ik helemaal niet achter, maar ondertussen staat wel mijn naam eronder. Nu ben ik er getuige van hoe grote beleidsbeslissingen worden genomen over de hoofden van de mensen heen. Want de roep om het toerisme aan te zwengelen komt vaak niet van de bewoners zelf, maar van ondernemers en lokale politici. Mensen die een gebied ‘op de kaart’ willen zetten, en niet nadenken over wat Groningen daarmee verliest. Zoals die Sjoukje zegt in het stuk: eerst haalden ze de turf uit de grond, toen het gas, en nu de bodem is leeggezogen, komen ze het laatste wat we hebben van ons afpakken: de leegte.’

We stoppen in ’t Zandt, voor een bezoekje aan Drewes Wildeman, een beer van een vent die eigenhandig een sfeervolle, rommelige camping uit de grond stampte op het voormalige terrein van de plaatselijke voetbalvereniging – ‘Landgoed De Camping’ genaamd. Zijn motto: ‘Je moet hier genieten van hetgeen er niet is. En er is heel veel niet, dus je kunt heel hard genieten.’

Met groot enthousiasme geeft hij een rondleiding langs het smulbos, de ‘nachttuin’, de bijenkorven en de moestuin. De camping trekt toeristen die rust en stilte zoeken, maar heeft ook een sociale functie in de regio. Scholieren leren er over tuinieren, ROC’ers uit vele windstreken komen er klussen onder leiding van een docent, alleenstaande mannen uit het dorp ontmoeten elkaar in de kantine, en op het voormalige hoofdveld worden concerten en theatervoorstellingen gegeven.

‘Zo kan het ook’, zegt Hensema als we weer in de auto zitten. ‘Het landschap blijft intact, en ook de gewone Groningers hebben er baat bij.’ Dan wijst hij naar buiten. ‘Kijk nou naar die prachtige weggetjes. Je moet er toch niet aan denken dat hier grote groepen mensen in touringcars rondrijden?’

Je doet me een beetje denken aan muzikant en acteur Hendrik Jan Bökkers, die zich inzet voor de Nedersaksische taal en cultuur. Hij zei ooit tegen me: degenen die terugkeren naar hun geboortegrond worden vaak de fanatiekste voorvechters ervan.

‘Haha, ja, dat herken ik wel. Eigenlijk is dat Groningen-gevoel bij mij pas ontstaan toen ik hier in de dorpshuizen ging spelen. Toen zag ik pas hoe mooi de provincie is. Vroeger kwam ik daar zelden, ging ik alleen van Sappemeer met de bus naar de stad. Soms denk ik ook wel: rustig aan, Marcel. Jíj komt hier voor de leegte en de rust, maar je hebt hier ook dertig jaar niet gewoond. Natuurlijk is de provincie veranderd en zijn er ook mensen die wél meer reuring willen. Mijn smaak is ook maar een smaakje.’

Probleem is: rustig aan doen zit niet zo in zijn karakter. ‘Ik heb de afgelopen jaren natuurlijk ook meegemaakt hoe Amsterdam is veranderd. Daar mijd ik de binnenstad, omdat je er over de hoofden kunt lopen en het vergeven is van de wietlucht. Overal in Europa zijn er protesten tegen de hordes. Toerisme is een monster. En als je het monster eenmaal binnenlaat, is er geen weg meer terug.’

Als tiener trok hij weg uit Groningen, omdat hij zelf meer reuring zocht. Of beter: iets ánders. In Sappemeer bestierden zijn ouders een goedlopende snackbar annex café, ’t Hoogholtje; het oude uithangbord hangt nu op zijn schuurtje. Leesmap op tafel, piratenmuziek uit de speakers. ‘Dat was mijn wereld. Ik kom niet bepaald uit een cultureel nest, maar ik heb er fijne herinneringen aan. Mijn ouders waren altijd druk, alles draaide bij ons om de zaak, we gingen niet op zomervakantie, maar ze wáren er wel. Ik had veel vrijheid, ging al vroeg met vriendjes op Tienertoer. Ook naar Amsterdam, wat ik machtig interessant vond. Thuis hielp ik af en toe mee in de zaak, en ik trad er ook regelmatig op. Met een gitaartje zong ik medleys van Nederlandstalige liedjes. ‘Daar aan de waterkant’ en zo. Daar verdiende ik dan een centje mee.’

Waar kwam die hang naar de schijnwerpers vandaan?

