In een uithoek van Amsterdam-Noord ligt het Purmerplein. Een prachtig staaltje Amsterdamse School-architectuur, maar ook een plek met weinig sfeer. Geen reuring. Een van de broodjeszaken die er wat van probeert te maken, heeft bankjes aan de voorgevel hangen, maar die zijn altijd ingeklapt. Erboven hangt een briefje dat dat moet van de gemeente. Iedereen die daar langsloopt – ik ook – denkt: „Allejezus gemeente, waarom klappen jullie die bankjes niet gewoon uit?”
Dit is een vraag waar ik nog een naam voor zoek. Ik ben nog aan het schaven maar ik neig naar iets als ‘de-verontwaardigde-gezond-verstand-vraag’. Zo’n vraag begint met ‘waarom’ en is te herkennen aan het gebruik van de woorden ‘ze’ en ‘gewoon’. Waarom geven ze niet gewoon alle toeslagengedupeerden hun geld terug? Waarom bouwen ze niet gewoon een zwik betaalbare huizen? Waarom stoppen ze niet gewoon met oorlog?
Degene die zo’n vraag stelt, doet dat niet om antwoord te krijgen, niet echt. De vragensteller laat ermee zien dat hij gezond verstand heeft en kritisch is: het is zelfexpressie. Nu draaien veel vragen niet om het antwoord, van Kamervragen als „Vindt u het ook zorgelijk dat…?” tot een moeder die opmerkt „Ah, die jurk?”. Maar deze schijnvraag – waarom doen ze niet gewoon dit? – irriteert me het meest.
Dit is deels een kwestie van leeftijd. In de loop van je leven merk je dat wanneer jij niet meteen snapt waarom iets gaat zoals het gaat, dat niet wil zeggen dat alle anderen dom zijn. Althans, in theorie. Het is ook een kwestie van temperament. Ik weet nog goed dat toen de Notre-Dame in brand stond, ook hordes volwassenen verontwaardigd vroegen: „Waarom zo’n laf straaltje water? Waarom geen blusvliegtuigen!?” Daar bleek een goede reden voor te zijn: dan zou de constructie zijn ingestort.
Dus als iemand een vraag stelt à la „Waarom doen ze niet gewoon datgene wat ik na twee seconden nadenken heb bedacht?” – ben ik sceptisch.
Het vervelende is alleen dat we de vraag „Waarom doen we het niet anders?” ook nodig hebben. Volledig vertrouwen in autoriteit is doodeng, en „er zal wel een goede reden zijn” riskant. „Er zal wel een goede reden voor zijn dat we slaven hebben en dat we griep behandelen met aderlatingen.” Bescheidenheid is gepast, maar blind vertrouwen is gevaarlijk.
Daarbij leert ouder worden je nog iets: het idee „er zal wel een volwassene zijn die hierover heeft nagedacht” klopt óók vaak niet. Waar ik ook achter de schermen een kijkje neem – de journalistiek, de diplomatieke dienst, restaurants – overal denk ik „Oh god, dit zijn maar gewoon mensen”. Ik ben blij dat ik nooit in een ziekenhuis heb gewerkt.
Dus een variatie op de vraag – waarom doen ze niet gewoon x? – is altijd nodig, en dat maakt de kritische schijnvraag extra vervelend: hij dreigt de werkelijk kritische vraag te verdringen. De oplossing is dan ook simpel: je mag de waarom-doen-ze-niet-x?-vraag wel stellen, maar alleen als je echt geïnteresseerd bent in het antwoord. Mensen die verliefd zijn op hun gezonde verstand moeten die ijdelheid aan de kant schuiven en hun kritisch vermogen eens vermengen met wat daadwerkelijke nieuwsgierigheid. Bijkomend voordeel: begrijpen waarom ‘ze’ iets niet ‘gewoon’ doen, is de eerste stap naar begrijpen of en hoe een situatie veranderd kan worden.
Nu zou ik mijn eigen advies niet opvolgen als ik het zou laten bij deze constatering, in feite een variant op de verontwaardigde vraag: waarom stellen mensen niet gewoon oprechte kritische vragen? Dus laat ik een poging wagen een antwoord te vinden: waarom is de ongeïnteresseerde kritische vraag zo verleidelijk? Als ik naar mezelf kijk is dat vrij duidelijk. Het kost heel veel moeite om uit te zoeken waarom de wereld werkt zoals hij werkt. Moeite en tijd, met nul garantie op een bevredigend antwoord.
Het is daarentegen heerlijk om mezelf te feliciteren met een kritische schijnvraag. Die schept bovendien een band met anderen: je kan samen zeuren over de gemeente, de brandweer, het systeem, wie ‘ze’ ook maar zijn. De wereld is zo ingewikkeld, samen klagen is zo gezellig, iedereen is moe.
Deze week kreeg ik ongevraagd toch antwoord op mijn ongeïnteresseerde vraag over het bankje op het Purmerplein. In Het Parool was te lezen dat de broodjeszaak geen terrasvergunning had, en dat de gemeente een melding had gekregen van de overtreding. Het alternatief was dat de gemeente niet handhaafde, ook niet na een melding, wat een precedent zou scheppen dat het hele terrasvergunningensysteem onderuit zou halen. Hoewel iedereen het erover eens was dat de uitkomst op het Purmerplein niet goed was, snapte ik het punt van de gemeente. Nu wordt er gekeken of voor verschillende stadsdelen niet andere regels kunnen gelden. Ik had er niet om gevraagd, maar ik was blij dat een journalist het had uitgezocht.