Home

Hoe leven Afghanen onder de Taliban? ‘Ik durf mijn dochter niet te vertellen dat ze straks niet meer naar school mag’

Ze laten stiekem hun baard trimmen, worden door een Talibanlid geslagen of durven hun dochter niet te vertellen dat ze straks niet meer naar school mag. Vijf jaar na de machtsgreep door de Taliban vertellen vijf Afghanen hoe hun leven is veranderd.

is correspondent Zuid-Azië voor de Volkskrant

Sahar (22)
‘De rest van de bevolking is op de Taliban gaan lijken’

‘Vroeger was ik bijna nooit thuis. Ik ging naar school, gaf ’s middags sportlessen en deed aan taekwondo. Dat maakte me trots; ik was een meisje dat voor zichzelf kon opkomen.

‘Nu zit ik bijna de hele dag in mijn kamer. Mijn school is gesloten, maar ik probeer niet op te geven. Via internet leer ik Engels en Turks, en ik lees veel boeken. Ik wilde tandarts worden. Nu is dat alleen nog een droom.

‘Pas geleden ging ik met mijn familie naar Band-e-Amir, een nationaal park in de provincie Bamyan. Ik droeg een lange groene jurk en een hoofddoek. Bij de ingang mochten we naar binnen, maar verderop werden we tegengehouden door iemand van de Taliban. We mochten niet naar het restaurant.

‘Ik vroeg: ‘Waarom laat je ons niet binnen?’ De man haalde uit en sloeg me met een tak op mijn been.

‘Mijn moeder trok me weg en we liepen naar de uitgang. In de auto zei ze: ‘Waarom zei je iets? Stel dat hij je had meegenomen?’

‘Ik antwoordde niet. De meeste mensen zijn de regels van de Taliban gaan accepteren. Maar het is niet normaal. Ze hebben scholen en universiteiten gesloten. De Taliban zijn niet veranderd; de rest van de bevolking is meer op ze gaan lijken.

‘Het voelt allemaal uitzichtloos. Ik zit veel binnen en soms moet ik huilen. Er is nauwelijks werk, ook niet voor de jongens. In andere landen hebben mensen grote dromen, ik vraag alleen om weer naar school te mogen.

‘Ik ken veel meisjes die willen trouwen met een buitenlandse man, zelfs als hij veel ouder is. Niet uit liefde, maar omdat het een kans is om uit Afghanistan weg te komen. Mijn moeder heeft het ook al weleens voorgesteld. Eerst werd ik boos. Nu denk ik dat ze gelijk heeft. Ik denk niet dat het fijn is om getrouwd te zijn. Maar in Afghanistan wonen is nog erger.’

Dit is een selectie uit telefoongesprekken die de Volkskrant afgelopen week voerde met inwoners van Afghanistan. De namen zijn omwille van de veiligheid van de geïnterviewden veranderd.

Hamid (23)
‘Overal waar ik kom beginnen ze over mijn baard’

‘Vroeger hadden we een zorgeloos leven. Mijn vader had werk, mijn broer had een goedlopende kleermakerszaak. We kwamen niets tekort. Maar dat is voorbij.

‘Ik heb gestudeerd, spreek Engels en kan goed met computers overweg. En toch kom ik amper aan het werk. Tijdens sollicitaties vragen werkgevers bijna nooit naar mijn ervaring, ze willen weten of ik de Taliban steun. Of ik familie heb die voor hen werkt. En waarom ik geen baard draag.

‘Een van mijn beste vrienden werkt inmiddels voor de Taliban als beveiliger. Eigenlijk is hij het niet met de regering eens, maar hij heeft een gezin te onderhouden. Dus heeft hij nu een lange baard en doet hij zijn werk.

‘Ik wil dat niet. Ik houd van een getrimde baard of een sikje. Als ik naar de kapper ga, doet hij eerst de deur op slot. Daarna trimt hij stiekem mijn baard, precies zoals ik het mooi vind.

‘Om geld te verdienen rijd ik ’s avonds als snorder door de stad. Ik vraag mensen waar ze naartoe willen en neem ze mee in mijn Toyota. Soms verdien ik daarmee 3.000 afghani (omgerekend 40 euro) in een maand. Een officiële taxivergunning kan ik niet betalen.

‘Ik heb gemengde gevoelens over de Taliban. Het is veiliger op straat dan vroeger en er worden nieuwe wegen aangelegd. Maar ze behandelen me alsof ik geen goede moslim ben. Ze zeggen dat ik in de auto geen muziek mag luisteren en dat mijn baard langer moet. En ik heb vier jongere zusjes die niet meer naar school mogen. Ze vragen me de hele tijd: ‘Help ons, we willen studeren.’

‘Als de Taliban voor meer werk zorgen, zou ik willen blijven. Maar zolang ik hier geen toekomst zie, droom ik van Europa. Voor 20 duizend dollar beloven smokkelaars je naar Duitsland of Frankrijk te brengen. Maar daar heb ik het geld niet voor.’

Fereshta (37)
‘Ik durf mijn dochter niet te vertellen dat ze na haar 11de niet meer naar school mag’

‘Elke ochtend om kwart over zes gaat mijn wekker. Ik zorg voor het ontbijt en maak mijn oudste dochter van 7 wakker. Ik geef haar even de tijd om rustig op te staan. Daarna kam ik haar haar en help ik haar in haar donkerblauwe schooluniform. Pas daarna maak ik mijn man wakker, zodat hij haar naar school kan brengen.

‘Ik word er blij van als ik haar de deur uit zie lopen. Ze mag nog naar school. Ze leert lezen en schrijven. Ze kan nog dromen. Ik durf haar niet te vertellen dat dat ophoudt als ze 11 wordt.

‘Ik ben 37, woon in Kabul en heb twee dochters; de jongste is 4 jaar. Ik heb een master in accountancy, ik heb lesgegeven en twee boeken geschreven. Tegenwoordig denk ik minder aan mijn eigen carrière dan aan de toekomst van mijn dochters.

‘Mijn oudste tekent het liefst de hele dag en droomt van een eigen galerie. Mijn jongste wil worstelen. Ze laat me filmpjes zien en zegt: ‘Mama, deze beweging wil ik ook leren.’ Maar ik kan haar niet naar gymlessen brengen, dat mogen meisjes niet.

‘Ik ben zelf als eerste vrouw in de familie naar de universiteit gegaan. Mijn moeder was zo trots: ze vertelde het aan iedereen die ze tegenkwam. Het kwam nog niet zo vaak voor, mensen maakten er grapjes over: ‘Waarom? Is ze soms van plan om ooit president te worden?’

‘Het is pijnlijk dat dit studeren voor mijn eigen dochters misschien nooit is weggelegd. Ik weet dat mijn oudste dochter me over een paar jaar zal vragen waarom ze niet meer naar school mag. Ik heb daar nog geen antwoord op. Daarom vertel ik het haar nu nog niet. Ik wil haar nog even laten geloven dat als ze maar hard werkt alles mogelijk is.’

Omid (47)
‘Ik verloor mijn baan en mijn identiteit’

‘Om te zien hoe mijn leven is veranderd, hoef ik maar in de spiegel te kijken. Mijn gezicht is donker geworden door de zon, mijn handen zijn ruw. Mijn kleren hebben de kleur van de aarde gekregen.

‘Vijf jaar geleden werkte ik op de universiteit. Ik was docent sociologie, elk semester gaf ik les aan vijf- tot zeshonderd studenten. Ze vormden een dierbaar deel van mijn leven.

‘Op een ochtend ging ik naar mijn werk. Daar kreeg ik een brief overhandigd: ik was ontslagen. Volgens de Taliban vanwege geldgebrek, maar van de 22 mensen op mijn afdeling was ik de enige die weg moest. Tot op de dag van vandaag weet ik niet waarom.

‘Ik pakte mijn lunchtrommel, heb afscheid genomen van mijn collega’s en ben naar buiten gelopen. Ik voelde me verslagen. Ik verloor niet alleen mijn baan, maar ook een deel van mijn identiteit. Ik heb zes kinderen en wist niet hoe ik mijn gezin voortaan ging onderhouden.

‘Nu sta ik ’s ochtends vroeg op. Na het ontbijt loop ik naar mijn akker, waar ik tarwe en aardappelen verbouw. Vroeger werkte ik met boeken, pennen en studenten, nu met aarde, water en gewassen. Het is zwaar werk, ik zweet wat af op een dag. Mijn inkomen is gedaald van omgerekend 2.150 euro naar nog geen 250 euro per maand.

‘Een van mijn oud-studenten woont in de buurt en werkt nu ook in de landbouw. Dat blijft een vreemd gevoel. Eerst was ik de docent en hij de student. Nu zijn we allebei boer.

‘Ik maak me de meeste zorgen over de toekomst van mijn kinderen, en vooral die van mijn dochter. Zij is vroeger naar school geweest en zit nu thuis. Daar heeft ze het heel moeilijk mee. Ik heb gezocht naar manieren om haar het land uit te krijgen, zoals een asielaanvraag in Australië. Maar ik heb nog niets gevonden.’

Nilofar (24)
‘Je kunt het best niet discussiëren met de Taliban, ze worden kwaad en je weet dan niet wat er gebeurt’

‘Op de dag dat de Taliban Kabul innamen, was ik negentien jaar oud. Ik keek uit het raam en zag mensen rennen. Leerlingen haasten zich uit school, auto’s keerden om, iedereen wilde naar huis. Ik belde in paniek mijn moeder op haar werk, maar ze kon geen taxi vinden. Toen ze eindelijk thuiskwam, zat ik te huilen.

‘Ik had tot dan toe het gevoel dat ik controle had over mijn leven. Ik had een vijfjarenplan gemaakt: ik zou aan de prestigieuze Kabul University informatica studeren en daarna hopen op een master in Canada. Dat leek me een mooi en vredig land.

‘In het eerste jaar onder de Taliban zat ik binnen. Zodra ik wakker werd, wilde ik dat het alweer avond was. Ik wilde alleen zijn. Mijn tantes uit Duitsland probeerden me via de telefoon moed in te spreken. Na een jaar nam mijn vader me mee naar buiten. Hij wees naar andere mensen op straat en zei: ‘Je moet je best doen om door te leven, net als zij.’

‘Ik vond uiteindelijk werk bij een rijdende kinderbibliotheek. Ik werkte in een vrolijk paars geverfde bus. De stoelen waren vervangen door banken, boekenkasten en een tekentafel. Ieder uur kwamen er zo’n tien kinderen, ik las voor, hielp met lezen en tekenen.

‘De bus stond geparkeerd op een drukke straat, en de Taliban-leden kwamen meermaals per week langs. Je herkent ze meteen aan hun witte kleding en tulband. Ze zeiden dat we niet hard mochten praten of lachen, omdat mannen ons niet mochten horen. Ze hadden kritiek op de kinderboeken, met plaatjes van jongetjes met korte broeken en meisjes zonder burka.

‘Ik wilde er iets tegenin brengen. Ik wilde zeggen: ‘Vroeger studeerden jongens en meisjes samen. Er gebeurde nooit iets. Jullie hoeven niet alles te seksualiseren. Wij weten hoe we onze kinderen moeten opvoeden.’ Maar dat zei ik niet. Ik zweeg. Je kunt het best niet discussiëren met de Taliban, ze worden kwaad en je weet dan niet wat er gebeurt.

‘Later ging ik als receptioniste werken in een ziekenhuis. Volgens de Taliban mocht ik mannelijke patiënten niet aankijken. ‘Kijk naar de grond als je met een man praat’, zeiden ze. Ik probeerde het, maar hoe ontvang je patiënten zonder ze aan te kijken? Toen mijn vader hoorde dat de Taliban hadden gedreigd me mee te nemen naar het politiebureau, vroeg hij me te stoppen.

‘Mijn moeder heeft het zelf moeilijk, maar ze blijft mij stimuleren. En mijn tantes uit Duitsland blijven bellen. Ze zeggen dat ik Engels moet blijven leren, of misschien Japans, omdat ik dan een beurs kan krijgen. Daarom blijf ik studeren. Ik geloof niet dat mijn toekomst in Afghanistan ligt, maar hopelijk wel daarbuiten.’

De streng gelovige Taliban zetten al zo’n dertig jaar een stempel op Afghanistan. De beweging is ontstaan tijdens een burgeroorlog en komt in 1996 aan de macht. De Taliban brengen weliswaar stabiliteit, maar wijzen democratie en veel mensenrechten af. Vrouwen worden uit het openbare leven geweerd; ook bieden de Taliban onderdak aan terreurbeweging Al Qaida.

Na de aanslagen van 11 september 2001 vallen de Verenigde Staten Afghanistan binnen, op jacht naar Al Qaida en de leider Osama bin Laden. Ze verdrijven de Taliban en installeren een door het Westen gesteunde regering. In de jaren daarna sturen ook zo’n vijftig andere landen, waaronder Nederland, militairen naar Afghanistan.

De Taliban zijn al die jaren blijven terugvechten. In de twintig jaar durende oorlog zijn naar schatting 176 duizend mensen omgekomen. Als de westerse troepen in 2021 afdruipen, nemen de Talibanstrijders hun oude posities weer in. Sindsdien zijn ze opnieuw de baas in Afghanistan.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next