‘Nou, niet van huis uit. Je zou kunnen zeggen dat het een manier was om de aandacht te krijgen die ik van mijn ouders niet altijd kreeg, maar dat is psychologie van de koude grond. Ik heb het gewoon altijd leuk gevonden om mensen te vermaken, en ik ben vrij ondernemend. Toen ik een jaar of 12 was, vormde ik met een vriendje het cabaretduo Dr. Haring & Marmot, waarmee we in de stad Groningen op straat theater maakten en liedjes speelden. Elke woensdag en zaterdag. Dat was een goudmijn. Ik deed ook mee aan talentenjachten, en later volgde ik toneellessen.’

Op zijn 18de ging hij naar de toneelschool in Antwerpen. ‘Maar daar werd ik na een jaar afgewezen. Met de hele klas, op één iemand na.’ Terwijl hij zich afvroeg hoe het nu verder moest, stuitte hij bij toeval op een advertentie voor een baan als ‘entertainer’ in een toeristenresort in Egypte. ‘Toen dacht ik: ach, waarom niet? Dat heb ik toen twee jaar gedaan.’

Dacht je: entertainen ligt dicht bij acteren?

‘Zoiets misschien. Het was ook gewoon een avontuur. Overdag regelde ik de sportactiviteiten, ’s avonds de showtjes. Sketches doen, typetjes spelen. Het was vrij plat hoor. Ik organiseerde drinkspelletjes; mensen een flesje bier laten leegdrinken, ze in de rondte draaien en dan een stuk laten rennen. We hielden ook Miss Wet T-shirtverkiezingen. Allemaal dingen die nu absoluut niet meer zouden kunnen, haha. Maar ik was er goed in, heb het daarna ook nog een tijdje in de Dominicaanse Republiek gedaan. Totdat ik dacht: als ik echt iets wil met het acteursvak, moet ik er nog een gooi naar doen. Toen heb ik auditie gedaan in Maastricht, waar ik werd aangenomen, en bij Elze in de klas kwam. We kregen al snel iets met elkaar.’

Een hele andere wereld, neem ik aan.

‘Absoluut. Gedichten lezen, zware teksten analyseren, emoties leren vertolken. Ik kwam er binnen als een halve cabaretier en moest allerlei gewoonten afleren. Omdat ik zoveel op straat had gespeeld, was ik altijd bang om stiltes te laten vallen. Want dan lopen mensen door. Dat moest ik echt leren. Verder was die school nog heel traditioneel; vrouwen moesten op hakken lopen, je moest keurig ABN spreken, iedereen werd in dezelfde mal gegoten. Als acteur heeft het me enorm verrijkt. Ik heb er mijn serieuze kant kunnen ontwikkelen. Maar achteraf gezien heeft het ook een deel van mijn plezier weggenomen.’

Hoe bedoel je dat?

‘Ik was er altijd goed in om mensen aan het lachen te maken, soms ook met platte grappen. André van Duin, Toon Hermans, De Mounties, dat is waar ik vandaan kom. Op de toneelschool werd daar een diepere laag aan toegevoegd, maar het heeft lang geduurd voor ik die twee dingen bij elkaar kreeg. In die tijd dacht ik alleen: ik wil bij dat serieuze toneel horen.’

Dat heb je toch ook bijna twintig jaar gedaan?

‘Ja, ik heb bij alle grote gezelschappen gespeeld, maar wel altijd als freelancer. Toen ik van de toneelschool kwam, wilde ik niets liever dan een vaste aanstelling. Ik heb stage gelopen bij Toneelgroep Amsterdam, waar destijds mensen als Pierre Bokma en Mark Rietman zaten, en dat vond ik fantastisch. Maar ik werd nooit ergens vast gevraagd. Als freelancer hopte ik altijd van stuk naar stuk. De hoofdrollen gaan meestal naar de vaste acteurs, dus ik speelde vooral bijrollen. Dan moet je je plek kennen, niet te veel aandacht opeisen. Dus tja, voor mijn gevoel bleef ik een beetje een buitenbeentje. Op de een of andere manier heb ik nooit echt aansluiting gevonden bij de gevestigde toneelorde.’

Weet je waar dat aan lag?

‘Nou, er was altijd wel een besef dat ik uit een iets ander hout ben gesneden. Minderwaardigheidscomplex is een groot woord, té groot, maar ik heb me wel vaak een beetje dommer gevoeld dan andere acteurs. Ik kon me minder goed uitdrukken, niet echt meepraten als ze stellige meningen verkondigden over de inhoud van een stuk. Ik keek ook wel tegen mensen op, waardoor ik soms dichtklapte. En ik ben iemand, weet ik inmiddels, die op zijn best is als ik me veilig en vertrouwd voel. Dan ga ik meer open.’

Zo’n vijftien jaar geleden had hij er genoeg van. ‘Steeds vaker dacht ik: ik ben een hele dag onderweg om ergens in het land een half uurtje op een podium te staan, terwijl ik er niet eens lol in heb. Ik had inmiddels genoeg film- en tv-werk, en dacht erover om helemaal met toneel te stoppen. Maar toen kwam regisseur Ola Mafaalani op mijn pad, die destijds bij het Noord Nederlands Toneel zat, in Groningen. Zij vroeg: ‘Jij komt toch hier vandaan? Is er niet een Gronings verhaal waar je iets mee kunt?’ Zo kwamen we op Ede Staal, een bekende Groningse zanger die we vroeger bij ons in de zaak draaiden, en die echt symbool staat voor mijn jeugd hier. Zij koppelde me aan schrijver Rik van den Bos, met wie ik een enorme klik had, en binnen een paar weken hadden we Mijn Ede, een solostuk waarmee ik de dorpshuizen ben afgegaan. Dat sloeg enorm aan, en ik merkte meteen dat ik mijn plezier in toneel terugvond.’

Voelde het als thuiskomen?

‘Ja, toch wel. Met dank aan Ola, zij heeft echt een vuurtje in mij aangewakkerd. Ik voelde me vrijer in mijn eentje, kon meer improviseren, wat ik graag doe. En daarbij: ik hou ontzettend van toneel, vind het een prachtig medium, maar het is nou eenmaal zo dat veel mensen uit mijn omgeving nooit naar een schouwburg gaan. Dat is een ver-van-mijn-bedshow, de drempel is heel hoog. Volgens mij komt dat ook doordat veel gezelschappen niet echt hun best doen om een publiek te bereiken buiten het culturele wereldje, ook qua thematiek, terwijl ik denk dat daar wel degelijk behoefte aan is. Dus dacht ik: dan ga ik zelf wel naar die mensen toe, met een verhaal dat niet plat is, maar waar ze zich wel in kunnen herkennen. En nou ja, op dat spoor zit ik nog steeds.’

Volgende halte: het prachtige 13de-eeuwse kerkje van Krewerd, waar we de enige bezoekers zijn en Hensema’s warme stem weerkaatst tegen de muren. Hoewel hij niet gelovig is, komt hij er geregeld. ‘Zoals ik ook in Amsterdam steeds vaker met mijn gezin naar de Dominicuskerk ga. Een plek waar je in alle rust samen kunt zijn met gelijkgestemden, en soms naar een mooi verhaal kunt luisteren. Ik vind de wereld vaak hard en opgefokt, en daar heb ik last van. De polarisatie. Je moet je constant tot van alles verhouden: ben je voor of ben je tegen? Terwijl ik juist behoefte heb aan harmonie, ook in mijn werk. In Eldorado zeg ik als zendpiraat Radio Roelof op een gegeven moment: ‘Ik ben de maizena van het dagelijks bestaan’. Dat vind ik voor mezelf ook een mooi streven.’

Vind je die harmonie hier makkelijker dan in Amsterdam?

‘Nou, ik moet wel oppassen dat ik het niet te veel ga idealiseren. Het is hier fantastisch, en er wonen ook ontzettend veel ruimdenkende mensen. Maar soms hoor je nog opmerkingen over buitenlanders of homoseksualiteit waarvan ik denk: daar kijk ik echt anders naar. Daar moet je mee dealen. Onze dochter is samen met een meisje, dus ik ervaar hoe belangrijk het is dat je kunt zijn wie je bent. Ik schuw dat gesprek niet, vertel heus wel dat ik er anders over denk, maar ik ben niet iemand die er met de botte bijl ingaat en zegt: hoe jij denkt, dat kan écht niet. Dan ben ik toch meer van de maizena.’

Dat zijn spoor zou leiden naar een limonadesiroopbedrijfje had hij ook niet voorzien, maar zo ging het. Hensema loodst de auto naar de rand van Groningen-stad, waar zijn kersverse collega’s Joris en Michiel in een omgebouwde garage flessen staan te vullen uit een enorme tank. Langs de schroefdopmachine, verzegelen, etiket erop: ‘Spritzema – voor mensen met dorst én karakter’.

Het idee werd geboren uit noodzaak, zegt hij. ‘Na afloop van mijn voorstellingen nodigde ik vaak de hele zaal uit om op het podium te komen, vooral hier in het noorden. Dan liet ik barretjes oprijden met shotjes jenever. Gewoon, omdat het een feestelijke manier is om je met het publiek te verbinden. Maar in de coronatijd is iemand die heel dicht bij mij staat verslaafd geraakt aan alcohol, en daarvan leerde ik dat het triggerend kan zijn als je daar onverwacht mee wordt geconfronteerd. Dus dat wilde ik niet meer.’

Hij had een deal met Hooghoudt. ‘Die staan bekend om de jenever, maar hier in het noorden ook om hun limonadesiropen. Daar zijn we allemaal mee opgegroeid. Dus ik vroeg ze: kunnen jullie niet een alcoholvrije spritz maken? Dan kan ik dat na afloop schenken. Vonden ze leuk, ze gingen aan de slag, ik zou 5.000 flesjes van ze afnemen. Maar terwijl ze bezig waren, werd Hooghoudt overgenomen door een van de grootste drankenproducenten ter wereld. De productie werd verplaatst naar het buitenland, en al het personeel werd ontslagen.’

Ik bespeur een parallel met de recreatiegigant uit Eldorado.

‘Precies! Hooghoudt werd echt gedragen door de Groningers, het reclamebord dat te zien is aan de Grote Markt, is voor ons iconisch. Dus heb ik deze jongens, die ineens zonder werk zaten, voorgesteld om voor onszelf te beginnen. Vanuit het idee: de Groninger limonade is weg, dan moeten we het zelf maar doen. Een mooi product maken; duurzaam, biologisch en lekker!’

Het project is een beetje uit de hand gelopen, zegt hij tevreden. ‘We liggen inmiddels in veertig Jumbo’s, bij de Sligro en de Hanos, en zelfs in de Landmarkt in Amsterdam. Steeds meer plekken schenken ons. Ik vind het ontzettend leuk, maar er gaat veel tijd in zitten. Sommige mensen denken: die Hensema leent even zijn bekende gezicht aan een merk. Maar zo zit het niet. Ik heb dagelijks contact met die jongens. Gisteren stond ik er zelf ook flessen af te vullen.’

Om de naamsbekendheid een opkontje te geven, staat hij straks tien dagen op festival Noorderzon in Groningen-stad met Camping Spritzema. ‘Daar organiseer ik dan de allereerste, enige echte International Lemonade Awards.’ Met een brede lach: ‘Het wordt razend spannend, ik denk dat we een goede kans maken. Vanochtend schreef ik in het persbericht dat de stad Groningen als bakermat van de limonadesiroop verheugd is dat ze deze prestigieuze uitreiking heeft weten binnen te slepen. Zelf zal ik als zendpiraat Radio Roelof uit Eldorado de ceremonie aan elkaar praten. En zo grijpen mijn verschillende bezigheden mooi in elkaar.’

De voorstelling Eldorado is vanaf 15 augustus weer te zien in het land. Kijk voor de speellijst op marcelhensema.nl.

16 april 1970 Geboren in Winschoten, opgegroeid in Sappemeer.
1982-1986 Lbo-opleiding aan de detailhandelschool in Groningen.
1982-1988 Deel van het Groningse cabaretduo Dr. Haring & Marmot.
1991-1995 Opleiding aan de Toneelacademie Maastricht.
1996-heden Acteur in vele films, waaronder Karakter (1997), Simon (2004), 06/05 (2005), Wild Romance (2007), De Gelukkige Huisvrouw (2010), Sonny Boy (2011), Bloed, Zweet & Tranen (2015), Knielen op een bed violen (2021) en iHostage (2025).
1996-heden Acteur in tv-series als Pleidooi (1995), Penoza (2010), Hollands Hoop (2014-2020), Tokyo Trial (2017) en De Stamhouder (2023). Hensema speelde ook geregeld in Duitse series.
1996-2018 Toneelrollen bij Toneelgroep Amsterdam (Ilias, 1996), Hollandia (De drie mannen van Ypsilanti, 1997), Oostpool (King Lear, 2000) en De Verleiders (Stem Kwijt, 2018).
2007 Wint Gouden Kalf voor zijn rol als Koos van Dijk, manager van Herman Brood, in de film Wild Romance.
2013-2017 Mijn Ede, Mijn Tweede en Mijn Vrede, een trilogie van solovoorstellingen rond het thema Groningen.
2016 Wint Gouden Kalf voor de beste mannelijke bijrol in Knielen op een bed violen.
2025 Richt limonadebedrijf Spritzema op.
2025-2026 Tournee met solovoorstelling Eldorado.

Marcel Hensema is getrouwd met Elze van der Steen en heeft twee kinderen, Berend en Lena.

Dit is een interview uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next