Dat we het normaal zijn gaan vinden om kinderen in één klas te proppen, ingedeeld op leeftijd en niveau, zegt meer over ons stelsel dan over onze kinderen. Allemaal keuzes, ooit gemaakt en dus te herzien.
Deze week gingen de scholen weer open. Voor duizenden kinderen niet. Die zitten thuis, staan op een wachtlijst, of zijn een dossier geworden dat van bureau naar bureau schuift. En het ergste: we zijn het normaal gaan vinden.
‘Mooi ideaal, maar niet realistisch’, denkt de gemiddelde docent over inclusief onderwijs. Dat denken wij ook, al bedoelen wij daarmee dat het huidige debat een gemiste kans is om het systeem te bevragen. Dat debat leunt namelijk op een karikatuur, loopt steeds dood op onhaalbaarheid, en laat de norm waaraan we alles afmeten ongemoeid.
Over de auteurs
Gijs Korenblik is docent geschiedenis en maatschappijleer. Barend Last is leraar, schrijver en onderwijskundige.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Eerst over de definities van inclusief onderwijs. In het VN-verdrag over de rechten van personen met een handicap is vastgelegd dat onderwijs vanaf 2035 inclusief moet zijn. Hoe lidstaten dat verdrag vertalen, is grotendeels aan de landen zelf. In Nederland koos de overheid voor de invulling ‘ieder kind heeft dichtbij huis, volwaardig en gelijkwaardig toegang tot onderwijs’.
Daar kan toch niemand op tegen zijn? Onder collega’s leeft echter een ander beeld: alle kinderen, ongeacht hun rugzak, bij elkaar in dezelfde klas, met één leraar, en succes ermee. Een hardnekkig, extreem beeld dat het gesprek al lamlegt voordat het begonnen is.
Dat wil niet zeggen dat er geen kern van waarheid in zit. Wie dagelijks voor de klas staat, weet wat inclusie vraagt: kleinere klassen, meer handjes, specialisten binnen handbereik. Ontbreken die randvoorwaarden, dan is mislukking een simpele rekensom. We begrijpen de scepsis goed, maar kán het überhaupt wel binnen de kaders?
Wie momenteel niet past in de mal van het reguliere onderwijs, kan wellicht terecht in het speciaal onderwijs, soms drie gemeenten verderop. Maar als speciaal onderwijs ‘speciaal’ is, wat is dan de rest? Normaal? Dat woord heeft een impliciete boodschap, die zelden wordt bevraagd. Ondertussen vallen in dat ‘normaal’ duizenden kinderen uit – en dat aantal is zo snel toegenomen dat Oudervereniging Balans de staat heeft aangeklaagd wegens schending van kinderrechten.
Dat we het normaal zijn gaan vinden om kinderen in één klas te proppen, ingedeeld op leeftijd en niveau, zegt meer over ons stelsel dan over onze kinderen. Allemaal keuzes, ooit gemaakt en dus te herzien. Dus ja: binnen de huidige organisatie van het onderwijs is een passende plek voor ieder kind dicht bij huis praktisch gezien onhaalbaar. Maar het mag ons nooit ontslaan van de vraag of wat we als norm hebben gesteld eigenlijk wel deugt.
En wat te doen met de duizenden leraren die zeggen niet in inclusief onderwijs te geloven? Serieus nemen, absoluut. Maar hun scepsis verdient een eerlijke lezing. Toen de onderwijsvakbonden ruim negenduizend onderwijsmedewerkers bevroegen over het thema, bleek slechts 3 procent zich te kunnen vinden in de meest vergaande vorm van inclusie. 36 procent staat positief tegenover onderwijs onder één dak met verschillende programma’s. En 66 procent wil dat het speciaal onderwijs eerder groeit dan krimpt.
Dit suggereert dat de weerstand niet zozeer is gericht op het streven naar inclusie zelf, maar op de extreme voorstelling ervan: iedereen bij elkaar, zonder extra ondersteuning, binnen een systeem dat al piept en kraakt. Tegelijkertijd is dat geen argument tegen het streven naar inclusief onderwijs, maar eerder tegen een slechte uitvoering van iets wat in feite nog nooit goed is uitgevoerd.
Zolang we blijven soebatten over haalbaarheid binnen het huidige bestel, draaien we in rondjes. De kaders produceren de mislukking, de mislukking rechtvaardigt de kaders. Ondertussen stijgt het aantal thuiszitters, groeien de wachtlijsten en nadert 2035 met rasse schreden.
Dat het anders kan, liet de Onderwijsinspectie onlangs nog zelf zien. In een verkenningsstudie onderzocht zij hoe zes onderwijsstelsels inclusie vormgeven. In Italië zijn scholen al sinds 1970 verplicht inclusief onderwijs te bieden; daar geldt inclusief onderwijs simpelweg als goed onderwijs. In Estland, Portugal, Zweden en in de Oostenrijkse deelstaat Tirol krijgt een kind extra ondersteuning zonder dat er eerst een diagnose op tafel moet liggen. En in Nieuw-Zeeland mogen kinderen
van dezelfde leeftijd tot drie jaar in leerstof verschillen, omdat leeftijd daar geen heilig huisje is.
Elk kind heeft aandacht nodig. Op de vraag of ons onderwijs dat biedt, is het eerlijke antwoord: nee. Daarom mag het debat niet vastlopen op haalbaarheid. Het moet gaan over de normen waarop ons stelsel rust. Dáár begint inclusie. Niet in 2035.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant