Home

Op de Merwedebrug kun je zien wat er gebeurt als politici moeten kiezen tussen onderhoud en de koopkrachtplaatjes

Stel nou dat we, net als vroeger, een fonds hadden voor de investeringen in de nationale infrastructuur.

In het Volkskrant Commentaar wordt het standpunt van de krant verwoord. Het komt tot stand na een discussie tussen de commentatoren en de hoofdredactie.

De teloorgang van het onderhoud aan bruggen en wegen roept terechte vragen op over het vermogen van Rijkswaterstaat om langer dan een paar jaar vooruit te kijken. Waarom wordt er pas groot alarm geslagen als her en der in het land al bruggen onbetrouwbaar worden verklaard?

Over die vraag zal dit najaar uitvoerig worden gedebatteerd in de Tweede Kamer, maar daarbij mag de politiek haar eigen rol niet uit het oog verliezen. Wat zou het immers fijn zijn als we een fonds of iets dergelijks hadden waaruit dit soort langetermijninvesteringen, die bij uitstek bedoeld zijn om het land in beweging te houden, konden worden betaald.

En zo’n fonds hadden we dus. Het idee ontstond eind jaren tachtig, toen de infrastructuur ook slechte jaren achter de rug had. De langjarige economische crisis bracht de eerste kabinetten-Lubbers ertoe fors te bezuinigen. Wegen, spoorlijnen, bruggen en viaducten hadden geen prioriteit. Het derde kabinet-Lubbers zag in dat dit vroeg of laat spaak zou lopen en introduceerde het Fonds Economische Structuurversterking (FES). De Groningse aardgasbaten werden deels daarin ondergebracht.

Het geld was bestemd voor structurele investeringen in de infrastructuur. Het mes sneed aan twee kanten, meldde de regering trots: ‘Met het werk dat dit oplevert, draagt de overheid een steentje bij aan de werkloosheidsbestrijding.’

Een jaar of tien ging dat naar wens. Tot 2005 liep het fonds gestaag vol, ontving het jaarlijks 42 procent van de aardgasinkomsten en werd 17 miljard euro geïnvesteerd. Onder meer de aanleg van de Betuwespoorlijn en de Hogesnelheidslijn werden grotendeels uit het fonds betaald.

De klad erin

En toen kwam de klad erin. Het tweede kabinet-Balkenende (2003-2007), ook al een kabinet dat kampte met economische tegenslag, liet zijn oog vallen op het fonds. In de oorspronkelijke voorwaarden stond nog dat het alleen mocht worden gebruikt voor ‘harde infrastructuur’, maar aan die definitie voegde Balkenende ook investeringen in onderwijs, innovatie en kennis toe. In de Tweede Kamer werden snel daarna moties aangenomen om ook de afschaffing van het lesgeld voor scholieren uit het fonds te betalen. En waarom trouwens niet een verhoging van de kinderopvangtoeslag?

Enkele jaren later was het over en uit. Het eerste kabinet-Rutte trok in 2011 de stekker uit het fonds. De aardgasbaten vloeiden weer gewoon naar de ‘algemene middelen’. De grote pot dus, waaruit ook alle andere uitgaven worden betaald.

Wie wil weten wat er gebeurt als politici moeten kiezen tussen brugonderhoud en de jaarlijkse koopkrachtreparatie voor de kiezers, kan eens gaan kijken op de Merwedebrug, waar nu geen vrachtwagens meer overheen mogen wegens instortingsgevaar. Tot 2040 komt de overheid 80 miljard euro tekort om alle wegen, spoorwegen, bruggen, sluizen en viaducten overeind te houden.

Maar misschien is juist dat de aanleiding voor een nieuwe generatie ministers en Kamerleden om te erkennen dat het zo niet verder kan. Het maken van een langetermijnplan wordt nog moeilijker dan voorheen – het Groningse gas stroomt niet meer – maar misschien kan iemand uitrekenen wat het Nederland gaat kosten als kabinet en Kamer zichzelf nu niet tot actie aanzetten?

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next