Jonge Nederlanders die een band hebben met het voormalige Nederlands-Indië willen alle verhalen horen van de eerste generatie. Voor de officiële Indië-herdenking zaten ze bij elkaar aan tafel. ‘Ik haal inspiratie uit hun verhalen, zeker in deze tijd.’
is verslaggever van de Volkskrant.
In een grote, beige tent op het veld voor het Indisch Monument in Den Haag gaat het blikken bakje van de 83-jarige Ab Alexandre rond aan zijn generatietafel. Dat zijn kostbaarste bezit deel uitmaakt van een Aziatische rantang, een door een beugel bijeen gehouden stapel voedselbakjes, hoeft hij zijn tafelgenoten niet uit te leggen.
Zij zijn van de tweede en derde generatie die een band, meestal een familieband, hebben met het voormalige Nederlands-Indië. ‘Van mijn vader Charles’, legt Alexandre uit. ‘Met een spijkertje heeft hij de namen van alle Jappenkampen waar hij zat, erin gegraveerd.’
Zaterdagmiddag, ruim voor de officiële Nationale Indië Herdenking – waarbij zal worden stilgestaan bij het einde van de Tweede Wereldoorlog op 15 augustus 1945 en de slachtoffers van de oorlog met Japan – praten tachtig mensen van 18 tot 93 jaar aan tien Indische Generatietafels uren met elkaar. Van de ene tafel klinkt een hard lachsalvo, aan een andere vloeien de tranen van herinnering.
Aan elke tafel zit minstens één vertegenwoordiger van de eerste generatie zoals Alexandre, die in 1942 in een vrouwenkamp in Batavia is geboren. De derde generatie, zoals de 33-jarige Valerie Kopijn en Emily Kroon, 29, is de drijvende kracht achter het initiatief. De vierde generatie dient zich al aan.
‘Verhalen vertellen en bewaren’, is waar het voor Kopijn om gaat. ‘De geschiedenis doorgeven door middel van dialoog’, zegt Kroon, ‘door alle generaties bij elkaar te zetten.’ De eerste generatie is cruciaal, vertelt Kopijn. ‘Want die zullen er niet nog twintig jaar zijn.’
Het rantangbakje is het verhaal dat de vader van Ab Alexandre nooit wilde vertellen. ‘Hij haalde alleen leuke herinneringen op.’ Op 18 juni 1942 begint de gevangenschap, waarna Charles blijkens de graveringen van kamp naar kamp wordt gesleept. Hij komt te werken aan de beruchte Birma-spoorlijn. Als zijn zoon zich tachtig jaar later een voorstelling maakt van de ontberingen van zijn vader, worden zijn ooghoeken vochtig. ‘Hij heeft wormen, slakken en hagedissen uit dit bakje gegeten, denk ik.’
De zijkant ervan bood onvoldoende ruimte, dus graveerde zijn vader de kampnamen en data cirkelvormig door op de onderkant. Tot het laatste woord in blokletters: vrede. Daarachter: ‘16/8-45’ – ‘Hij hoorde het nieuws een dag later’, wist Alexandre van zijn oudere zussen. ‘Zij hebben alles wat ik weet van die tijd verteld, mijn vader wilde er niet over spreken.’
‘Dat is het Indisch zwijgen’, legt de 84-jarige Sylvia Erschen uit. Na de ontberingen van de kampen en de voor Indische Nederlanders gevaarlijke tijd daarna, vluchtten die vaak berooid naar Nederland. ‘Ze zwegen over wat ze hadden meegemaakt’, vertelt Erschen. ‘Ze moesten een ratrace overleven in een nieuwe omgeving.’
Even kijkt ze rond haar tafel, naar louter mensen jonger dan zij. ‘Maar de derde generatie verdomt het genoegen te nemen met dat Indisch zwijgen. Jongeren kijken met een westerse blik en willen kennis en helderheid. Mijn ouders zwegen gelukkig niet, waardoor ik hun en mijn verhaal nu kan doorgeven.’
Mede-initiatiefnemer Kroon hangt aan haar lippen als Erschen vertelt over de bovenmenselijke veerkracht van jonge moeders in de louter door mannen bewaakte vrouwenkampen. Die vergrepen zich op gruwelijke wijze aan hun gevangenen en toch zong een van hen, een meisje nog, elke miserabele dag om zes uur het Onze Vader voor het hele kamp. Erschen noemt het een ‘triomf van liefde’. Het kreeg navolging van vrouwen die het hoorden en naar andere kampen gingen. Nu wordt het gezongen gebed elk jaar bij de herdenking gespeeld.
‘Mijn overgrootmoeder is in het Jappenkamp onder erbarmelijke omstandigheden bevallen van mijn oma, hield zich na de oorlog zonder man staande met vijf kinderen en zeurde nooit’, zegt Kroon. ‘Ik haal daar inspiratie uit, zeker in deze tijd, die je soms neerslachtig kan maken. Dan voel ik me trots op de vrouwen uit wie ik voort ben gekomen.’
Daarom zijn de Indische verhalen voor de derde generatie óók belangrijk: identiteit. Kroon voelt zich ‘heel erg Indisch’. ‘Maar ik heb altijd best wel moeite met mijn identiteit, omdat ik er heel Hollands uitzie.’ Door je familiegeschiedenis leer je jezelf beter kennen, vindt Kopijn. ‘Dat is deel van je Indische of Molukse identiteit.’
Lars Bannink (31) heeft geen Indische roots, maar hoort evenzeer bij de uitdijende derdegeneratiefamilie. Zijn opa werkte aan de Birma-spoorlijn terwijl zijn oma, die als 100-jarige in deze krant haar verhaal vertelde, in een vrouwenkamp in Semarang door een hel ging.
‘Hun verhalen stonden niet in mijn geschiedenisboek op school’, merkt Bannink op over de noodzaak van oral history. ‘Het ging van de VOC meteen door naar één pagina over dekolonisatie’, las Veerle Bodeving (30), die haar master publieksgeschiedenis afrondt met onderzoek naar de wijze ‘waarop de Indische geschiedenis wordt doorgegeven in verhalen’.
Die verhalen kunnen inspireren, maar ook ronduit tragisch aflopen. Zoals dat van de zwijgende vader van Ab Alexandre. Na omzwervingen werd hij herenigd met zijn gezin dat naar Nederland vluchtte nadat buren voor hun ogen werden onthoofd. ‘Zijn Nederlandse opleiding tot architect werd hier niet erkend en hij werkte vanaf 1954 als hulparbeider voor een gulden en zes cent per uur in een fabriek.’
Op een dag in 1962 veroorzaakte een vonkje een ontploffing en kwam Charles Alexandre om het leven. ‘Nadat hij al die kampen had overleefd’, zegt zijn zoon met weer vochtige ogen, wijzend op het rantangbakje. ‘Ik ben nog steeds boos.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant