Bijna een op de vijf nieuwe scholen sluit of fuseert weer, tot groot verdriet of frustratie van initiatiefnemers, leraren en leerlingen. Wat gebeurt er op een school die wankelt? Een oprichter, docent en moeder vertellen. "Hij was nog de enige in de klas."
De zoon en dochter van Catelijne Zandbergen zaten allebei drie jaar op een School voor Persoonlijk Onderwijs (SvPO) in Hoorn. Dat was niet hun eerste keuze. Beiden waren op een andere middelbare school gestart, maar redden het daar door omstandigheden niet. "Mijn zoon ging op zijn negende naar de brugklas en had in coronatijd meer ondersteuning nodig. De kleine klassen, extra begeleiding en korte lijntjes van het SvPO klonken perfect", vertelt Zandbergen.
Na hun eerste jaar werd de school als 'zeer zwak' beoordeeld door de onderwijsinspectie, de laagste van de drie mogelijke uitslagen. Toen werd al duidelijk dat de school wellicht moest sluiten. "Het bestuur probeerde de school nog lang open te houden, maar het was geen houdbare zaak."
Veel leraren zochten alvast een nieuwe baan. "De overgebleven natuurkundedocent gaf ook wiskunde en uiteindelijk zelfs gym." Ook leerlingen vertrokken. Zandbergen, zelf docent, hielp haar kinderen en liet ze nog even blijven, in de hoop dat ze er respectievelijk de onder- en bovenbouw konden afmaken.
Maar de klassen werden een soort "rariteitenkabinet", vertelt ze. "De kinderen met een 'krasje', moeilijk plaatsbaar op andere scholen, bleven over. Op een gegeven moment was mijn zoon de enige in de klas. En dan stond er een groepsopdracht of estafetteloop op de planning."
Een nieuw negatief inspectieoordeel betekende het einde voor de school in Hoorn. De noodgedwongen overstap naar hun nieuwe school was voor beide kinderen zwaar, omdat het niveau niet goed aansloot.
"Maar de meerwaarde is dat ze niet langer worden gezien als 'SvPO-kind', maar weer aan alle voorwaarden moeten voldoen", vindt Zandbergen. Op hun vorige school werden ze nog weleens gematst met toetsdata of herkansingen. "Dat vind ik ongezond. Uiteindelijk moeten kinderen toch door bepaalde hoepeltjes springen, ongeacht wat je van die hoepeltjes vindt. Later in hun werk kunnen ze ook niet onderhandelen over hun taken."
Ben Oerlemans gaf tot 2023/2024 les op twee Scholen voor Persoonlijk Onderwijs in Hengelo en Geldermalsen. "Het concept van heel kleine klassen vond ik heel goed. Ik wilde er dolgraag werken."
Het zijn scholen met bewust weinig 'overhead': naast docenten en de schoolleider was er één parttime conciërge. Geen administratieve medewerkers, geen ICT'ers, geen remedial teacher. "Maar overhead bleek wel degelijk nodig. Als leraar wil ik me concentreren op lesgeven en onderwijsvernieuwing, niet op het repareren van het kopieerapparaat."
In een bestaande school kom je in een gespreid bedje, maar deze scholen moesten nog worden opgebouwd. "Ik heb bijvoorbeeld bananendozen vol tweedehands boeken naar school gebracht voor de mediatheek." Het lerarenteam was betrekkelijk onervaren. "Een goede ploeg, maar je bent wel het wiel opnieuw aan het uitvinden."
Hoewel de school in Geldermalsen goed liep, was de inspectie over de school in Hengelo minder positief, vervolgt Oerlemans. "Dat was een zwakke school. Daardoor ontstond een rare cultuur. Het volgende inspectieoordeel hing als een zwaard van Damocles boven ons hoofd." Het lerarenteam werd getraind op inspectiebezoeken. "We deden daar een soort toneelstuk met acteurs voor."
Media-aandacht voor de onderwijskwaliteit en het financiële wanbeheer droeg bij aan de ondergang, denkt Oerlemans. "Ouders hebben niet zo'n zin om hun kind aan te melden bij een experimentele school die in een kwade reuk staat."
Voorafgaand aan vermoedelijk weer een negatief inspectieoordeel nam het bestuur de vlucht naar voren door de school zelf al op te heffen. Achteraf bezien had de organisatie niet zo snel moeten uitbreiden met allerlei nieuwe scholen, vindt Oerlemans. "Kwaliteit leveren kost nou eenmaal tijd. We hebben te weinig kans gehad om er wat van te maken."
Een school die verder kijkt dan het 'gemiddelde' kind en hem of haar ook uitdaagt als het bijvoorbeeld voorloopt op de rest. Dat had Manon van der Linde voor ogen toen ze in 2019 met andere ouders de Schoolwerkplaats in Velsen oprichtte.
Een school starten is niet zo moeilijk, maar die laten voortbestaan des te meer, leerde ze. Het grootste obstakel was de onderwijsinspectie. "Ik snap dat die moet kunnen controleren of kinderen krijgen wat ze nodig hebben. Maar de inspectie kijkt veel meer naar wat er op papier staat dan hoe daadwerkelijk wordt lesgegeven", is haar ervaring.
De inspectie vond de Schoolwerkplaats 'zeer zwak'. "We wilden graag aanpassen wat ze van ons verlangden, maar we waren ook niet voor niets een andere school gestart." Het werven van leerlingen was dat jaar lastig, want na een tweede 'zeer zwak'-oordeel ligt sluiting op de loer. "We wisten niet of we zouden blijven bestaan. Wat doe je nieuwe kinderen dan aan? Daarom zijn we minder gaan werven."
De Schoolwerkplaats schakelde hulptroepen in, voerde veranderingen door en zag de volgende inspectieronde met vertrouwen tegemoet. Maar nee: weer een 'zeer zwak'. "Dat was een enorme klap. Het verdrietigste vond ik het idee dat leerlingen beter af zouden zijn door een andere school te zoeken dan door bij ons te blijven. Hoe kon dat nou? Dat geloofde ik eigenlijk niet."
Nu, drie jaar later, heeft Van der Linde het er nog steeds moeilijk mee. "Bij ons bloeiden kinderen op die op andere scholen waren vastgelopen. Ik voel me er nog steeds schuldig over dat we ze moesten laten gaan, terwijl ik ook weet dat we ons stinkende best hebben gedaan."
Source: Nu.nl algemeen