Internationale studenten leveren de staatskas op de lange termijn meer geld op dan ze kosten. Met name de belasting die studenten betalen als ze na hun studie in Nederland blijven werken, heeft een positief effect, becijferde het Centraal Planbureau.
is datajournalist van de Volkskrant. Hij analyseert en schrijft over het nieuws in cijfers.
In de discussies over buitenlandse studenten op hogescholen en universiteiten was de laatste jaren veel aandacht voor de nadelen van hun komst. Vanwege volle collegezalen en een tekort aan studentenwoningen wilde het kabinet-Schoof twee jaar geleden het aantal internationale studenten beperken. De vrees was dat deze studenten na hun opleiding direct zouden terugkeren naar hun land van herkomst.
Het huidige kabinet ziet wel voordelen aan buitenlandse studenten. Vooral als ze van buiten Europa komen, dragen ze later veel bij aan de overheidsfinanciën, blijkt uit de analyse van het CPB. Dat komt volgens het planbureau vooral doordat deze studenten na hun studie gemiddeld langer in Nederland blijven en dus meer belasting betalen. Universitaire studenten hebben een hogere nettobijdrage dan hbo-studenten, omdat hun salaris doorgaans hoger ligt.
Tijdens hun studie is de overheid vooral veel geld kwijt aan studenten uit de Europese Economische Ruimte (de Europese Unie, IJsland, Liechtenstein en Noorwegen). Voor deze studenten betaalt de overheid ieder studiejaar, net als voor Nederlandse studenten, een rijksbijdrage aan hogescholen en universiteiten. Vorig jaar lag die bijdrage gemiddeld op ongeveer 10.000 euro. Studenten uit andere landen moeten meer zelf betalen.
De baten voor de overheid zijn sterk afhankelijk van het werk dat internationale studenten na hun studie gaan doen. Verreweg de meeste inkomsten van de staatskas komen uit inkomstenbelasting en premies. Vijf jaar na afronding van hun opleiding woont ruwweg een op de vijf EER-studenten en twee op de vijf andere buitenlandse studenten nog hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant