Home

Opinie: Nederland erkent de Indonesische onafhankelijkheid, maar schermt de rekening af

De erkenning van de Indonesische onafhankelijkheid is onvolledig. Tot op heden weigert Nederland de bijna 4 miljard gulden die het na de onafhankelijkheid van Indonesië ontving, terug te betalen.

Op 14 juni 2023 sprak minister-president Mark Rutte in de Tweede Kamer woorden uit die lang ondenkbaar waren: ‘Nederland erkent 17 augustus volledig en zonder voorbehoud.’ De Indonesische Proklamasi was volgens hem ‘hét historische feit’. Na het debat bracht zijn woordvoerder echter onmiddellijk een beperking aan: de erkenning zou niet gelden voor juridische aangelegenheden. Aan contracten en handelingen uit de periode 1945-1949 veranderde niets.

In één middag werd zo de grammatica van de Nederlandse omgang met het koloniale verleden zichtbaar. De historische erkenning stond in de hoofdzin, de gevolgen verdwenen in de voetnoot. Nederland erkende nu eindelijk de onafhankelijkheidsdatum, maar schermde de rekening af.

Die reflex staat niet op zichzelf. Ook bij het slavernijverleden erkent Nederland historische verantwoordelijkheid, terwijl het afstand houdt van een verplichting tot herstel. Bij de onthulling van het Nationaal Moluks Monument, op 21 juni van dit jaar, formuleerde minister-president Rob Jetten echter het tegenbeginsel: excuses krijgen pas betekenis door de daden die erop volgen. Voor erkenning geldt hetzelfde. Welke daad volgt op de erkenning van 17 augustus 1945?

Over de auteur

Ingo Piepers is oud-marinier en publicist.

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

De financiële afwikkeling van de Indonesische onafhankelijkheid is de testcase: bijna 4 miljard gulden die Indonesië tussen 1950 en 1956 aan Nederland betaalde als onderdeel van de regeling die tijdens de Rondetafelconferentie van 1949 werd opgelegd. De vraag is niet langer alleen wat Nederland daarmee ontving, maar of het dat bedrag mag behouden nadat het een onafhankelijkheidsdatum heeft erkend die de vanzelfsprekendheid van diezelfde regeling ondergraaft.

Wat Nederland eiste

Bij de Rondetafelconferentie van 1949 moest Nederland aanvaarden dat het zijn koloniale gezag niet kon herstellen. Voor Mohammed Hatta, destijds vicepresident en hoofd van de Indonesische delegatie, was dat doorslaggevend: Indonesië werd onafhankelijk, de Nederlandse troepen gingen naar huis. Maar Nederland verliet Den Haag niet met lege handen. Financieel was, schrijven Harry Poeze en Henk Schulte Nordholt in hun recente standaardwerk Merdeka, ‘bijna het onderste uit de kan gehaald. Gezien de cijfers die volgen, is dat oordeel eerder terughoudend dan overdreven.

Nederland eiste namelijk dat Indonesië de Nederlands-Indische staatsschuld tot en met 1949 zou overnemen: 6,1 miljard gulden, inclusief 3,5 miljard gulden die de oorlogvoering had gekost. De Indonesische delegatie verwierp die eis. Econoom Sumitro Djojohadikusumo kwam zelfs tot de omgekeerde slotsom: Nederland was per saldo 500 miljoen gulden aan Indonesië verschuldigd.

Indonesië bood daarop 2,6 miljard gulden aan: de vooroorlogse schuld, uit de periode vóór de Japanse bezetting. Niet de kosten van de Nederlandse poging om het koloniale gezag te herstellen. Nederland sprak zijn veto uit. Toen de conferentie dreigde vast te lopen, stelde de Amerikaanse bemiddelaar Merle Cochran een compromis voor: 4,5 miljard. Hatta stemde met tegenzin toe, mede op basis van de verwachting dat Amerikaanse kredieten de last zouden verlichten.

De kern laat zich in één zin samenvatten: Indonesië bood aan de vooroorlogse schuld te betalen, en Nederland verwierp dat aanbod.

De rekensom die overblijft

Het gebruikelijke verweer – dat de oorlogskosten uit de eindregeling waren verwijderd – houdt geen stand. Het niet-militaire deel van de Nederlandse claim bedroeg hooguit 2,6 miljard gulden (6,1 miljard gulden minus de 3,5 miljard gulden oorlogskosten). Het opgelegde bedrag was 4,5 miljard. Zelfs in de voor Nederland gunstigste lezing kon dat bedrag onmogelijk worden samengesteld zonder een substantieel deel van de oorlogskosten: er was simpelweg niet genoeg andere schuld om het te vullen. Volgens de meest behoudende schatting droeg Indonesië tussen 1,5 en 2 miljard gulden bij aan de kosten van de oorlog die tegen zijn eigen onafhankelijkheid was gevoerd.

Dat dit geen achterafconstructie is, blijkt uit het Indonesische parlement zelf. Toen de KNIP (het Indonesische parlement) op 14 december 1949 voor het eerst sinds maart 1947 weer bijeenkwam, klonk kritiek op het overnemen van – in de woorden van de afgevaardigden – driekwart van de koloniale staatsschuld. De rekensom klopt: 4,5 van 6,1 miljard gulden is precies 74 procent. Wat het Nederlandse geheugen daarna kwijtraakte, zag het Indonesische parlement in 1949 al scherp.

Indonesië voldeed jarenlang aan de regeling. Toen het in 1956 de betalingen staakte, stond nog ongeveer 650 miljoen gulden open. In zes jaar had de jonge Republiek dus bijna 4 miljard gulden betaald.

De vergeten tegenhanger

Wie die bedragen met de Nederlandse consumentenprijsindex tot 2026 corrigeert, komt voor de betaalde 4 miljard uit op ongeveer 24 miljard euro; dat is conservatief geschat, want rente en gemiste investeringsopbrengsten zijn niet meegerekend.

De omvang wordt pas werkelijk zichtbaar naast de Marshallhulp. Nederland ontving 1,127 miljard Amerikaanse dollar aan hulp; tegen de toenmalige koers ongeveer 4,3 miljard gulden. In dezelfde naoorlogse jaren waarin Nederland dat bedrag ontving om te herstellen, betaalde Indonesië bijna hetzelfde bedrag aan Nederland.

De twee stromen hadden een tegengestelde morele richting: de een hielp Nederland herstellen van bezetting, de ander belastte Indonesië nadat het zijn onafhankelijkheid tegen herkolonisatie had verdedigd. De Marshallhulp kreeg terecht een plaats in het Nederlandse wederopbouwverhaal. De Indonesische stroom verdween naar de achtergrond, niet omdat ze minder reëel was, maar omdat ze minder paste. Beide stromen voedden dezelfde economie. Het nationale verhaal blijft onvolledig zolang van twee financiële injecties van vergelijkbare omvang er maar één wordt herinnerd.

Twee tegenwerpingen

Maar Indonesië stemde toch zelf in? Formeel is dat juist, maar een handtekening vertelt niet welke alternatieven werkelijk beschikbaar waren. De regeling was onderdeel van één pakket, gesloten onder een machtsongelijkheid die Nederland zelf mede in stand hield.

En loste de 1966-regeling dit niet al af? Die regeling, bekend als het Traktaat van Wassenaar, betrof vooral latere claims, waaronder genationaliseerd Nederlands bezit na de onafhankelijkheid. Ze beantwoordt niet de vraag of de schuldovername van 1949 zelf op een rechtvaardige grondslag berustte.

De uitweg

Nederland heeft een historische erkenning uitgesproken en tegelijk een juridische nooduitgang geconstrueerd om de gevolgen ervan te vermijden. De uitweg uit die tegenstrijdigheid is niet ingewikkeld. De bijna 4 miljard gulden die Indonesië betaalde, moet worden terugbetaald; niet als ontwikkelingshulp, niet als gebaar, maar als correctie van een regeling die onder residuele koloniale macht tot stand kwam.

‘Excuses krijgen pas betekenis door de daden die erop volgen’, zei Jetten bij het Nationaal Moluks Monument. Voor de erkenning van de Indonesische onafhankelijkheid geldt hetzelfde.

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next