De opa van Charisma Hehakaya kwam met tal van andere KNIL-militairen terecht in Kamp Vught, waar ook haar vader opgroeide. Een trauma dat decennialang doorwekte in haar familiegeschiedenis. ‘Thuis was nauwelijks ruimte om te praten over school of de toekomst.’
Voor velen betekende het einde van de Tweede Wereldoorlog ook het einde van de Japanse bezetting. Maar niet het einde van het leed. Voor velen volgden de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd, het gedwongen vertrek en een leven dat opnieuw moest worden opgebouwd. Zoals voor mijn opa en oma.
Vele Molukse mannen dienden in het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) en vochten aan de zijde van Nederland. Hierdoor kwamen zij en hun families na de oorlog in een moeilijke positie terecht. Na de onafhankelijkheid van Indonesië voelden veel Molukse KNIL-militairen zich niet meer veilig. Daarom werden in 1951 zo'n 12.500 Molukkers naar Nederland gebracht.
Ik heb de oorlog niet zelf meegemaakt, maar leef wel met de gevolgen ervan. En wie de geschiedenis kent, begrijpt beter waar gevoeligheden, herinneringen en onderlinge verbondenheid vandaan komen.
Over de auteur
Charisma Hehakaya werkt als fellow bij de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) en is universitair docent bij UMC Utrecht.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Twee maanden geleden bood de premier excuses aan voor het historisch onrecht dat de Molukse gemeenschap is aangedaan. Dat was bijzonder, maar ook verdrietig. Want juist de generatie die dit onrecht aangedaan is, is er niet meer. Zoals mijn opa en oma.
De premier benoemde ook wat achter veel Molukse voordeuren plaatsvond: het verzwegen verdriet, de teleurstelling, de zwijgzaamheid en de onmenselijke opvang. Verhalen die voor mij heel bekend zijn. Wie jarenlang trouw in dienst is geweest van het KNIL, na een maandenlange zeereis bij aankomst slechts een ontslagbewijs ontvangt en vervolgens in een voormalig concentratiekamp wordt ondergebracht, verliest meer dan zijn baan. Hij verliest zijn waardigheid.
Mijn opa en tal van andere KNIL-militairen hebben dit meegemaakt. Hij kwam terecht in Kamp Vught, waar ook mijn vader opgroeide. Thuis was nauwelijks ruimte om te praten over school of de toekomst.
Dat is niet vreemd. Wanneer je ouders na alles wat zij hebben meegemaakt opnieuw moeten leren overleven in een onbekend land, krijgen andere zorgen vanzelf voorrang. Ook bij ons thuis was onderwijs geen vanzelfsprekend gespreksonderwerp. Niet omdat mijn vader het niet belangrijk vond, maar omdat hij zelf niet anders had geleerd.
Zo werkt de geschiedenis. Niet alleen via boeken of monumenten, maar ook via mensen. Via gezinnen, waarover wordt verteld, maar waarin juist ook veel onuitgesproken blijft. Dat gebeurt eigenlijk overal. Ouders geven hun kinderen bewust en onbewust iets mee over wat normaal is, wat mogelijk is en wat zij van het leven mogen verwachten. En wanneer trauma onderdeel wordt van die erfenis, werkt dat net zo goed door.
Mijn familie leerde mij daarbij nog iets anders. Dat je, hoe moeilijk ook, steeds opnieuw kan leren wennen. Mijn grootouders moesten wennen aan een land dat zij dachten slechts tijdelijk te zullen bewonen. Mijn vader groeide op tussen twee werkelijkheden: de wereld van zijn ouders, gevormd door verlies en verlangen én de Nederlandse samenleving waarin hij zijn eigen weg moest vinden.
En ook ik heb geleerd wat wennen betekent. Thuis sprak ik Maleis. Met de daarbij horende indirectheid, het diepe respect voor ouderen en het idee dat je eerst luistert voordat je spreekt. Maar buiten de voordeur ontmoette ik een samenleving waarin directheid de norm was. Waar religie thuis een vanzelfsprekende plaats had, werd die buiten steeds minder zichtbaar. Waar discipline en strengheid plaatsmaakten voor overleg en mildheid.
Ik leerde schakelen tussen talen en wennen aan verschillende culturen. Dat schakelen herken ik achteraf ook in de geschiedenis van mijn familie. Het gaat over ontdekken welke gewoonten je vasthoudt en welke je loslaat. Over leren leven tussen herinnering en toekomst.
Daarom is wennen geen fase die ooit voorbij is. Het is een vaardigheid: je eigen vanzelfsprekendheden soms even loslaten, om ruimte te maken voor die van een ander. Misschien is dat wel de belangrijkste les die ik uit mijn familiegeschiedenis heb meegenomen: niet alleen dat erkenning belangrijk is, maar ook dat echte erkenning begint met de bereidheid om elkaar werkelijk te zien.
Daarom zijn de excuses van de premier belangrijk. Niet omdat zij het verleden kunnen veranderen. Dat kunnen zij niet. Maar omdat zij kunnen laten zien dat een overheid bereid is eerlijk naar haar eigen geschiedenis te kijken en verantwoordelijkheid te nemen voor de gevolgen daarvan.
Juist daarom hoop ik dat deze excuses niet het eindpunt zijn, maar het begin. Voor de Molukse gemeenschap betekent dat er ruimte is voor erkenning, begrip en het delen van verhalen over het verleden. En van de verhalen die thuis onuitgesproken bleven.
Het vraagt ook iets van ons vandaag: dat wij iets doen met de lessen uit het verleden. Dat wij niet alleen luisteren naar verhalen, maar ook bereid zijn om zelf te blijven wennen aan elkaar. Door samen te werken aan een samenleving waarin respect, gelijkwaardigheid en verbinding centraal staan, kunnen we bouwen aan meer wederzijds begrip. Dat betekent ook de moeilijke en pijnlijke delen van onze geschiedenis bespreekbaar maken. Zodat we daarvan kunnen leren. Daarom is herdenken meer dan terugkijken.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant